Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:15

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201400399, CUR201400400 en CUR201400401, voorheen 66420, 66421 en 69908 van 2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij rente heeft betaald die voor aftrek in aanmerking komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 11 januari 2017

BBZ nrs. CUR201400399, CUR201400400 en CUR201400401, voorheen 66420, 66421 en 69908 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, woonachtig in Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 17 juni 2013 aanslagen inkomstenbelasting (IB) en premieheffing AVBZ (AVBZ) opgelegd over het jaar 2010. Met dagtekening 7 maart 2014 is aan belanghebbende een aanslag IB over het jaar 2011 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 9 juli 2013 (IB en AVBZ 2010) respectievelijk 8 april 2014 (IB 2011) tegen de aanslagen in bezwaar gekomen.

1.3

Met dagtekening 22 november 2014 (IB en AVBZ 2010) respectievelijk 8 augustus 2014 (IB 2011) heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 8 januari 2014 (IB en AVBZ 2010) respectievelijk 3 september 2014 (IB 2011) in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar.

1.5

Op 19 februari 2016 heeft de Inspecteur een verweerschrift voor 2011 ingediend.

1.6

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 24 februari 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A en belanghebbende in persoon. Belanghebbende heeft aldaar een pleitnota overgelegd. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld om bewijsstukken in te dienen met betrekking tot de kosten eigen woning. Belanghebbende heeft op 5 april 2016 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft daarop per email van 28 oktober 2016 gereageerd. Belanghebbende heeft vervolgens per email van 8 november 2016 een reactie verzonden. Partijen hebben toestemming gegeven om zonder nadere mondelinge behandeling uitspraak te doen.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter comparitie is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende is gehuwd met B. Zij heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van Naf. 129.047 in 2010 en Naf. 138.015 in 2011. In beide aangiften heeft zij als persoonlijke lasten een bedrag in aftrek gebracht van Naf. 32.500, bestaande uit rente geldlening eigen woning (Naf. 27.500) en rente geldlening (Naf. 5.000).

2.3.

De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslagen afgeweken van de aangiften en heeft de belastbare en premie-inkomens vastgesteld op Naf. 164.079 (2010) en Naf. 172.169 (2011). Zij heeft daarbij onder meer de opgevoerde persoonlijke lasten niet in aftrek toegelaten.

2.4

Tot de stukken van het geding behoren de volgende bescheiden:

 Een deel van het aangiftebiljet inkomstenbelasting en premieheffing over het jaar 2010 en het volledige aangiftebiljet over 2011. In de toelichting bij de persoonlijke lasten is in het biljet 2010 vermeld: “rente: 35.000,00; Schuldeiser: R BV; Datum lening: 15/11/2009; Schuld op 31 dec: 350.000,00”

 Een bij de aangiften gevoegd stuk gedateerd 31 december 2011 met als opschrift “R B.V. en de tekst: “Betreft: uitstaande lening

L.S.,

Ondergetekende bevestigt dat door R B.V. op 15 oktober 2009 een bedrag van NAf. 350.000 is uitgeleend aan X ten behoeve van de bouw en inrichting van het woonhuis gelegen te Y.

De leningsvoorwaarden zijn: interest 10% p.j. en terugbetaling ineens in 2015 of zoveel eerder als inlener daarvoor de middelen heeft.

In 2011 is een bedrag van F. 35.000 aan rente ontvangen.”

Onderaan is een handtekening, zonder naam, geplaatst;

 Een verzekeringsbewijs, gedateerd 29 januari 2013, met betrekking tot de locatie Y. Het verzekerd bedrag bedraagt Naf. 400.000 voor het gebouw en Naf. 100.000 voor de inboedel. De verzekerden zijn X en Z;

 “Current account summaries” (overzicht lopende rekening) ten name van Z (zoon belanghebbende) over de periode 6 mei 2009 tot 22 juni 2009. Hieruit blijken kasopnames van in totaal Naf. 39.323,88.

 Bankafschriften van RBTT Bank ten name van T NV met kasopnames in de periode 2010 - 2012 tot een bedrag van Naf. 63.200. Daarnaast een afschrift van een interne overboeking naar D van Naf. 5.775 op 26 maart 2012;

 Bankafschriften van RBBT Bank ten name van D, H te Willemstad met daarop onder meer bijschrijvingen tot een bedrag van Naf. 45.000, met daarbij de omschrijving “cheque” en corresponderende gedeelten van cheques;

 Bouwtekeningen van woning Y, gedateerd december 2008 en opdrachtgever Z;

 Een viertal foto’s van de gebouwde woning;

 Twee offertes van 1 mei 2009 van J, gericht aan opdrachtgever Z, met betrekking tot project woonhuis Y met daarin opgenomen een aantal werkzaamheden en materialen en bijbehorende bedragen. De offertes zien beide op dezelfde werkzaamheden. Het totaal bedrag van de ene offerte is Naf. 168.077,09, van de andere Naf. 215.813,27;

 Offerte van juni 2009 van Kooyman gericht aan Z met betrekking tot woonhuis YZ. Betreft allerlei bouwwerkzaamheden en materialen. Totaalbedrag: Naf. 799.611;

 Offertes van J van 29 augustus 2009 en 7 oktober 2009 tot in totaal een bedrag van Naf. 38.587,44;

 Offerte elektrische installatie complex B van M aan Z. Datum 14 juli 2009. Bedrag: Naf. 23.850;

 Facturen van Building Depot Curaçao BV van 19 mei 2009 (gericht aan Z) en van 12 oktober 2009. Totaalbedrag: Naf. 40.341,17;

 Factuur van Mexico Lindo van 28 november 2009, gericht aan Z. Betreft fabricage van ramen. Bedrag: Naf. 7.259,60;

 Handgeschreven papier van 24 december 2009 gericht aan Z met betrekking tot sanitair. Bedrag Naf. 12.500;

 Handgeschreven papier van 17 mei 2010 gericht aan Z. Betreft deuren en betimmering. Bedrag 3.795,75;

 Ongedateerd en naamloos papier met daarop aantal bouwmaterialen. Bedrag: Naf. 160.739,27.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

In geschil is de vraag of in beide jaren een bedrag van Naf. 32.500 als aftrekpost in aanmerking genomen moet worden. Belanghebbende meent van wel. Zij heeft ter zake van de bouw van haar woonhuis Y een bedrag van Naf. 350.000 geleend en in verband daarmee in beide jaren een bedrag van Naf. 35.000 aan rente betaald. Gelet daarop is volgens belanghebbende het (maximum) bedrag van Naf. 32.500 aftrekbaar als persoonlijke last.

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende het bestaan van de lening en de rentebetalingen niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat geen aftrek van de opgevoerde persoonlijke lasten kan plaatsvinden.

Tijdens de comparitie heeft belanghebbende verklaard alsnog akkoord te gaan met de overige correcties.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

AVBZ 2010

4.1

Ten aanzien van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de premieheffing AVBZ heeft het volgende te gelden. Ingevolge artikel 39, tweede lid van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten doet de Inspecteur indien, zoals hier, de feiten en omstandigheden die in geding zijn tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting, op een bezwaarschrift betreffende de premie AVBZ eerst uitspraak nadat de aanslag in de inkomstenbelasting onherroepelijk is komen vast te staan. De Inspecteur heeft vroegtijdig uitspraak gedaan omdat toen zij de uitspraak deed de aanslag in de inkomstenbelasting nog niet onherroepelijk vast stond. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de AVBZ is derhalve gegrond.

IB 2010 en 2011

4.2

Ingevolge artikel 16, lid 1, letter h, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB 1943) zijn, voor zover hier van belang, rente van schulden en kosten van geldlening aangegaan voor de verkrijging, onderhoud of verbetering van een eigen woning die tot hoofdverblijf dient tot een bedrag van Naf. 27.500 als persoonlijke last aftrekbaar. In artikel 16, lid 1, letter c LIB 1943 is, in combinatie met artikel 16, lid 5, bepaald dat rente van schulden en kosten van geldleningen voor gehuwden tot een bedrag van Naf. 5.000 aftrekbaar zijn. De bewijslast dat er rente is betaald die voor aftrek in aanmerking komt rust op belanghebbende.

4.3

Belanghebbende heeft gesteld dat zij de economische eigenaar is van de woning te Y 15 (hierna: de woning) en dat de woning haar en haar echtgenoot tot hoofdverblijf dient. De Inspecteur heeft dat niet dan wel onvoldoende weersproken. Gelet hierop vormt de rente ter zake van een lening die is aangegaan voor de bouw van de woning een persoonlijke last tot het in artikel 16 genoemde bedrag (zie ECLI:NL:ORBBACM:2014:13, waarin de Raad van Beroep voor Belastingzaken heeft beslist dat artikel 16 LIB 1943 niet alleen geldt voor de juridische eigenaar van een woning maar ook voor de economische eigenaar).

4.4

Belanghebbende heeft tot bewijs van haar standpunt de in 2.4, onder bullet 4 vermelde verklaring overgelegd en daarnaast de verder in 2.4 vermelde stukken. De Inspecteur heeft betwist dat hiermee het vereiste bewijs geleverd is. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt.

4.5

Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende met de overgelegde stukken niet het bewijs geleverd dat ter zake van de bouw van het woonhuis een lening is aangegaan en dat tot een bedrag van Naf. 32.500 (per jaar) rente is betaald. Het Gerecht stelt voorop dat het in de praktijk hoogst ongebruikelijk is dat zakelijk handelende partijen een leningsovereenkomst van Naf. 350.000 aangaan zonder dat er zekerheden verschaft worden met betrekking tot terugbetaling en zonder dat er iets op schrift wordt gezet. Het Gerecht overweegt verder dat uit de overgelegde stukken weliswaar blijkt dat ter zake van de bouw aanzienlijke uitgaven zijn gedaan, maar niet dat die uitgaven zijn gedaan door belanghebbende. Het bestaan van een lening kan daaruit dan ook niet afgeleid worden. Belanghebbende heeft daarover weliswaar verklaard dat haar kinderen die bedragen voorgeschoten hebben maar zij heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat, hoe en wanneer zij die bedragen aan haar kinderen terugbetaald zou hebben en dat daarvoor geleende gelden zouden zijn aangewend. Het Gerecht stelt voorts vast dat nagenoeg alle offertes ter zake van de bouw van het woonhuis zijn gericht aan Z (de zoon van belanghebbende) en dat op de bijgevoegde bankafschriften de naam van belanghebbende (of van haar man) geen enkele keer voorkomt. Die stukken leveren dan ook geen bewijs op voor belanghebbendes stelling dat een lening is aangegaan. Bovendien blijkt uit de ingebrachte stukken dat op zijn minst een deel van de bouwkosten is gemaakt na het tijdstip waarop de lening zou zijn afgesloten. Dan is het vreemd dat de kinderen die bedragen toch zouden hebben moeten voorschieten. Dat in de periode 2010-2012 een bedrag van ruim Naf. 60.000 aan contanten door T N.V., blijkbaar een vennootschap van de kinderen, is opgenomen bewijst evenmin het bestaan van een lening van belanghebbende. Die bedragen zijn tenslotte niet opgenomen door belanghebbende en ook is niet aannemelijk gemaakt dat die bedragen bij belanghebbende terecht zijn gekomen en dat die daarmee een deel van de lening zou hebben afgelost of rentebetalingen zou hebben verricht. Het Gerecht stelt vast dat, los van de verklaring van R BV, geen enkel bewijsstuk aanwezig is met betrekking tot het aangaan en de aanwending van de lening, de aflossingen en de betaling van rente. Gelet op al het voorgaande acht het Gerecht de verklaring van R BV ongeloofwaardig en het bestaan van de lening en de rentebetalingen niet aannemelijk gemaakt. Het gelijk is aan de Inspecteur. In zoverre is het beroep ongegrond.

5 BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep tegen de aanslag premie AVBZ 2010 gegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag premie AVBZ 2010.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr D.J. Jansen en mr. W.C.E. Winfield, leden van het Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).