Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:144

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-10-2017
Datum publicatie
19-10-2017
Zaaknummer
AR 79312/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rekening-courant, boekenclausule, misbruik van procesrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ENNIA CARIBE LEVEN N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. C. Winkel,

tegen

de naamloze vennootschap

CENTRALE HYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. E. Kleist.

Partijen zullen hierna Ennia en CHB genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift ingekomen ter griffie op 10 juni 2016, met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie, met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, met producties;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

1.2.

Vervolgens is de zaak verwezen voor vonnis.

2 De feiten

2.1.

Ennia is een aanbieder van verzekeringsproducten. CHB is (onder andere) werkzaam als bemiddelaar bij het tot stand komen van verzekeringsovereenkomsten.

2.2.

Op 1 januari 2015 is tussen Ennia (en enkele andere vennootschappen uit het Ennia-concern) en CHB een samenwerkingsovereenkomst tot stand gekomen, op grond waarvan CHB zou bemiddelen bij het tot stand komen van verzekeringsovereenkomsten tussen Ennia en verzekeringnemers tegen betaling door Ennia aan CHB van een provisie. Artikel 4 van de overeenkomst luidt als volgt, weergegeven voor zover van belang:

“De rekening-courant boekhouding van ENNIA geldt tussen partijen als volledig bewijs van hetgeen daarin vermeld staat, behoudens overtuigend en eenduidig tegenbewijs van Bemiddelaar.”

De aldus tot stand gekomen overeenkomst was een voortzetting van een eerdere samenwerking die al sinds 2006 bestond.

2.3.

Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Artikel 14 van deze algemene voorwaarden luidt voor zover van belang als volgt:

14 Rekening-courant

14.1

Het financieel verkeer tussen ENNIA Schade en/of ENNIA Leven en/of ENNIA Zorg enerzijds en Bemiddelaar anderzijds wordt verwerkt in afzonderlijke rekeningcouranten. […]

[…]

14.9

Bemiddelaar ontvangt maandelijks een overzicht van het opeisbare saldo en de mutaties betreffende de rekening-courant. Bemiddelaar is verplicht deze terstond te controleren en bij constatering van een onjuistheid binnen dertig dagen na de betreffende boekingsperiode ENNIA hiervan schriftelijk in kennis te stellen. Indien een dergelijke mededeling achterwege blijft, geldt de opgave door ENNIA nadat deze termijn van dertig dagen is verstreken als goedgekeurd. […]

14.10

Een eventueel debetsaldo dient door Bemiddelaar binnen dertig dagen na de betreffende boekingsperiode te zijn aangezuiverd. Indien tijdige aanzuivering uitblijft, is Bemiddelaar in gebreke zonder dat ingebrekestelling vereist is en is deze tevens over het openstaande opeisbare saldo een rente van 1,5% per maand en alle gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten verschuldigd die ENNIA Leven […] hebben gemaakt. De buitengerechtelijke kosten worden in dit kader bepaald op tenminste 15% van het te vorderen bedrag […].”

2.4.

Ennia debiteert de tussen Ennia en CHB afgesloten rekening-courant met de verschuldigde verzekeringspremies zodra een verzekeringsaanvraag via CHB is gedaan en deze door Ennia is goedgekeurd. Na totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst incasseert CHB de premie bij de verzekeringnemer, betaalt CHB de premie aan Ennia, die vervolgens de rekening-courant met het ontvangen bedrag crediteert.

2.5.

Bij brief van 26 april 2016 heeft Ennia CHB gesommeerd tot aanzuivering van een (volgens Ennia) in de rekening-courant openstaande debetstand van ruim

NAf 1.065.402,21.

2.6.

Op 28 april 2016 heeft CHB een bedrag van NAf 1 miljoen overgemaakt op de rekening van Ennia Caribe Schade N.V. (hierna: Ennia Schade).

2.7.

Op 30 mei 2016 heeft Ennia met toestemming van het Gerecht ten laste van CHB conservatoir derdenbeslag gelegd voor een vordering van NAf 1,6 miljoen. Ter opheffing van het beslag heeft de Girobank ten behoeve van CHB een bankgarantie van NAf 1,6 miljoen afgegeven.

3 Het geschil

In conventie

3.1.

Ennia vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat veroordeling van CHB tot betaling van NAf 1.065.784,74, te vermeerderen met de contractuele rente en 15% aan buitengerechtelijke kosten, en met veroordeling van CHB in de proceskosten.

3.2.

CHB voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Ennia in de proceskosten.

In reconventie

3.3.

CHB vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat Ennia jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld door het leggen van beslag en door het voeren van onderhavige procedure, alsmede veroordeling van Ennia tot vergoeding van de als gevolg hiervan geleden schade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van Ennia in de proceskosten.

3.4.

Ennia voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van CHB in de proceskosten.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.

Aan haar vordering legt Ennia het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 14.10 van de algemene voorwaarden is CHB verplicht om een debetstand op de rekening-courant binnen dertig dagen aan te zuiveren, bij gebreke waarvan zij zonder ingebrekestelling in verzuim is en een rente van 1,5% per maand is verschuldigd. Het gevorderde bedrag is de debetstand per 31 mei 2016. Dit bedrag blijkt uit de administratie van Ennia, die leidend is. CHB is ondanks diverse aanmaningen in gebreke gebleven deze debetstand aan te zuiveren.

4.2.

Als verweer voert CHB aan dat de stand van de rekening-courant geen adequaat beeld geeft van de over en weer bestaande verplichtingen. Dit wordt veroorzaakt door twee omstandigheden. In de eerste plaats komt het voor dat een verzekeringnemer na het indienen van een aanvraag (en goedkeuring door Ennia) alsnog van de verzekering afziet. In een dergelijk geval wordt door CHB geen premie geïncasseerd en ook niet aan Ennia betaald, maar heeft Ennia al wel de rekening-courant met dat bedrag gedebiteerd. In de tweede plaats komt het voor dat lopende verzekeringen tussentijds worden opgezegd. Ook op deze opgezegde verzekeringen incasseert CHB geen premie meer en wordt ook niet aan Ennia betaald, maar de maandelijkse debitering door Ennia kan wel doorlopen.

4.3.

De overeenkomst bevat een zogenoemde ‘boekenclausule’, die inhoudt dat de boekhouding van Ennia met betrekking tot de rekening-courant geldt als volledig bewijs van hetgeen daarin vermeld staat, behoudens tegenbewijs. Een dergelijke clausule brengt mee dat, voor zover CHB dit (voldoende gemotiveerd) betwist, het aan Ennia is om aan te tonen dat de opgave op de rekening-courant overeenkomt met de gegevens in haar administratie. Dat haar administratie zelf juist is, hoeft zij in beginsel niet aan te tonen. Het is aan CHB daarvan in voorkomend geval tegenbewijs te leveren.

4.4.

CHB heeft op zichzelf niet betwist dat de gegevens vermeld in de rekening-courant overeenkomen met de administratie van Ennia. Dat staat dus vast. Wel heeft CHB de juistheid van die administratie betwist. De stellingen van partijen in dat verband beoordeelt het Gerecht als volgt.

4.5.

De samenwerkingsovereenkomst voorziet erin dat Ennia maandelijks overzichten aan CHB verstrekt waarin het opeisbare saldo op de rekening-courant wordt weergegeven, alsmede de mutaties, waarna CHB deze overzichten dient te controleren en eventuele onjuistheden binnen dertig dagen aan Ennia dient te melden (artikel 14.9 van de algemene voorwaarden). Het Gerecht begrijpt de stellingen van Ennia aldus dat het saldo op de rekening-courant gebaseerd is op de maandelijkse overzichten. Ennia heeft onbetwist gesteld dat zij deze maandelijkse overzichten aan CHB heeft verstuurd, en CHB heeft de ontvangst ervan bevestigd (conclusie van antwoord onder 17). Gelet op dit laatste verwerpt het Gerecht de speculatieve stelling van CHB (conclusie van dupliek sub 12) dat het “kan” voorkomen dat zij sommige maandoverzichten niet heeft ontvangen.

4.6.

CHB heeft aangevoerd dat zij niet in staat was tot de contractueel verplichte controle van de maandoverzichten, omdat deze niet op het niveau van individuele polissen waren samengesteld. Het Gerecht verwerpt dat verweer. Als de stelling van CHB juist is, dan had van haar verwacht mogen worden dit probleem in een vroeg stadium van de samenwerking met Ennia aan de orde te stellen. Daarmee zou immers voorkomen kunnen worden dat na lange tijd nog moeilijk verifieerbare geschillen zouden ontstaan over het saldo en de mutaties op de overzichten. Dit lag op de weg van CHB omdat op haar de verplichting rust de maandoverzichten tijdig te controleren. Gesteld noch gebleken is dat CHB dit probleem tijdig bij Ennia heeft aangekaart.

4.7.

Daarbij komt dat uit de door CHB overgelegde stukken blijkt dat zij wel degelijk tot die controle in staat was. Als productie 3 bij conclusie van antwoord heeft CHB een uitvoerige lijst van polissen in het geding gebracht. Zij heeft gesteld dat het hier een overzicht betreft van polissen waarvan zij aan Ennia heeft laten weten dat die zijn beëindigd, maar ten aanzien waarvan Ennia is doorgegaan met het debiteren van de rekening-courant. Hieruit kan het Gerecht niet anders afleiden dan dat CHB wel degelijk in staat was de juistheid van de overzichten te controleren. Bovendien heeft CHB aangevoerd dat zij de polissen waarop zij geen premies (meer) ontvangt “extracomptabel” bijhoudt, om deze individueel met Ennia af te handelen (conclusie van antwoord onder 20 en 21). Ook dit duidt erop dat CHB in staat was om Ennia op eventuele onjuistheden te wijzen. Voor zover het zo zou zijn dat CHB meer tijd nodig had dan de controleperiode van dertig dagen, vanwege de volgens haar niet op elkaar aansluitende manieren van administreren van haarzelf en Ennia, dan had ook op dat punt van haar verwacht mogen worden dit tijdig bij Ennia aan de orde te stellen. Gesteld noch gebleken is dat CHB dit heeft gedaan.

4.8.

Gelet hierop en op artikel 14.9 van de algemene voorwaarden is het Gerecht van oordeel dat de maandelijkse overzichten van Ennia, die zij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, als goedgekeurd hebben te gelden. Voor zover CHB zou menen dat het aan Ennia is om op dit punt bewijs te leveren (conclusie van dupliek sub 13), geldt dat CHB de uit de boekenclausule voortvloeiende bewijslastverdeling miskent.

4.9.

Verder heeft CHB als verweer aangevoerd dat Ennia in veel gevallen zogenoemde “BGB-brieven” niet juist heeft verwerkt. Met dergelijke brieven (“brief van geen belang”) meldt CHB in voorkomend geval dat zij geen belang meer heeft bij de desbetreffende polis, omdat deze door de verzekeringnemer is opgezegd. Ennia dient dit vervolgens in haar eigen administratie te verwerken, zodat de premies voor die polis niet meer op de rekening-courant worden gedebiteerd. Volgens CHB heeft Ennia dat met een groot aantal polissen niet gedaan. Het in dit verband als productie 4 overgelegde overzicht loopt tot en met 2016. Daarmee is een bedrag van NAf 324.680,25 gemoeid. Dit bedrag strekt in mindering op de vordering van Ennia, aldus CHB. Het Gerecht overweegt als volgt.

4.10.

Ennia heeft het door CHB becijferde bedrag op zichzelf niet weersproken. Zij stelt echter dat uit een enkele BGB-brief nog niet volgt dat de desbetreffende verzekering is geëindigd, maar slechts dat CHB niet langer als tussenpersoon optreedt. Voor zover Ennia hiermee heeft willen betogen dat zij voor de desbetreffende polissen terecht is doorgegaan met het debiteren van de rekening-courant, verwerpt het Gerecht dit standpunt als onvoldoende onderbouwd. Bij conclusie van antwoord (productie 4) heeft CHB een e-mail van Ennia van 1 juli 2013 overgelegd die luidt als volgt:

“Op 28 juni 2013 hebben wij de volgende met u telefonische afgesproken:

  • -

    Wij ontvangen binnen kort van jullie een recente BGB lijst.

  • -

    Ennia zal aan de hand van de recente BGB lijst uitzoeken wat al is verwerkt.

  • -

    Dat wat nog niet verwerkt is in ons systeem, indien nodig zullen wij jullie voor een kopie brief (geen belang) vragen om alsnog de verwerking te kunnen realiseren.”

Hieruit kan naar het oordeel van het Gerecht niet anders worden afgeleid dan dat de ontvangst van een BGB-brief voor Ennia in 2013 wel degelijk voldoende was om in haar systeem te verwerken dat de premie-incasso en dus ook de debitering op de rekening-courant ten behoeve van de desbetreffende polissen moest worden stopgezet. Ennia heeft niet uitgelegd waarom dat in 2017 anders is dan in 2013. Verder heeft Ennia voor een deel van het door CHB berekende bedrag aangevoerd dat dit is verjaard. Zij heeft echter op geen enkele wijze toegelicht op grond waarvan en per wanneer die verjaring zou zijn voltooid. Op het punt van de “BGB-brieven” slaagt het verweer van CHB dan ook.

4.11.

Zoals hiervoor vermeld, loopt het door CHB als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde overzicht tot en met november 2016. Het Gerecht leidt daaruit af dat de niet door Ennia verwerkte BGB-brieven tot en met die periode door CHB in haar verweer zijn verwerkt. CHB heeft niet gesteld dat er met betrekking tot die periode nog andere onverwerkte BGB-brieven zijn. Nu de vordering van Ennia betrekking heeft op de periode tot en met mei 2016, betekent dit dat er in dit verband geen aanleiding bestaat om CHB nog gelegenheid te geven tot nadere (tegen)bewijslevering.

4.12.

Het voorgaande leidt het Gerecht tot de conclusie dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de administratie van Ennia ter zake de rekening-courantverhouding met CHB onjuist is voor zover het betreft de onverwerkte BGB-brieven.

4.13.

CHB heeft als verweer nog aangevoerd dat Ennia niet heeft aangetoond dat de thans openstaande bedragen betrekking hebben op de periode na 1 januari 2015. CHB heeft niet duidelijk gemaakt wat zij met dit verweer wil beogen. Het Gerecht wijst erop dat CHB zelf heeft gesteld dat de huidige overeenkomst een voortzetting is van een eerder tussen partijen gesloten overeenkomst. Bovendien heeft Ennia onbetwist gesteld dat ook de vorige overeenkomst een boekenclausule als de onderhavige bevatte. Dit verweer wordt dan ook verworpen.

4.14.

Verder heeft CHB gesteld dat bij de onderhavige vordering ook de saldi op de rekening-courantverhoudingen met andere Ennia-vennootschappen moet worden “betrokken”. CHB heeft niet uitgelegd om welke reden dit nodig is en het Gerecht ziet dat ook niet in. Vast staat dat de onderhavige vordering louter de rekening-courantverhouding tussen Ennia en CHB betreft. De eventuele verhoudingen tussen CHB en andere vennootschappen uit het Ennia-concern moeten daarvan worden onderscheiden, althans, CHB heeft niet gesteld dat dit in dit geval anders is. Het Gerecht wijst er voor de goede orde op dat Ennia onbetwist heeft gesteld (en met stukken onderbouwd) dat de betaling van NAf 1 miljoen betrekking had op de rekening-courantverhouding met Ennia Schade.

4.15.

CHB heeft geen andere dan de hierboven beoordeelde feiten gesteld, zodat (tegen)bewijslevering niet aan de orde is.

4.16.

CHB heeft ten slotte aangevoerd (in conventie bij wijze van verweer en in reconventie ter onderbouwing van haar vordering) dat Ennia misbruik van procesrecht maakt. CHB wijst erop dat Ennia beslag heeft laten leggen ondanks de betaling van

NAf 1 miljoen en dat zij vervolgens deze procedure is begonnen ondanks een door CHB gestelde bankgarantie van NAf 1,6 miljoen. Op het moment dat Ennia hiertoe overging, waren zij en CHB nog in overleg om gezamenlijk uit te zoeken wat de precieze debetstand op de rekening-courant was. Ennia had geen enkel in redelijkheid te respecteren belang bij het leggen en handhaven van het beslag en het beginnen van deze procedure, aldus CHB.

4.17.

Het Gerecht verwerpt dit betoog. Voorop gesteld moet worden dat het een schuldeiser in beginsel vrij staat zijn belangen veilig te stellen door middel van het treffen van bewarende maatregelen. Onder omstandigheden kan dit anders zijn, bijvoorbeeld als zijn wederpartij op basis van uitlatingen of gedragingen aan de zijde van de schuldeiser erop heeft mogen vertrouwen dat deze (vooralsnog) van het treffen van maatregelen zou afzien. Het enkele feit dat partijen met elkaar in overleg zijn over verder onderzoek naar de onderlinge verhoudingen is daarvoor echter onvoldoende. Uit de stellingen van CHB kan niet worden afgeleid dat Ennia uitlatingen heeft gedaan waarmee het nemen van juridische stappen in redelijkheid niet verenigbaar is. Daarbij komt dat uit het voorgaande volgt dat Ennia een (substantiële) vordering heeft op CHB, zodat zij reden had om beslag te doen leggen. De daaraan voorafgaande betaling van NAf 1 miljoen doet daar niet aan af, nu Ennia onbetwist heeft gesteld (en met stukken onderbouwd) dat deze betaling plaatsvond ten behoeve van (de rekening-courantverhouding met) Ennia Schade. Het stellen van de bankgarantie maakt voorts niet dat het starten van deze procedure heeft te gelden als misbruik van procesrecht. Ennia heeft immers belang bij het verkrijgen van een exeturoriale titel, nog daargelaten dat in het algemeen niet spoedig van misbruik van procesrecht sprake zal zijn.

4.18.

De slotsom in conventie luidt dat het verweer van CHB voor wat betreft het door haar becijferde bedrag van NAf 324.680,25 slaagt. Dit bedrag strekt in beginsel in mindering op de vordering van Ennia van NAf 1.065.784,74. Nu CHB zelf erkent een bedrag van NAf 787.405,27 schuldig te zijn (conclusie van dupliek sub 22 en 36), zal het Gerecht dit bedrag in conventie toewijzen.

4.19.

Ennia vordert de contractuele rente van 1,5% per maand “vanaf de respectievelijke vervaldata”. Niet ter discussie staat dat deze rente is overeengekomen. Uit artikel 14.10 van de algemene voorwaarden kan echter niet worden afgeleid dat rente is verschuldigd vanaf bepaalde “vervaldata”. Rente is blijkens die bepaling verschuldigd na verloop van dertig dagen na een zekere “boekingsperiode”. Ennia heeft niet gesteld wat de boekingsperiode is waarvan zij bij haar vordering is uitgegaan. Deze onduidelijkheid behoort niet voor rekening van CHB te komen. Het Gerecht zal voor de ingangsdatum van de contractuele rente daarom uitgegaan van de datum waarop CHB is opgeroepen om te verschijnen (22 juli 2016).

4.20.

Ennia vordert daarnaast veroordeling van CHB tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van 15% over de hoofdsom. Deze vordering zal worden afgewezen. Ennia heeft niet gesteld dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, dat wil zeggen kosten waarvoor de proceskosten niet reeds een vergoeding plegen in te sluiten. Van een grond om niettemin een vergoeding voor niet gemaakte kosten vast te stellen is niet gebleken.

4.21.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in conventie zal CHB worden veroordeeld in de proceskosten van Ennia. Deze worden begroot op NAf 7.050 aan griffierecht, NAf 2.100 aan gemachtigdensalaris (3 punten, tarief 9) en NAf 2.219 aan explootkosten ter zake de beslaglegging.

4.22.

In reconventie zal de vordering worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal CHB worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op NAf 1.250 aan gemachtigdensalaris (1 punt, tarief 5).

5 De beslissing

Het Gerecht:

in conventie

- veroordeelt CHB tot betaling aan Ennia van NAf 787.405,27, te vermeerderen met de contractuele rente van 1,5% per maand over dit bedrag vanaf 22 juli 2016 tot aan de dag van voldoening;

- veroordeelt CHB in de proceskosten van Ennia, tot op heden begroot op

NAf 11.369;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

- wijst de vordering af;

- veroordeelt CHB in de proceskosten van Ennia, tot op heden begroot op

NAf 1.250.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2017.