Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:140

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
05-10-2017
Datum publicatie
18-10-2017
Zaaknummer
EJ 82931/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek hotel tegen verpleegster afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5399
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

P.B.C. Operating N.V.,

gevestigd in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. X.C.G. Bakhuis,

tegen

[VERWEERSTER],

wonende in Curaçao,

verweerster,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes.

Partijen zullen hierna PBC en [verweerster] genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

PBC heeft op 6 juni 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Het verzoek is behandeld op de zitting van 14 september 2017. Op voorhand hebben zowel PBC als [verweerster] een aantal producties toegezonden. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben de gemachtigden het woord gevoerd, mr. Asjes mede aan de hand van door haar overgelegde pleitnotities.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

verweerster] is sinds 16 december 2002 in dienst bij PBC (hotel Sunscape) als nurse. Zij verdiende laatstelijk een salaris van NAf 3.147,88 bruto per maand.

2.2.

Bij brief van 27 oktober 2016 heeft PBC SOAW verzocht om toestemming te geven tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Na door [verweerster] gevoerd schriftelijk verweer van 15 november 2016 heeft SOAW op 6 maart 2017 de gevraagde toestemming geweigerd.

2.3.

Op of rond 27 oktober 2016 is [verweerster] op non actief gesteld in afwachting van de procedure bij SOAW. Haar loon is tot op heden doorbetaald.

3 Het geschil

3.1.

PBC verzoekt naast een kostenveroordeling dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven,

-het ontslagverzoek alsnog rechtmatig zal verklaren;

-de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk zal ontbinden op grond van gewichtige redenen en/of veranderende omstandigheden, zonder toekenning van een vergoeding.

3.2.

Aan dit verzoek legt PBC ten grondslag dat de arbeidsverhouding is verstoord.

3.3. [

verweerster] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Voor het verzoek van PBC om het ontslag alsnog rechtmatig te verklaren bestaat geen grondslag, zoals ook door [verweerster] is aangevoerd, zodat dit wordt afgewezen.

4.2.

Met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geldt artikel 7A: 1615w BW, waarin in de kern is bepaald dat een arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden wegens gewichtige redenen. Als gewichtige redenen worden beschouwd - onder meer - veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de dienstbetrekking billijkheidshalve behoort te eindigen. Een verstoorde arbeidsverhouding kan in het algemeen worden gezien als een dergelijke verandering in de omstandigheden.

4.3.

PBC voert drie redenen aan waarom er sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding. In de eerste plaats stelt PBC dat er klachten zijn over [verweerster] van de zijde van collega’s en van gasten. Voorts brengt zij naar voren dat [verweerster] vaak niet op haar post aanwezig is. Tenslotte stelt PBC dat [verweerster] er ten onrechte vanuit gaat dat één van de managers, Klaber, de jacht op haar heeft geopend.

4.4. [

verweerster] heeft over de pretense klachten naar voren gebracht dat deze in feite een verzinsel zijn van PBC om daarmee [verweerster] te kunnen ontslaan, zodat er ruimte ontstaat om jongere en goedkopere werknemers aan te trekken. Voorts heeft [verweerster] aangevoerd dat als er al klachten zijn geweest in het verleden, deze nimmer met haar zijn besproken en dat deze bovendien niet van zodanig gewicht zijn dat deze een ontbinding rechtvaardigen.

4.5.

Het Gerecht is van oordeel dat de door PBC genoemde klachten niet tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. PBC heeft immers volstaan met overlegging van enkele emails uit april 2015 en augustus en september 2016 die van onvoldoende gewicht zijn tegenover de gemotiveerde betwisting van klachten door [verweerster]. Verder geldt dat als er al sprake zou zijn van verwijtbare gedragingen door [verweerster], het op de weg van PBC had gelegen om deze met haar te bespreken en aan te sturen op verbetering. Dat dit is gebeurd is niet gesteld of gebleken.

4.6.

Dat [verweerster] vaak niet op haar post aanwezig zou zijn is door haar bestreden. [verweerster] geeft aan dat zij het altijd meldt als zij al van haar post af is en dat zij in dat geval via portofoon bereikbaar is. Dit is door PBC niet onderbouwd weersproken.

4.7.

Noch de klachten noch het al dan niet aanwezig zijn op haar post kunnen gezien het vorenstaande leiden tot de conclusie dat er sprake is van een verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7A: 1615w BW.

4.8.

Ook de slechte werkrelatie tussen [verweerster] en Klaber kan niet worden aangemerkt als een dergelijke verandering in de omstandigheden. Ter zitting is immers gebleken dat [verweerster] niet onder het management van Klaber werkt. Het moet dus mogelijk zijn voor beide werknemers om, eventueel onder begeleiding vanuit PBC, hun werkzaamheden uit te blijven oefenen zonder elkaar in de weg te zitten.

4.9.

Het verzoek van PBC wordt derhalve afgewezen. PBC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [verweerster].

4.10.

Gelet op het door [verweerster] overgelegde bewijs van onvermogen, zal zij worden toegelaten om kosteloos te procederen.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- verleent [verweerster] toestemming kosteloos te procederen;

- wijst af het verzoek;

- veroordeelt PBC in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2017.