Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:138

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-10-2017
Datum publicatie
12-10-2017
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201600295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzuimboete bij niet tijdige indiening van de aangifte winstbelasting. Het beroep op avas faalt. Van het stelselmatig niet doen van aangifte is geen sprake nu blijkbaar in 2011 geen verzuim is geconstateerd. De omstandigheid dat belanghebbende vanwege de lopende besprekingen het doen van aangifte achterwege heeft gelaten vormt voor het Gerecht een reden om de door de Inspecteur opgelegde verzuimboete te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 9 oktober 2017

BBZ nr. CUR201600295

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

Op het beroep in de zin van de

landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 24 juli 2015 over het jaar 2013 een naheffingsaanslag winstbelasting van Naf. 60.000 en een boete van Naf. 9.000 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 24 september 2015 tegen de aanslag winstbelasting en de boetebeschikking in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 28 december 2015 uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren niet- ontvankelijk verklaard.

1.4

Belanghebbende is op 25 februari 2015 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. Ter zake van de indiening van het beroepschrift heeft belanghebbende een bedrag van Naf. 150,- aan griffierecht voldaan.

1.5

De Inspecteur heeft met dagtekening 14 maart 2016 de aanslag ambtshalve verminderd naar nihil en de boete verminderd tot Naf. 2.500.

1.6

De Inspecteur heeft op 23 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

1.7

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 1 december 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen [ A ]. Belanghebbende is ter zitting niet verschenen omdat zij abusievelijk niet werd uitgenodigd.

1.8

Nadien zijn partijen uitgenodigd ter zitting en zijn de zaken op 27 juni 2017 te Willemstad behandeld. Namens de Inspecteur zijn toen verschenen [ B ] en mr. [ A ] en namens belanghebbende [ C ].

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende vormt sinds 2001 een fiscale eenheid met haar dochter-vennootschap [ Z NV ]. Er vinden al geruime tijd onderhandelingen plaats met de Belastingdienst over diverse fiscale geschilpunten in oudere jaren, waaronder 2004. Lopende de beroepsprocedure zijn de belangrijkste geschilpunten opgelost.

2.3

Aan belanghebbende is voor het onderhavige jaar een aangiftebiljet uitgereikt. Belanghebbende heeft niet om uitstel voor het indienen van de aangifte verzocht. Ze heeft het aangiftebiljet op 11 februari 2016 ingediend.

2.4

De Inspecteur heeft een schermprint als bijlage bij het verweerschrift gevoegd waarop staat dat voor de jaren 2009, 2010 en 2012 geen aangifte winstbelasting is ingediend.

3 GESCHIL

3.1

Tussen partijen is de hoogte van de verzuimboete in geschil. Belanghebbende is van mening dat sprake is van afwezigheid van alle schuld (avas). Omdat er onderhandelingen met de Belastingdienst waren over de fiscale afwikkeling van oude jaren, mede in verband met problematieken die speelden bij [ Z NV], bestond er onduidelijkheid over de cijfers en dus over de jaarrekening van onder andere het jaar 2013. Om die reden kon belanghebbende geen aangifte doen en treft haar geen schuld voor het niet doen van aangifte. Een verzuimboete moet dan ook achterwege blijven. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende wel in staat was om aangifte te doen, maar dat nagelaten heeft, zodat geen sprake is van avas. Omdat aan belanghebbende ook in eerdere jaren een boete is opgelegd wegens het niet (tijdig) betalen of indienen van de aangifte dient de boete volgens de Inspecteur Naf. 2.500 te bedragen.

3.2

Tussen partijen was ook de hoogte van de naheffingsaanslag in geschil. Nu de Inspecteur de aanslag heeft teruggebracht naar nihil heeft belanghebbende geen belang meer bij haar beroep tegen de naheffingsaanslag en zal het Gerecht het beroep tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaren.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Vooraf: ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 29, lid 1, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (verder: ALL) is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. Het bezwaar tegen de aanslag winstbelasting over het jaar 2013 is binnen de wettelijke termijn van twee maanden ingediend. Het bezwaar is dus ontvankelijk. Nu de Inspecteur het bezwaar niet- ontvankelijk heeft geacht is het beroep reeds om die reden gegrond.

Verzuimboete

4.2

Ingevolge artikel 18, lid 2 van de ALL vormt het niet (tijdig) doen van aangifte van een aangiftebelasting een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste Naf. 2.500. Deze bepaling is uitgewerkt in hoofdstuk IV van de Ministeriële beschikking administratieve boeten, P.B. 2013-63, (hierna: Beschikking). De Inspecteur heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 18, lid 2 van de ALL juncto artikel 4.4, lid 2 en lid 3 van de Ministeriële Regeling Formeel Belastingrecht de verzuimboete vastgesteld op Naf. 2.500 (na vermindering in de beroepsfase). De Inspecteur heeft zich daarbij blijkbaar op het standpunt gesteld dat belanghebbende stelselmatig niet heeft voldaan aan haar aangifte- of betalingsverplichting. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt.

4.3

Vaststaat dat aan belanghebbende een aangiftebiljet is uitgereikt. Ingevolge artikel 15, lid 4 ALL moet de belastingplichtige in dat geval uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar definitief aangifte doen, dus in dit geval vóór 1 juli 2014. Belanghebbende heeft niet om uitstel verzocht. Naar het Gerecht begrijpt is de aangiftetermijn door de Inspecteur verlengd tot 31 juli 2014. Belanghebbende heeft haar definitieve aangifte op 11 februari 2016 ingediend. Dat is dus te laat. Belanghebbende heeft betoogd dat zij geen aangifte kon doen en dat daarom sprake is van avas als gevolg waarvan geen verzuimboete zou kunnen worden opgelegd. Het Gerecht verwerpt dit betoog. De omstandigheid dat er over oude belastingjaren nog onopgeloste discussiepunten bestonden had belanghebbende er niet van hoeven te weerhouden om de aangifte over het belastingjaar 2013 in te dienen. Zelfs al zouden die discussiepunten invloed kunnen hebben op de hoogte van de winst in 2013, hetgeen overigens gesteld noch gebleken is, dan had belanghebbende aangifte kunnen doen op basis van de door haar in eerdere jaren ingenomen standpunten. Bovendien had belanghebbende om uitstel voor het doen van aangifte kunnen verzoeken, hetgeen zij heeft nagelaten. Van avas kan onder deze omstandigheden alleen sprake zijn indien de Inspecteur heeft toegezegd dat lopende de onderhandelingen over de oude discussiepunten geen aangifte hoefde te worden gedaan. Dat is echter gesteld noch gebleken. Nu geen sprake is van avas heeft de Inspecteur terecht een verzuimboete voor het niet tijdig doen van aangifte opgelegd. Belanghebbende heeft ook nog aangevoerd dat een verzuimboete achterwege moet blijven omdat dat is afgesproken met de Belastingdienst. In dat verband heeft zij een door haar opgestelde concept-vaststellingsovereenkomst overgelegd waarin is opgenomen dat de boetes voor 2009 en verder zullen worden vernietigd. Deze concept-overeenkomst is echter niet door de Inspecteur ondertekend en de Inspecteur betwist dat die afspraak gemaakt is. Gelet hierop heeft de Inspecteur terecht een verzuimboete opgelegd.

4.4

Ingevolge artikel 4.3, lid 1 van de Beschikking houdt de Inspecteur bij het opleggen van de verzuimboete rekening met het aantal keren dat in de voorafgaande vier belastingjaren een verzuim is geconstateerd. In artikel 4.4 van de Beschikking is bepaald dat de Inspecteur bij een vierde verzuim een boete oplegt van Naf. 1.500 en indien de belastingplichtige stelselmatig niet voldoet aan de aangifteverplichting een boete van maximaal Naf. 2.500. Naar het oordeel van het Gerecht kan in het voorliggende geval niet gesproken worden van het stelselmatig niet doen van aangifte nu blijkbaar in 2011 geen verzuim is geconstateerd. Gelet op de door de Inspecteur overgelegde schermprint (zie 2.4), waarvan de juistheid niet door belanghebbende is betwist, is sprake van een vierde verzuim, waarbij een verzuimboete hoort van Naf. 1.500. De omstandigheid dat belanghebbende het doen van aangifte achterwege heeft gelaten vanwege de lopende besprekingen vormt voor het Gerecht een reden om de boete te matigen tot een bedrag van Naf. 1.000. Het Gerecht acht deze boete passend en geboden.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand.

5.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 700 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van Naf. 700 en een wegingsfactor van 1). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1.

6 GRIFFIERECHT

In artikel 18, lid 5 van de LBB is bepaald dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Het beroep inzake de winstbelasting over het jaar 2013 is gegrond zodat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht.

7 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag winstbelasting niet ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen de verzuimboete gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de verzuimboete;

  • -

    vermindert de verzuimboete tot Naf. 1.000;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende, vastgesteld op Naf. 700;

- draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Naf. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter is buiten staat om de uitspraak te ondertekenen,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).