Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:134

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
KG 81333/2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis

in het kort geding van:

[EISER],

wonende te Curaçao,

eiser in kort geding,

gemachtigde: voorheen mr. M.M. Bloem, thans mr. W.E. Fortin,

tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND CURACAO,

gevestigd te Curacao,

gedaagde in kort geding,

gemachtigde: mr. L.M. Virginia.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door eiser op 9 december 2016 ingediende en op 16 december 2016 aan

gedaagde betekende verzoekschrift;

- de aantekeningen van de griffier van de behandeling ter zitting op 17 januari 2017;

- het proces-verbaal van de zitting van 15 juni 2017;

- de aantekeningen van de griffier van de behandeling ter zitting van 7 juli 2017.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De beoordeling

2.1.

Eiser heeft, samengevat weergegeven, gevorderd dat het Land zal worden veroordeeld tot nakoming van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst van 17 juni 2016, zulks op straffe van een dwangsom van NAf 10.000,= per dag. In voormelde vaststellingsovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat het Land binnen 3 maanden alsnog een besluit op het verzoek van klager van 14 oktober 2014 om de verhoogde pensioengrondslag met terugwerkende kracht van toepassing te verklaren op klager, zou nemen.

2.2.

De zaak is behandeld is behandeld ter zitting op 17 januari 2017 en vervolgens aangehouden om de Minister de gelegenheid te geven een beslissing te nemen op het verzoek van klager. Na diverse aanhoudingen is de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting van 15 juni 2017. Alstoen is de zaak opnieuw aangehouden en verwezen naar 7 juli 2017.

2.3.

Ter zitting van 7 juli 2017 bleek dat de Minister nog geen besluit had genomen doch dat partijen in onderhandeling waren om een regeling te treffen en de zaak vervolgens in te trekken. Daarop is partijen aangezegd deze regeling op papier te zetten en aan het Gerecht te doen toekomen.

2.4.

Bij mail van 7 juli 2017 heeft de gemachtigde van het Land de tekst van een concept-vaststellingsovereenkomst toegestuurd aan het Gerecht. Het Gerecht heeft daarop gevraagd of sprake was van een door beide partijen getekende vaststellingsovereenkomst.

2.5.

Bij mail van 12 juli 2017 heeft de gemachtigde van [eiser], mr. Bloem, bericht te desisteren. Desgevraagd heeft mr. Bloem het Gerecht bij mail van 13 juli 2017 bericht dat er na de zitting een wijziging in de concept-vaststellingsovereenkomst was doorgevoerd, waardoor de overeenkomst niet door [eiser] was getekend.

2.6.

Bij bericht van 7 augustus 2017 aan het Gerecht heeft de nieuwe gemachtigde van [eiser], mr Fortin, het Gerecht een door beide partijen getekende vaststellingsovereenkomst toegestuurd. Niet gebleken is dat dit bericht ook aan de gemachtigde van het Land is gestuurd.

2.7.

Bij mail van 23 augustus 2017 van het Gerecht is verzocht aan partijen of de zaak als afgedaan kon worden beschouwd.

2.8.

Bij mail van 24 augustus 2017 heeft de gemachtigde van het Land bericht dat het Land inmiddels een beslissing op het verzoek van de eiser d.d. 14 oktober 2014 heeft genomen, zodat geen procesbelang meer bestaat bij zijn vordering. Ten aanzien van de verzochte proceskostenveroordeling refereert het Land zich aan het oordeel van het Gerecht.

2.9.

Bij mail van 28 augustus 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] aanspraak gemaakt op een proceskostenveroordeling van NAf 9.479,46 conform de vaststellingsovereenkomst.

2.10.

Bij mailbericht van 29 augustus 2017 heeft de gemachtigde van het Land betwist dat de tussen partijen besproken vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen.

2.11.

Het Gerecht overweegt in dit kader als volgt. Niet betwist is dat het Land heeft voldaan aan de vordering van eiser, te weten het, zoals eerder bij overeenkomst van 17 juni 2016 toegezegd, nemen van een beslissing op het verzoek van 14 oktober 2014. Aldus bestaat geen belang meer bij een beslissing op de vordering sub 1. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

2.12.

Voor wat betreft de vordering tot betaling van, kort gezegd, de proceskosten heeft te gelden dat het Land eerst na indiening van het verzoekschrift en meerdere behandelingen ter zitting is overgegaan tot het nemen van de gevorderde en toegezegde beslissing. In het vorenstaande ziet het Gerecht aanleiding om het Land te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op NAf 450,= aan griffiekosten, NAf 499,46 aan oproepingskosten en, mede in aanmerking nemende dat sprake is geweest van meerdere zittingen in de onderhavige zaak, NAf 1.500,= aan gemachtigden salaris.

2.13.

In de omstandigheid dat partijen mogelijk in een vaststellingsovereenkomst bedragen zijn overeengekomen met betrekking tot, naar het Gerecht begrijpt, proceskosten van [eiser] in aanverwante procedures, ziet het Gerecht in de onderhavige procedure geen aanleiding tot een hogere proceskostenvergoeding.

3 De beslissing

Het Gerecht,

rechtdoende in kort geding:

- wijst het sub 1 gevorderde af wegens gebrek aan belang;

- veroordeelt gedaagde in de proceskost en, aan de zijde van eiser begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 499,46 aan oproepingskosten en NAf 1.500,= aan gemachtigden salaris;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Scholte, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 september 2017.