Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:133

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-09-2017
Datum publicatie
28-09-2017
Zaaknummer
CUR201600287 t/m CUR201600291
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht acht niet aannemelijk gemaakt dat aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Het niet kunnen doen van aangifte heft de wettelijke verplichting tot betaling niet op. Het is aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat niet betaald is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 26 september 2017

BBZ nrs. CUR201600287 t/m CUR201600291

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], gevestigd in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn op 20 december 2013 over het jaar 2008 en 9

september 2014 over de jaren 2009 tot en met 2012 naheffingsaanslagen winstbelasting en vergrijpboetes opgelegd. Hierna volgt een overzicht van het bedrag van de aanslagen en de boetes.

Jaren

Aanslagnummer

Aanslagen

Boete %

Boetes

2008

5108130049812

Naf. 29.343

50%

Naf.14.671

2009

5109130025512

Naf. 28.546

25%

Naf. 7.136

2010

5110130011112

Naf. 29.971

25%

Naf. 7.492

2011

5111130003312

Naf. 31.347

25%

Naf. 7.836

2012

5112130000612

Naf. 24.908

25%

Naf. 6.227

1.2

Belanghebbende is op 20 januari 2014 tegen de aanslag winstbelasting en de

boetebeschikking over 2008 in bezwaar gekomen en op 10 september 2014 tegen de aanslagen en boetebeschikkingen over de jaren 2009 tot en met 2012.

1.3

De Inspecteur heeft op 28 december 2015 uitspraken op bezwaar gedaan en de

aanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 26 februari 2016 in beroep gekomen tegen de

uitspraken op bezwaar. Hierbij is griffierecht betaald van Naf. 150.

1.5

De Inspecteur heeft op 23 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

1.6

De zaak is behandeld ter zitting van 27 juni 2017 te Willemstad, waarbij zijn verschenen namens belanghebbende [ A ] en namens de Inspecteur [ B ].

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.

2.2

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een NV en houdt zich bezig met het verhuren van een onroerend goed te Weg naar Westpunt z/n, plaatselijk bekend als Landhuis [ Z ]. De aandelen zijn voor 100 percent in handen van [ Q ]. [ Q ] is tevens directeur van belanghebbende.

2.3

De Stichting Belastingaccountantsbureau (SBAB) heeft voor de jaren 2008 tot en met 2012 bij belanghebbende een boekenonderzoek verricht. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek heeft SBAB een rapport (12 november 2013) met bevindingen uitgebracht. Een afschrift van dit rapport behoort tot de gedingstukken.

2.4

In het rapport is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

3.2 Fiscale winstberekening

Aangezien belastingplichtige geen aangiften WB en de bijhorende jaarrekeningen over de jaren 2008 tot en met 2012 heeft ingediend, zal ik, om de winst in het controletijdvak op een zo juist en redelijk mogelijke wijze te bepalen, de winst bepalen in overeenstemming met wat hierna wordt beschreven.”

3.2.1

Huuropbrengsten

Belastingplichtige verhuurt een pand te Weg naar Westpunt z/n plaatselijk bekend als Landhuis [ Z ] aan NV Restaurant [ Q ]. Tijdens een waarneming ter plaatse op 16 september 2011 heeft de heer [ Q ] die tevens digra is van zowel belastingplichtige als NV Restaurant [ Q ] (de huurder van het pand) verklaard dat NV Restaurant [ Q ], een bedrag van 11.430 per maand betaalt aan belastingplichtige voor het huren van het pand. Voor de winstberekening van belastingplichtige heb ik de jaarrekeningen van de huurder gebruikt. (…).

3.2.2

Bedrijfskosten

In het kader van de redelijkheid stel ik u voor om bij het bepalen van de fiscale winst rekening te houden met een percentage van 30% van de huuropbrengsten voor bedrijfskosten. (…).

3.2.3

Fiscaal resultaat

De bedrijfsopbrengsten en bedrijfskosten zoals vermeld in onderdelen 3.2.1 en 3.2.2 van dit rapport leiden tot de volgende fiscale winst:

Fiscaal resultaat

2008

2009

2010

2011

2012

Huuropbrengsten

121.505

118.205

124.114

129.802

129.396

Bedrijfskosten

36.451

35.461

37.234

38.940

38.818

Fiscale winst

85,054

82,744

86,880

90,862

90,578

(…)

(…)

5.1 WB

Naar aanleiding van het boekenonderzoek stel ik u voor de belastbare winst als volgt vast te stellen:

2008

2009

2010

2011

2012

Aangegeven belastbare winst

-

-

-

-

-

Winstcorrecties

85.054

82.744

86.880

90.862

90.578

Belastbare winst na correctie

85.054

82.744

86.880

90.862

90.578

Voor het jaar 2008 is er reeds een naheffingsaanslag ter behoud van rechten opgelegd. Over de jaren 2009 tot en met 2012 stel ik u voor naar aanleiding van het boekenonderzoek naheffingsaanslagen WB op te leggen naar het bedrag van de hiervoor berekende belastbare winst na correctie. (…).

6 BOETEN

6.1

WB

“De voorgestelde naheffingsaanslagen WB over de jaren 2008 tot en met 2012 zijn het gevolg van de handelwijze van belastingplichtige. Belastingplichtige heeft geen WB aangegeven en voldaan.”

De aard van de correcties en de feiten die ten grondslag liggen aan de correcties zoals beschreven in onderdelen 3.2.1 en 3.2.2 van dit rapport, zijn zodanig dat belastingplichtige wist dat hij onjuist handelde en dat belastingplichtige bewust het risico heeft genomen onjuist te handelen.

Aangezien het algemeen bekend is dat elke rechtspersoon WB- plichtig is en belastingplichtige zelfs de kennis van een adviseur ter beschikking had, kan er geconcludeerd worden dat belastingplichtige op de hoogte was en/of moest zijn van haar belastingplicht en dus bewust geen aangifte WB heeft gedaan.

Ik ben dan ook van mening dat door deze onjuiste handelwijze sprake is van (voorwaardelijk) opzet van belastingplichtige.

Op grond van artikel 21 ALL juncto artikel 7, lid 2 MBAB stel ik u voor gelijktijdig met de naheffingsaanslagen WB over de jaren 2008 tot en met 2012 zoals vermeld in onderdeel 5.1 van dit rapport, een vergrijpboete op te leggen van 50%.

De grondslag voor de vergrijpboete wordt gevormd door het bedrag aan belasting dat niet (tijdig) is betaald. voor zover dit een gevolg is van de opzet van belastingplichtige.”

De Inspecteur heeft overeenkomstig het advies van de SBAB naheffingsaanslagen winstbelasting over de jaren 2008 tot en met 2012 opgelegd. Voor het jaar 2008 is tevens een vergrijpboete opgelegd van 50%. Ter toelichting is daarbij op het aanslagbiljet vermeld: “Op grond van de bevindingen (van de SBAB, het Gerecht) is er sprake van opzet omdat het aan u te wijten is dat er niet of te weinig winstbelasting is afgedragen.” Voor de jaren 2009 tot en met 2012 heeft de Inspecteur een vergrijpboete van 25%, behorend bij grove schuld, opgelegd. Ter toelichting is daarbij op de betreffende aanslagbiljetten vermeld: “Op grond van de bevindingen (van de SBAB, het Gerecht) is er sprake van grove schuld omdat het aan u te wijten is dat er niet of te weinig winstbelasting is aangegeven en/of voldaan.(…)”

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of de door de Inspecteur opgelegde boetes terecht zijn opgelegd. De Inspecteur stelt dat er sprake is van grove schuld omdat het aan belanghebbende te wijten is dat er niet of te weinig winstbelasting is aangegeven en-/of voldaan. Belanghebbende was of moest in ieder geval op de hoogte zijn van haar belastingplicht. Belanghebbende is van mening dat de boetes onterecht zijn opgelegd. De Inspecteur heeft niet bewezen dat alle bestanddelen van de overtreding zich hebben voorgedaan, aan belanghebbende zijn geen aangiftebiljetten uitgereikt, er is geen sprake van (grove) schuld, er is niet voldaan aan de hoorplicht en het inzagerecht en de Inspecteur heeft niet beoordeeld of de boete vernietigd of gematigd zou moeten worden. Belanghebbende concludeert tot vernietiging dan wel sterke matiging van de boetes. De opgelegde aanslagen winstbelasting over de jaren 2008 tot en met 2012 zijn niet in geschil.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

De Inspecteur heeft tegelijkertijd met de aanslag winstbelasting 2008 een vergrijpboete van 50% opgelegd, en tegelijkertijd met de aanslagen winstbelasting 2009 tot en met 2012 een vergrijpboete van 25%.

4.2

Op grond van artikel 21, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL), in combinatie met artikel 4.8, lid 2 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht, legt de Inspecteur een boete van 50% op indien het aan opzet en een boete van 25% indien het aan grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat belasting die op aangifte moet worden voldaan of afgedragen (gedeeltelijk) niet of niet binnen de in de belastingverordening geldende termijn is betaald. De grondslag voor de boete is bij een naheffingsaanslag winstbelasting het bedrag van de naheffingsaanslag (artikel 21, lid 3, letter a ALL). Op de Inspecteur rust de bewijslast aannemelijk te maken dat het aan grove schuld dan wel opzet van belanghebbende te wijten is dat te weinig belasting is betaald.

4.3

Ter zitting heeft de Inspecteur verdedigd dat voor alle jaren, dus ook voor 2008, sprake is van grove schuld. Het Gerecht oordeelt hierover als volgt. Belanghebbende verhuurt in de onderhavige jaren een pand en behaalt daarmee jaarlijks aanzienlijke winsten. Het is van algemene bekendheid dat een vennootschap die winsten behaalt daarover winstbelasting verschuldigd is. In artikel 15, lid 4 ALL is bepaald dat de verschuldigde winstbelasting uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na afloop van het boekjaar over dat jaar, overeenkomstig de aangifte, betaald moet zijn. Gelet hierop heeft de belanghebbende de verschuldigde winstbelasting niet tijdig betaald. Naar het oordeel van het Gerecht moet belanghebbende er zich van bewust zijn geweest dat winstbelasting afgedragen moest worden. Door dat niet tijdig te doen, maar pas nadat naheffingsaanslagen zijn opgelegd, heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht ernstig nalatig gehandeld. Belanghebbende had redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat te weinig belasting zou worden betaald. Ze heeft dan ook dermate lichtvaardig gehandeld dat het aan haar grove schuld te wijten is dat de winstbelasting niet tijdig is betaald. Gelet daarop zijn terecht vergrijpboetes opgelegd. Omdat met betrekking tot het jaar 2008 een vergrijpboete is opgelegd van 50%, behorend bij opzet, terwijl het Gerecht in navolging van het door de Inspecteur ter zitting ingenomen standpunt, oordeelt dat sprake is van grove schuld met in principe een boetepercentage van 25%, dient die boetebeschikking vernietigd te worden. Reeds hierom is het beroep gegrond.

4.4

Belanghebbende heeft betoogd dat haar geen ernstig verwijt kan worden gemaakt nu aan haar geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt, ondanks het feit dat zij de Inspecteur verschillende malen heeft benaderd om over de aangiften informatie te verkrijgen. De Inspecteur heeft daartegenin gebracht dat wel aangiften zijn uitgereikt, maar tegenover de betwisting van belanghebbende heeft de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, die stelling niet aannemelijk gemaakt. Het Gerecht volgt belanghebbende dan ook in haar stelling dat geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Desondanks verwerpt het Gerecht het betoog van belanghebbende. De wettelijke verplichting tot betaling staat bij een aangiftebelasting immers los van het doen van aangifte. Het betreft weliswaar nauw met elkaar samenhangende maar desalniettemin afzonderlijke verplichtingen. Het enkel niet kunnen doen van aangifte heft de verplichting tot afdracht aan de Ontvanger niet op (zie Hoge Raad, 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2088, Hoge Raad 2 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4644 en Hof ’s Gravenhage 23 oktober 2001, ECLI:NL:GHSGR:2001:AV5741). Gelet daarop verwerpt het Gerecht ook de verwijzing door belanghebbende naar de uitspraak van 29 november 2016 van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (ECLI:NL:OGEAC:2016:128). Hierin ging het niet over de beboeting bij niet betalen van verschuldigde belasting, maar slechts over het niet kunnen opleggen van een verzuimboete voor het niet doen van aangifte indien geen aangifte is uitgereikt.

4.5

De omstandigheid dat belanghebbende tegen de controlemedewerker, de heer

[N], gezegd zou hebben te willen betalen, leidt het Gerecht niet tot het oordeel dat geen sprake is van grove schuld. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om belastingschulden te betalen en niet de verantwoordelijkheid van de controlemedewerker en gesteld noch gebleken is dat betaling zonder aangifte onmogelijk was.

4.6

De stelling van belanghebbende dat de boetes hadden moeten worden opgelegd door een onafhankelijke boete-inspecteur wordt door het Gerecht verworpen nu die stelling geen steun vindt in de wettelijke bepalingen en evenmin in artikel 6 EVRM.

4.7

Belanghebbende heeft in de bezwaarschriften verzocht om te worden gehoord. De Inspecteur heeft aan dit verzoek ten onrechte geen gevolg gegeven. Belanghebbende heeft ter zitting aangedrongen op voortzetting van de inhoudelijke behandeling zonder terugwijzing naar de Inspecteur. Nu belanghebbende in de bezwaarfase niet gevraagd heeft om inzage in haar dossier zal het Gerecht, nog daargelaten dat daarvoor geen wettelijke inzageplicht bestaat, aan deze grief voorbijgaan.

4.8

Belanghebbende heeft ook nog aangevoerd dat de Inspecteur niet heeft beoordeeld in hoeverre de boetes dienen te worden vernietigd of gematigd. Het Gerecht verwerpt deze grief omdat het ontbreken van die afweging, het Gerecht laat in het midden of die situatie zich hier voordoet, op zich niet kan leiden tot vernietiging of matiging van de boetes.

4.9

Voor zover belanghebbende heeft verdedigd dat de persoonlijke en financiële omstandigheden van belanghebbende zouden moeten leiden tot matiging van de boete wordt die stelling door het Gerecht verworpen. Belanghebbende heeft immers op geen enkele wijze inzicht gegeven in die omstandigheden. Ook wijst het Gerecht het verzoek van belanghebbende tot matiging van de boete vanwege cumulatie af nu belanghebbende niet heeft duidelijk gemaakt op welke wijze cumulatie van boetes heeft plaatsgevonden. Wel is het Gerecht van oordeel dat de boetes van 25%, behorend bij grove schuld, gematigd moeten worden vanwege het feit dat aan belanghebbende, ondanks het verzoek daartoe, geen aangiftebiljetten zijn uitgereikt. Het Gerecht acht boetes van 15% passend en geboden.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. In artikel 15, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LLB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Het Gerecht beschouwt de zaken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, lid 1 van genoemd Besluit.

5.2

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 2.100 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van Naf. 700, een wegingsfactor van 1 en een factor 1 ½ vanwege 5 samenhangende zaken). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1.

6 GRIFFIERECHT

In artikel 18, lid 5 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken is bepaald dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. Het beroep inzake de boetebeschikkingen over de jaren 2008 tot en met 2012 is gegrond zodat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het griffierecht.

7 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de vergrijpboetes over de jaren 2008 tot en met 2012 tot 15 percent van de nageheven belasting;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de zijde van belanghebbende vastgesteld op Naf. 2.100;

- draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Naf. 150 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 september 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).