Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:13

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR 201500133 en CUR 201500134, voorheen 75185 en 75186 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in Curaçao. Hij wordt dan aldaar belast voor zijn wereldinkomen. De Curaçaose AOV-uitkering is alleen in Curaçao belast, voor de Nederlandse AOW-uitkering zal Nederland aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moeten verlenen en voor het Nederlandse ABP-pensioen verleent Curaçao voorkoming dubbele belasting. Nu belanghebbende ingezetene is van Curaçao is hij premieplichtig voor de AVBZ.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 11 januari 2017

BBZ nrs. CUR 201500133 en CUR 201500134, voorheen 75185 en 75186 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 18 juli 2014 taxatieve aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) en premie AVBZ voor het jaar 2010 opgelegd. Gelijktijdig met de aanslag in de inkomstenbelasting is een verzuimboete van Naf. 250 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is tijdig op 12 augustus 2014 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 22 mei 2015 heeft de Inspecteur de aanslagen verminderd. De boete is gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar op 7 juli 2015 in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 31 augustus 2016 te Willemstad verschenen belanghebbende in eigen persoon en namens de Inspecteur verschenen mr. A. Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaken.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.

2.2

Belanghebbende (geboren 9 oktober 1944) is ingezetene van Curaçao en heeft in het onderhavige jaar uit Nederland een pensioenuitkering ten bedrage van Euro 17.115 (Naf. 40.443) van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) genoten. Dit pensioen houdt verband met de vroegere dienstbetrekking van belanghebbende als militair bij het Nederlandse Ministerie van Defensie. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar ook een AOV-uitkering van de SVB Curaçao genoten ten bedrage van Naf. 4.381 en een AOW-uitkering uit Nederland van 8.508 euro ofwel Naf. 20.104. In totaal heeft belanghebbende een bedrag aan inkomsten genoten van Naf. 40.443 +/+ 4.381 +/+ 20.104 = Naf. 64.928.

2.3

Aan belanghebbende is door de Nederlandse belastingdienst een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over het onderhavige jaar. Daarbij is het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op 25.018 euro.

2.4

De Inspecteur heeft voor het onderhavige jaar bij het opleggen van de aanslagen het belastbaar/premie inkomen vastgesteld op Naf. 62.569 en geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend. De verschuldigde inkomstenbelasting is vastgesteld op Naf. 11.170 en de verschuldigde premie AVBZ op Naf. 1.251 (inhouding Naf. 44).

2.5

Naar aanleiding van het bezwaar is het belastbaar/premie inkomen in de uitspraken op bezwaar vastgesteld op Naf. 64.928. Bij het vaststellen van de verschuldigde belasting heeft de Inspecteur voor het ABP-pensioen van Naf. 40.443 aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegepast op basis van artikel 17 in verbinding met artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK). De verschuldigde belasting is vastgesteld op Naf. 4.183, waarbij rekening is gehouden met een heffingskorting (basiskorting plus toeslagen) van Naf. 2.708.

2.6

De verschuldigde premie AVBZ is door de Inspecteur op basis van een premie-inkomen van Naf. 64.928 vastgesteld op Naf. 1.096.

3. GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De verzuimboete is niet in geschil.

3.2

Belanghebbende voert – samengevat – aan dat hij geen inkomstenbelasting in Curaçao verschuldigd is, omdat hij in Nederland over zijn wereldinkomen belasting heeft betaald. Ook vindt belanghebbende dat hij geen premies AVBZ verschuldigd is omdat hij bij het ophalen van zijn verblijfsvergunning een formulier heeft moeten ondertekenen dat hij geen gebruik zou maken van de AVBZ. Belanghebbende voert tevens aan dat niet duidelijk is hoe de verschuldigde belasting en premies zijn berekend.

3.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende als ingezetene van Curaçao belast wordt voor zijn wereldinkomen en tevens premieplichtig is voor de AVBZ. Voor wat betreft de inkomstenbelasting heeft de Inspecteur voor het ABP-pensioen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verleend, omdat dit pensioen op grond van het BRK ter heffing wordt toegewezen aan Nederland. Dit leidt tot een vermindering van de verschuldigde inkomstenbelasting.

3.4

Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Gerecht naar de gedingstukken.

4. BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Ten aanzien van de aanslag in de inkomstenbelasting oordeelt het Gerecht als volgt. Op grond van artikel 1 in verbinding met artikel 3 van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 (LvIB) worden natuurlijke personen, die in Curaçao wonen, belast voor hun totale wereldinkomen. Het is daarbij niet van belang, waar ter wereld dat inkomen is verkregen. Tot dit wereldinkomen behoren in het onderhavige geval het ABP-pensioen, de Nederlandse AOW-uitkering en de Curaçaose AOV-uitkering.

4.2

Het Gerecht stelt voorop dat, nu belanghebbende ingezetene is van Curaçao, de Curaçaose AOV-uitkering uitsluitend ter heffing toekomt aan Curaçao en niet in Nederland aan de belastingheffing is onderworpen. Voor zover die uitkering toch in Nederland in de heffing is betrokken is dat onjuist. Belanghebbende zal zich hiervoor tot de Nederlandse fiscus moeten wenden.

4.3

In het onderhavige geval zijn het ABP-pensioen en de Nederlandse AOW-uitkering ook in Nederland aan de belastingheffing onderworpen zodat een situatie ontstaat van dubbele belasting. De voor het onderhavige jaar geldende BRK bevat regels voor de voorkoming van dubbele belasting. De AOW-inkomsten vormen geen inkomsten uit arbeid of andere inkomsten die zijn genoemd in de artikelen 4 tot en met 19 van de BRK. Dat betekent dat deze inkomsten ingevolge artikel 20 van de BRK ter heffing zijn toegewezen aan het land van inwoning, dus aan Curaçao. Het is dan aan Nederland om ter zake van die inkomsten aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen. Dat Nederland dat blijkbaar tot nu toe niet gedaan heeft kan er niet toe leiden dat hier geen heffing over deze inkomsten kan plaatsvinden. De Inspecteur heeft de AOW-uitkering dan ook terecht in het inkomen begrepen en hij hoeft ter zake geen aftrek ter voorkoming van dubbele belasting te verlenen.

4.4

De heffing over het ABP-pensioen komt ingevolge artikel 17 lid 1 en lid 4 van de BRK wel toe aan Nederland. Dit laat onverlet dat Curaçao de ABP-pensioen in de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting (zie hiervoor) kan begrijpen. Om dubbele belasting te voorkomen moet van de zijde van Curaçao een tegemoetkoming (belastingvermindering) worden verleend. De wijze van tegemoetkoming wordt geregeld in artikel 24, eerste lid, van de BRK. Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Het land van inwoning kan in het inkomen of vermogen begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van deze afdeling mogen worden belast in een van de andere landen met dien verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in laatstbedoeld land – anders dan uitsluitend ingevolge artikel 11, tweede en derde lid, artikel 12, tweede lid, en artikel 13, tweede lid – mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of vermogen. Artikel 23 wordt daarbij in aanmerking genomen.”

4.5

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de BRK verleent Curaçao op de over het totale wereldinkomen berekende belasting een vermindering voor het ABP-pensioen die gelijk is aan het bedrag, dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het ABP-pensioen staat tot het totale wereldinkomen (het belastbare inkomen). De BRK verplicht Curaçao niet een verdergaande vermindering te verlenen dan in artikel 24, eerste lid, van de BRK is voorgeschreven.

4.6

Uit hetgeen in 2.5 is vermeld leidt het Gerecht af dat de verschuldigde inkomstenbelasting als volgt is berekend:

Belastbaar inkomen Naf. 64.928

Belasting over het inkomen* Naf. 13.799

Basiskorting Naf. 2.708 -/-

Naf. 11.091

Belastingreductie (Naf.40.443/Naf.64.928) x 11.091 = Naf. 6.908 -/-

Verschuldigde belasting: Naf. 4.183.

* Zie tabel artikel 24 Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943

Hiermee heeft de Inspecteur de aanslag inkomstenbelasting op de juiste wijze volgens de in artikel 24, eerste lid, van de BRK neergelegde systematiek berekend onder toepassing van een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting van Naf. 6.908.

Nu verder over de hoogte van de door de Inspecteur gehanteerde bedragen geen geschil bestaat, is de conclusie dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

4.7

Belanghebbende heeft hiertegen aangevoerd dat de Inspecteur het belastbaar inkomen in de uitspraak op bezwaar hoger heeft vastgesteld dan bij het vaststellen van de aanslag. Het Gerecht overweegt hierover dat de Inspecteur dit mag doen, nu hij daarbij de aanslag verminderd heeft.

4.8

Met betrekking tot de aanslag premie AVBZ oordeelt het Gerecht als volgt. Het staat vast dat belanghebbende ingezetene is van Curaçao. Hieruit volgt dat, nu gesteld noch gebleken is dat hij op grond van het Landsbesluit beperking kring verzekerden niet verzekerd is of is vrijgesteld, hij tot de kring van verzekerden voor de AVBZ behoort en premieplichtig is in Curaçao (artikel 4 in verbinding met artikel 22 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (Lv AVBZ)). Heffing van AVBZ blijft niet achterwege door het enkele feit dat belanghebbende over het ABP pensioen in Nederland reeds premies volksverzekeringen heeft betaald. De verwijzing van belanghebbende naar artikel 22, lid 2 Lv AVBZ, waarin kort gezegd staat dat een aanslag AVBZ achterwege blijft als ook geen aanslag inkomstenbelasting is opgelegd, treft geen doel nu aan belanghebbende wel een aanslag inkomstenbelasting is opgelegd. De stelling van belanghebbende dat hij bij het ophalen van een verblijfsvergunning een formulier moest ondertekenen dat hij geen gebruik zou maken van de AVBZ leidt, wat daar verder ook van zij, niet tot het oordeel dat belanghebbende niet premieplichtig is. Nu over de hoogte van het door de Inspecteur gehanteerde bedrag geen geschil bestaat, is de conclusie dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

4.9

Al hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd kan het Gerecht niet tot een ander oordeel leiden.

4.10

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

5 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.C.E. Winfield en mr. D.J. Jansen, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).