Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:127

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-09-2017
Datum publicatie
27-09-2017
Zaaknummer
AR 60114/2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rekening-courant verhouding artikel 140 boek 6 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Registratienummer: AR 60114/2013

Datum vonnis: 11 september 2017

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht

NAGICO INSURANCE N.V.,

gevestigd te Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: voorheen mr. A.F. Kuster, thans mrs. A. Huizing en E.J.J. Huizing,

tegen

de naamloze vennootschap

D’S INSURANCE BROKERS N.V.,

gevestigd te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.

Partijen zullen hierna Nagico en D’s genoemd worden.

1 De verdere procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 februari 2015 (7),

  • -

    de comparitie van partijen van 24 april 2015 waarvan zich in het dossier schriftelijke aantekeningen van de griffier bevinden en waarna de zaak naar de parkeerrol van 4 september 2015 is verwezen (8),

  • -

    het vervolg van de comparitie van partijen van 23 juni 2016, waarvan een beknopt proces-verbaal is opgemaakt (9),

  • -

    de akte na comparitie van partijen van Nagico, met producties (10),

  • -

    de antwoord akte van D’s, met producties (11),

  • -

    akte uitlating producties van Nagico (12).

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Kern van het geschil

2.1.

Nagico is een verzekeringsmaatschappij. D’s is een assurantietussenpersoon die vanaf 2006 verzekeringspolissen verkoopt van Nagico. Voor deze dienst betaalt Nagico aan D’s een zogenaamde Insurance provisie, zijnde een percentage van de verzekeringspremie die doorgaans door de klant aan D’s is betaald en D’s dient door te betalen aan Nagico.

2.2.

In mei 2012 heeft Nagico de overeenkomst met D’s opgezegd.

2.3.

Tussen partijen bestaat sinds 2009 (en niet 2006 zoals in het tussenvonnis van 2 februari 2015 staat) een rekening-courantverhouding.

2.4.

In het tussenvonnis van 2 februari 2015 is onder 3 het geschil uiteengezet. In aanvulling daarop valt de volgende hoofdlijn te destilleren waarlangs het debat tussen partijen zich afspeelt. Nagico vordert in deze procedure betaling van het bedrag dat op 30 november 2012 uit hoofde van de rekening-courantverhouding aan haar zou zijn verschuldigd door D’s. Volgens D’s kloppen de cijfers van de rekening-courant rekening niet. Volgens D’s is er vanaf mei 2010 een discussie ontstaan, toen D’s geconfronteerd werd met een bedrag dat zij ingevolge de rekening-courant verschuldigd zou zijn van afgerond NAf 239.000. Tussen partijen is niet in geschil dat er op meerdere momenten is gesproken over de systematiek en de hoogte van bedragen. Ook is er blijkens productie 17 van D’s (4) over gecorrespondeerd tussen partijen.

3 De verdere beoordeling

3.1.

In het tussenvonnis van 2 februari 2015 is overwogen dat artikel 6: 140 BW van toepassing is op de verhouding tussen partijen. Er dient beoordeeld te worden of D’s gehouden is het volgens Nagico’s openstaande saldo van de rekening-courant te voldoen.

3.2.

Artikel 6: 140 lid 2 BW bepaalt: De partij die de rekening bijhoudt, sluit deze jaarlijks af en deelt het op dat tijdstip verschuldigde saldo mee aan de wederpartij, met opgave van de aan deze nog niet eerder meegedeelde posten waaruit het is samengesteld.

Artikel 6: 140 lid 3 BW bepaalt: Indien de wederpartij niet binnen redelijke tijd tegen het ingevolge het tweede lid meegedeelde saldo protesteert, geldt dit als tussen partijen vastgesteld.

3.3.

Nagico beroept zich op genoemde artikelleden. Zij stelt immers dat voldaan is aan het bepaalde in lid 2 aangezien zij maandelijks zogenaamde ‘agent’s statements’ ofwel rekening-courant overzichten heeft verzonden aan D’s. Voorts brengt Nagico naar voren dat D’s nimmer heeft gereageerd of geprotesteerd tegen de statements, waardoor ingevolge lid 3 het saldo van de rekening-courant geldt als vastgesteld.

3.4.

Deze stelling van Nagico gaat niet op. D’s heeft in de eerste plaats terecht betoogd dat niet is voldaan aan het vereiste van het tweede lid aangezien geen sprake is geweest van het jaarlijks afsluiten van de rekening-courant door Nagico. Dit is door Nagico niet weersproken, zodat dat vast staat. Evenmin kan worden vastgesteld dat door het maandelijks toezenden van statements toch aan deze verplichting zou zijn voldaan. Meedenkend in die lijn zou immers op zijn minst moeten vaststaan dat D’s iedere maand een dergelijke statement ontving, hetgeen niet het geval was. Nagico heeft slechts zes statements heeft overgelegd (bij akte na comparitie) over een periode van ruim twee jaar. Derhalve is in onvoldoende mate gebleken dat Nagico’s heeft voldaan aan het bepaalde in lid 2. Zelfs aannemende dat het wel het geval is stuit de stelling van Nagico af op het volgende. D’s heeft gemotiveerd en onderbouwd betoogd dat vanaf 2010 is geprotesteerd tegen het door Nagico meegedeelde saldo. D’s heeft immers aangevoerd dat de discussie tussen partijen is begonnen in mei 2010 op het moment dat D’s werd geconfronteerd met een voor D’s hoog negatief saldo van de rekening-courant van rond de NAf 239.000,-. Vervolgens hebben partijen meerdere gesprekken gevoerd en is er tussen partijen gecorrespondeerd over de methode van berekening en de bedragen. Voorgaande is niet voldoende weersproken door Nagico. Het moet er daarom voor gehouden worden dat D’s wel binnen redelijke tijd heeft geprotesteerd, als bedoeld in het derde lid van artikel 6: 140 BW.

3.5.

Bovenstaande heeft tot gevolg dat niet op grond van artikel 6: 140 BW kan worden vastgesteld dat het volgens Nagico’s openstaande saldo door D’s is verschuldigd. Dat dit bedrag niet door D’s is verschuldigd staat evenwel evenmin vast.

3.6.

Het Gerecht heeft daarom behoefte aan voorlichting van een deskundige teneinde te kunnen bepalen of D’s een bedrag is verschuldigd aan Nagico uit hoofde van de rekening courant verhouding en zo ja welk bedrag.

3.7.

Het gerecht acht het in verband met kosten en duur van het deskundigenonderzoek geraden dat aan de deskundige wordt verzocht om zich in beginsel te beperken tot kennisneming van de processtukken en de producties. Hierbij neemt het Gerecht in acht dat Nagico reeds in het geding heeft gebracht:

-de Statement of Agent Account van 30 november 2012 (productie 1 verzoekschrift);

-een cd rom met alle mutaties (productie 2 verzoekschrift);

-de verklaring van naam] met bijlagen (productie A bij de conclusie van repliek in conventie en antwoord in reconventie);

-de nadere verklaring van [naam] met bijlagen (productie H bij de akte uitlating producties in conventie tevens conclusie van dupliek in reconventie);

-de daily Transactions report for April 1, 2013 to August 30, 2014 (productie E bij de akte uitlating producties in conventie tevens conclusie van dupliek in reconventie);

-de statement of Account at August 30, 2014 (productie F bij de akte uitlating producties in conventie tevens conclusie van dupliek in reconventie);

-de Commission Statements for months January-August 2014 (productie G bij de akte uitlating producties in conventie tevens conclusie van dupliek in reconventie).

Alleen als de deskundige het noodzakelijk acht om meer stukken te betrekken in zijn onderzoek zal dat, na overleg met partijen, eventueel worden toegestaan.

3.8.

Partijen zullen zich, bij voorkeur na onderling overleg, kunnen uitlaten over de persoon van de deskundige. Het voorschot zal te zijner tijd ingevolge artikel 174 Rv dienen te worden voldaan door Nagico.

3.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het Gerecht

4.1.

verwijst de zaak naar de rol van 2 oktober 2017 voor akte uitlating deskundige P1 zijdens partijen;

4.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter in voormeld Gerecht en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 september 2017.