Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:115

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
KG 83294/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

opheffen beslag - vereenzelviging - verantwoordelijkheid deurwaarder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

De besloten vennootschap

INTERNATIONAL HEALTHCARE HOLDING B.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.I. Martis,

--tegen--

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende in Curaçao,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. M.A. Koendjbiharie

en

2. [GEDAAGDE SUB 2],

wonende in Curaçao,

gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. E. Fa Si Oen.

Partijen zullen hierna IHH, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1.

IHH heeft op 17 juli 2017 een verzoekschrift met producties ingediend. Deurwaarderskantoor M.I. Bazur N.V. heeft op 25 juli 2017 stukken ten behoeve van [gedaagde sub 1] ingediend. Mr. Martis heeft op 25 juli 2017 eveneens nadere stukken ingediend. Vervolgens heeft op 26 juli 2017 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [gedaagde sub 1] is vrijwillig met gemachtigde verschenen. [gedaagde sub 2] is, ondanks niet deugdelijk te zijn opgeroepen, eveneens vrijwillig vergezeld met zijn gemachtigde verschenen. IHH is bij gemachtigde verschenen. Alle partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 6 maart 2017 is er in kort geding een vonnis gewezen tussen Sint Martinus University N.V. (hierna: SMU) en [gedaagde sub 2] (KG 82080/2017; hierna: het vonnis). In het vonnis heeft het Gerecht (voorshands) overwogen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen SMU en [gedaagde sub 2], welke niet rechtsgeldig is geëindigd. SMU is daarom veroordeeld tot teruggave van de eigendommen van [gedaagde sub 2] – waaronder een geldbedrag –, alsmede tot betaling van achterstallig loon en doorbetaling van het overeengekomen loon. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2.2.

SMU is bij verzoekschrift van 27 maart 2017 in hoger beroep gekomen van het vonnis. Op het hoger beroep is, in afwachting van de memorie van antwoord zijdens [gedaagde sub 2], nog niet beslist. Per gelijke datum heeft SMU in een separate procedure bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis gevorderd. Hangende het schorsingsverzoek heeft [gedaagde sub 2], op verzoek van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, het reeds ten laste van SMU gelegde beslag, ingetrokken.

2.3.

Bij vonnis van 19 mei 2017 heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen (AR 82080/2017 – HAR 11/2017).

2.4.

[gedaagde sub 2] is vervolgens wederom overgegaan tot executie van het vonnis. Bij exploot van 17 juli 2017 heeft [gedaagde sub 1], aspirant-deurwaarder bij Deurwaarderskantoor M.I. Bazur N.V., op verzoek van [gedaagde sub 2], zowel ten laste van SMU als ten laste van IHH executoriaal derdenbeslag gelegd onder Maduro & Curiel’s Bank N.V. (hierna: MCB).

3 Het geschil

3.1.

IHH vordert dat het Gerecht – kort samengevat –, oordelend in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden verbiedt om de jegens IHH aangezegde executie uit te voeren en dat het Gerecht het gelegde beslag ten laste van IHH opheft. Kosten rechtens.

3.2.

IHH heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat IHH en SMU twee aparte organisaties zijn die niets met elkaar te maken hebben. IHH is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor de schulden van SMU. De dreiging met het beslag en de uiteindelijke uitvoering daarvan ten laste van IHH voor schulden waartoe SMU is veroordeeld, is derhalve onrechtmatig jegens IHH.

3.3.

Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang volgt uit de stelling van IHH dat zij door het beslag op haar bankrekening bij de MCB niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen.

4.2.

Het Gerecht stelt voorop dat de vordering jegens [gedaagde sub 1] op voorhand geen kans van slagen heeft. [gedaagde sub 1] is aspirant-deurwaarder. Zij is in die hoedanigheid bevoegd om alle ambtshandelingen en diensten van een deurwaarder te verrichten. Zij doet dat echter namens en onder verantwoordelijkheid van de deurwaarder te wiens kantore zij werkzaam is, in dit geval deurwaarderskantoor M.I. Bazur (zie artikel 18 lid 1 Ontwerp-Deurwaardersverordening 2014). Dat brengt met zich dat [gedaagde sub 1] niet zelfstandig en in persoon kan worden aangesproken voor handelingen die zij als aspirant-deurwaarder heeft verricht. Voor eventuele fouten van [gedaagde sub 1] had IHH deurwaarder M.I. Bazur moeten aanspreken. Ten overvloede merkt het Gerecht ten aanzien van de verantwoordelijkheid van de deurwaarder het volgende op. Gelet op de ministerieplicht van de deurwaarder om wettelijke taken uit te voeren (te weten de plicht van een deurwaarder om, indien daarom wordt verzocht, ambtelijke diensten te verlenen zoals het leggen van executoriale beslagen hetgeen wettelijk aan de deurwaarder is voorbehouden) en gelet op zijn hoedanigheid van bij Landsbesluit benoemd natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, kan een deurwaarder – ondanks dat hij handelt in opdracht van een derde – worden aangesproken uit onrechtmatige daad. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat met het dagvaarden van [gedaagde sub 1] IHH mede bedoeld zou hebben deurwaarder Bazur in rechte te betrekken, geldt ten aanzien van hem hetzelfde als hetgeen het Gerecht onderstaand ten aanzien van [gedaagde sub 2] overweegt.

4.3.

Voor zover IHH vordert [gedaagde sub 2] te verbieden de aangezegde executie uit te voeren, heeft zij daar geen belang meer bij. [gedaagde sub 2] is immers reeds overgegaan tot het leggen van beslag en heeft daarmee uitvoering gegeven aan de executie. De vraag die resteert is of het ten laste van IHH gelegde beslag dient te worden opgeheven.

4.4.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.5.

Vaststaat dat aan het ten laste van IHH gelegde beslag het vonnis tussen SMU en [gedaagde sub 2] ten grondslag ligt. IHH was geen partij bij die procedure. Het vonnis is ook niet jegens haar gewezen. Het beslag kan derhalve in beginsel enkel deugdelijk en nodig ten laste van IHH zijn gelegd indien er sprake zou zijn van vereenzelviging tussen IHH en SMU, zoals [gedaagde sub 2] stelt.

4.6.

Vereenzelviging is een methode van rechtsvinding, waarbij wordt voorbijgegaan aan het identiteitsverschil tussen twee rechtssubjecten. Vereenzelviging kan leiden tot een vorm van doorbraak van aansprakelijkheid, maar de Hoge Raad is zeer terughoudend in de toepassing ervan. De kwestie van vereenzelviging doet zich in het algemeen voor wanneer men zich bij de toepassing van een rechtsregel afvraagt of mag worden voorbijgegaan aan het identiteitsverschil tussen een bij het geval betrokken rechtspersoon en een of meer andere bij die rechtspersoon betrokken (rechts)personen in dier voege dat handelen of nalaten van de een aan de ander als eigen handelen of nalaten mag worden toegerekend.

4.7.

Het Gerecht overweegt ter zake als volgt. Uit de in het geding gebrachte uittreksels vloeit voort dat IHH managing director / bestuurder is van SMU. Beide vennootschappen worden feitelijk bestuurd door meerderheidsaandeelhouders [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2], die daardoor beslissende zeggenschap hebben in beide vennootschappen. Uit een tweetal door [gedaagde sub 2] overgelegde e-mails vloeit voort dat SMU aan haar studenten vraagt de aan SMU verschuldigde gelden over te maken op de “University’s bank account”, waarna wordt verwezen naar de bankgegevens ten name van IHH bij de MCB. IHH heeft de inhoud van deze e-mails niet gemotiveerd betwist. Voor zover IHH heeft gesteld dat de e-mails per abuis naar de studenten zijn gestuurd, heeft zij dat onvoldoende gemotiveerd, bijvoorbeeld door een correctie e-mail te overleggen of door aan te geven op welke rekening de studenten anders hun gelden moesten storten. Voorts heeft [gedaagde sub 2] gesteld dat het gedeelte van zijn loon dat niet contant werd betaald, door IHH werd gestort op zijn bankrekening bij de MCB. Omdat hij geen toegang heeft tot zijn eigendommen heeft hij geen bankafschrift kunnen tonen. De MCB was voorafgaand aan het kort geding nog niet in staat geweest [gedaagde sub 2] een kopie van een afschrift te verstrekken. De stelling van IHH dat het loon van [gedaagde sub 2] in India werd betaald, sluit een betaling door IHH niet uit en is daarmee – mede gelet op het verzoek aan de studenten het geld op de rekening van IHH te storten – onvoldoende door SMU betwist. Tenslotte heeft IHH ter zitting zelf aangegeven dat SMU niet over gelden beschikt om betalingen te doen en dat IHH spoedeisend belang heeft bij opheffing van het beslag omdat zij aan haar betalingsverplichtingen dient te voldoen.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in ieder geval naar buiten toe de indruk wordt gewekt dat IHH betrokken is bij, dan wel de operationele c.q. financiele belangen van SMU behartigt. Het Gerecht acht dan ook voorshands aannemelijk geworden de stelling van [gedaagde sub 2] dat sprake is van een zodanige verbondenheid c.q. verwevenheid tussen SMU en IHH dat voorbijgegaan moet worden aan het identiteitsverschil tussen beide vennootschappen en waardoor het nalaten van SMU om aan het vonnis te voldoen, een beslag onder IHH rechtvaardigt. Aldus is niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [gedaagde sub 2] ten laste van IHH ingeroepen recht.

4.9.

Een belangenafweging tussen partijen dient evenmin tot een ander oordeel te leiden. [gedaagde sub 2], afkomstig uit India, heeft er belang bij toegang te krijgen tot zijn persoonlijke eigendommen. Voorts heeft hij geld nodig om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het Gerecht heeft het vonnis om die reden uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft dat in stand gelaten. Ondanks het aanhangig gemaakte hoger beroep heeft [gedaagde sub 2] recht op en belang bij de uitvoering van het vonnis. SMU weigert aan haar veroordeling te voldoen. Zij stelt zelf dat zij er niet aan kan voldoen. Het belang van IHH om over haar gelden te beschikken is in het licht van het voorgaande en gelet op haar voorshands aannemelijk bevonden betrokkenheid bij en / of de operationele rol ten aanzien van SMU, in dat licht van ondergeschikt belang.

4.10.

IHH zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris en aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt IHH in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris en aan de zijde van [gedaagde sub 1] tot op heden begroot op NAf 1.500,- aan gemachtigdensalaris;

5.3.

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2017.