Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:113

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
AR 78300/2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aansprakelijkheid wegbeheerder; omkeringsregel; tegenbewijs geleverd; eigen schuld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet,

tegen

de openbare rechtspersoon

HET LAND CURAÇAO,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.F. Bonapart en mr. D.M. Suares.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Land genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 29 maart 2016 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord;

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling op 24 oktober 2016, alwaar beide gemachtigden het woord hebben gevoerd, mr. Suares mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen;

- de door beide gemachtigden overgelegde aanvullende producties;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

1.3.

Bij mail van 18 augustus 2017 heeft de griffier, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 15 april 2016 (ECLI:NL:HR:2016:662) de gemachtigden van partijen gemeld dat vonnis zal worden gewezen door een andere rechter dan de comparitierechter. Hierop is niet gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Op 14 juli 2013 (om ongeveer 02.00 uur) is [eiser] betrokken geraakt bij een eenzijdig verkeersongeval op de Jan Noorduynweg. De door hem bereden auto is daarbij beschadigd en [eiser] zelf heeft letsel opgelopen.

2.2.

Ter plaatse van het ongeval bestaat de Jan Noorduynweg uit twee rijbanen (een voor elke rijrichting) die van elkaar zijn gescheiden door middel van een betonnen rand van ongeveer 18 cm hoog. De betonnen rand is ongeverfd en is dus grijs van kleur. Eerder op de Jan Noorduynweg (bezien vanuit de rijrichting van [eiser]) zijn de twee rijbanen van elkaar gescheiden door middel van een ononderbroken witte streep. De weggebruiker wordt niet door middel van borden of andere waarschuwingstekens gewezen op het naderen van de betonnen rand.

2.3.

Na het ongeval is een “mini-rapport” opgemaakt door Forensys. Dit rapport luidt onder andere als volgt:

“Fx specification: Te asina leu ku por a wòrdu opservá tabata tin un marka di brek di 13 meter probablemente di vehikulo [kentekenplaat] [de auto van [eiser]; toevoeging Gerecht] riba kaminda ku por tin relashon ku e dalmentu.

Agent specification: shofùr di e vehíkulo numerá [kentekenplaat] tabata kore riba Jan Noorduynweg den direkshon di Rooseveltweg, yegando na altura di e luga di dalmentu e vehíkulo numerá [kentekenplaat]ta dal kus u parti dilanti den e palu di lus ku e kodigo 13655.”

3 Het geschil

3.1.

[Eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, het volgende:

  • -

    verlof om kosteloos te procederen;

  • -

    een verklaring voor recht dat het Land jegens [eiser] aansprakelijk is;

  • -

    het Land te veroordelen tot betaling aan [eiser] van op 14 juli 2013 veroorzaakte materiële en immateriële schade tot een bedrag van NAf 63.679,- te vermeerderen met de wettelijke rente;

  • -

    het Land te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

[Eiser] heeft bij inleidend verzoekschrift een bewijs van onvermogen overgelegd. Het gevraagde verlof zal daarom worden verleend.

4.2.

De vordering van [eiser] is gebaseerd op artikel 6:174 BW. Op grond van deze bepaling is de beheerder van een openbare weg (in beginsel) aansprakelijk voor de schade die ontstaat doordat de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar oplevert, indien dit gevaar zich verwezenlijkt. Niet ter discussie staat dat de Jan Noorduynweg een openbare weg is, dat de in 2.2 bedoelde betonnen rand behoort tot de weguitrusting als bedoeld in artikel 6:174 lid 5 BW en dat het Land heeft te gelden als beheerder van die weg. In geschil is of sprake is van een gebrekkige weg en, zo ja, of de schade van die gebrekkigheid het gevolg is. Voorts verschillen partijen van mening over de hoogte van de door [eiser] geleden schade.

4.3.

Voor het antwoord op de vraag of een weg gebrekkig is in de hiervoor bedoelde zin komt het aan op de – naar objectieve maatstaven te beantwoorden – vraag of de weg, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn.

4.4.

Gelet op dit beoordelingskader is het Gerecht van oordeel dat de Jan Noorduynweg ter plaatse en ten tijde van het ongeval gebrekkig was. Het Gerecht overweegt daartoe het volgende.

4.5.

De twee rijbanen op de Jan Noorduynweg worden, bezien vanuit de rijrichting van [eiser], lange tijd gescheiden door middel van een gebruikelijke witte streep. De witte streep gaat over in een betonnen rand van ongeveer 18 cm hoog. Een dergelijke (fysiek) harde rijbaanscheiding levert, anders dan een (on)onderbroken witte streep, gevaar op voor personen of zaken, omdat weggebruikers daarmee in botsing kunnen komen. Met deze mogelijkheid behoort de wegbeheerder rekening te houden, nu de ervaring leert dat weggebruikers niet altijd even nauwkeurig rechts houden op de voor hen bestemde rijbaan. Dit geldt in dit geval temeer, juist omdat de rijbaanscheiding eerst uit een (ongevaarlijke) witte streep bestaat en pas later ‘omhoog’ komt. Ook de hoogte van bijna twintig centimeter is in dit verband van belang: hoog genoeg om tegenaan te botsen, met voorzienbaar effect op de bestuurbaarheid van een auto, maar laag genoeg om over het hoofd te zien. Gelet hierop mocht van het Land verwacht worden deze potentieel onveilige situatie deugdelijk te beveiligen, bijvoorbeeld in de vorm van – voldoende specifieke – waarschuwingsborden en/of reflecterende verf. Het Land heeft dergelijke maatregelen niet getroffen. Gesteld noch gebleken is dat waarschuwingsborden zijn geplaatst en de betonnen rand is niet met verf behandeld, en is dus van een vergelijkbaar grijs als het grijs van het asfalt. Deze beveiligingsmaatregelen zijn eenvoudig van aard. Het Land heeft niet gesteld dat het (financieel of anderszins) niet in staat was deze maatregelen te treffen.

4.6.

Door aldus een potentieel onveilige in het leven te roepen en daarvoor niet deugdelijk te waarschuwen, is de weg naar het oordeel van het Gerecht gebrekkig. Het Land is voor de als gevolg van dat gebrek geleden schade in beginsel aansprakelijk. In het midden kan blijven of de straatverlichting tijdens het ongeval werkte.

4.7.

Het Land is echter alleen aansprakelijk indien de door [eiser] geleden schade het gevolg is van de verwezenlijking van het door het Land in het leven geroepen gevaar. [eiser] stelt dat dit het geval is, omdat hij met de betonnen rand in aanraking is gekomen en daardoor de macht over het stuur is verloren. Het Land betwist deze toedracht. Zij bestrijdt dat [eiser] met de betonnen rand in aanraking is gekomen. Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt.

4.8.

De aan artikel 6:174 BW ten grondslag liggende zorgplicht van de beheerder van openbare wegen strekt met name ter bescherming van de veiligheid van de gebruikers daarvan. De beschermingsomvang van verkeers- en veiligheidsnormen moet ruim worden uitgelegd. Indien een openbare weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, zodat de wegbeheerder op de voet van artikel 6:174 BW aansprakelijk is tegenover degene die daardoor schade heeft geleden, zal hij die stelt als gevolg van een ongeval op die weg schade te hebben geleden en ten aanzien van het causaal verband tussen dat ongeval en de gevaarlijke toestand van de weg een beroep doet op de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde omkeringsregel, omtrent de toedracht van het ongeval feiten dienen te stellen en zonodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat een bepaald, uit die toestand voortvloeiend gevaar zich heeft verwezenlijkt, zonder dat nodig is dat hij ook de precieze toedracht van het ongeval aannemelijk maakt. In gevallen als het onderhavige wordt hij immers tegen het bewijsrisico dat is verbonden aan de dienaangaande bestaande onzekerheid, nu juist beschermd door voornoemde omkeringsregel.

4.9.

Gelet op het zojuist overwogene bestaat naar het oordeel van het Gerecht op zichzelf aanleiding om de omkeringsregel toe te passen. Dat betekent dat het aan het Land is te bewijzen – waarvoor in het kader van het hier te leveren tegenbewijs voldoende is: aannemelijk te maken – dat de bedoelde schade ook zonder het gebrek aan de weg zou zijn ontstaan. Het Gerecht is echter van oordeel dat het Land dit tegenbewijs al heeft geleverd. Het Land heeft ter onderbouwing van haar betwisting gewezen op het in 2.3 weergegeven rapport. Uit dat rapport blijkt niet meer dan dat er een remspoor van 13 meter is geconstateerd en dat de auto van [eiser] op een lantaarnpaal is gebotst, terwijl in dat rapport geen enkele aanwijzing kan worden dat de lezing van [eiser] ondersteunt. Als de lezing van [eiser] juist zou zijn, zou een dergelijke aanwijzing wel voor de hand hebben gelegen, bijvoorbeeld omdat Forensys rubbersporen van de banden op de betonnen rand zou hebben geconstateerd. Voorts heeft het Land gewezen op de eigen verklaring van [eiser] ter comparitie, waaruit volgt dat hij voorafgaande aan het ongeval, tijdens het rijden, bezig was met het losser maken van zijn gordel. Ten slotte heeft het Land, met verwijzing naar foto’s, gewezen op de aanmerkelijke breedte van de voor de rijrichting van [eiser] bestemde weghelft. Dat is van belang, omdat het bij een aanzienlijk smallere rijbaan eerder aannemelijk zou zijn geweest dat [eiser] tijdens het verstellen van zijn gordel de betonnen rand zou hebben geraakt. Op grond van dit alles is het Gerecht van oordeel dat het Land aannemelijk heeft gemaakt dat [eiser] als gevolg van het losser maken van zijn gordel van de weg is geraakt zonder dat hij daarbij met de betonnen rand in aanraking is gekomen.

4.10.

Dit betekent dat het desgewenst aan [eiser] is om alsnog bewijs bij te brengen van zijn stelling dat hij bij het ongeval tegen de betonnen rand is gebotst. Het Gerecht zal hem gelegenheid geven zich bij akte uit te laten over de vraag of en, zo ja, op welke wijze hij dit bewijs wenst bij te brengen. Voor zover hij zich in dit verband alsnog wil beroepen op het ter comparitie besproken CRS-rapport (ter comparitie was afgesproken dat hij dit rapport bij conclusie van repliek over zou leggen), kan hij dit rapport bij deze akte in het geding brengen. Vervolgens kan het Land bij antwoordakte reageren.

4.11.

Het Land heeft zich beroepen op eigen schuld van [eiser]. Zij heeft gesteld dat het ongeval mede heeft kunnen gebeuren omdat [eiser] een aantal verkeersregels heeft geschonden, zoals de verplichting om rechts te houden en zich niet te begeven op een niet onderbroken rijbaanscheiding. Ter comparitie heeft zij ook gewezen op de eigen verklaring van [eiser] dat hij bezig was met het verstellen van zijn gordel toen hij de macht over het stuur verloor. [eiser] heeft ten aanzien van het beroep op eigen schuld geen verweer gevoerd. Het Gerecht is van oordeel dat [eiser] – uitgaande van de door hem gestelde en nog te bewijzen gang van zaken – eigen schuld heeft aan de schade die van het ongeval het gevolg is. Door tijdens het rijden bezig te zijn met het verstellen van zijn gordel heeft hij niet de oplettendheid betracht die van een automobilist mag worden verwacht. Aangenomen moet worden dat hij als gevolg daarvan tegen de betonnen rand is gebotst. De eigen schuld van [eiser] wordt nog vergroot door het feit dat hij, blijkens zijn verklaring ter comparitie, van het bestaan van de verhoogde rijbaanscheiding op de hoogte was. Al met al is het Gerecht van oordeel dat de voor rekening van [eiser] komende omstandigheden voor 60% aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen, zodat een eventuele door het Land te betalen schadevergoeding met dit percentage zal worden verminderd.

4.12.

Ten aanzien van omvang van de vordering geldt het volgende. Bij inleidend verzoekschrift heeft [eiser] een rapport van een letselschadedeskundige overgelegd. Uit dat rapport leidt het Gerecht af dat [eiser] met name blijvend last heeft gehouden van beperkingen aan zijn linkerduim, met als gevolg een verminderde verdiencapaciteit. Dit betreft de grootste schadepost. Het Land heeft het causaal verband tussen het ongeval en het letsel aan de duim betwist, in verband waarmee zij erop heeft gewezen dat [eiser] voor zijn duim pas geruime tijd na het ongeval naar een arts is gegaan. Het Gerecht houdt iedere beslissing op dit punt aan. Partijen moeten er rekening mee houden dat zo nodig een onafhankelijk deskundige benoemd zal moeten worden teneinde het Gerecht voor te lichten omtrent de beperkingen van [eiser] en het causaal verband met het ongeval.

4.13.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- verwijst de zaak naar de rol van 18 september 2017 voor akte als bedoeld in 4.11 door [eiser], waarna het Land kan reageren;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2017.