Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:112

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
04-09-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
A.R. 65991/2013 en 74634/2015 en 75930/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herroeping vonnissen wegens oneerlijke proceshouding. Herkomst van in trust ondergebracht vermogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak met nummer 65991/2013 (de distributiezaak) van:

[De dochter],

wonende te […] Canada,

verder te noemen: “[de dochter]”,

eiseres, tevens eiseres in reconventie in tussenkomst,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en M.J.F Goethals,

tegen

de stichting STICHTING MONTE CRISTO,

gevestigd in Curaçao,

verder te noemen: “Monte Cristo”,

gedaagde,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg,

en

de rechtspersoon naar vreemd recht

INTERTRUST SERVICES (LIECHTENSTEIN) TRUST REG.,

gevestigd te Liechtenstein,

verder te noemen: “Intertrust”,

gedaagde,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg.

met als tussengekomen partij

[De kleindochter],

wonende te […] Thailand,

verder te noemen: “[de kleindochter]”,

eiseres in conventie in tussenkomst, gedaagde in reconventie in tussenkomst,

gemachtigden: mrs. W. ten Veen en J.M.K.P. Cornegoor,

alsmede in de zaak met nummer 74634/2015 (de herroepingsprocedure) van:

[De dochter],

wonende te […] Canada,

verder te noemen: “[de dochter]”,

eiseres, tevens gedaagde in tussenkomst,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en M.J.F. Goethals,

tegen

de stichting STICHTING MONTE CRISTO,

gevestigd in Curaçao,

verder te noemen: “Monte Cristo”,

gedaagde,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg,

en

de rechtspersoon naar vreemd recht

INTERTRUST SERVICES (LIECHTENSTEIN) TRUST REG.,

gevestigd te Liechtenstein,

verder te noemen: “Intertrust”,

gedaagde,

gemachtigde: mr. Th. Aardenburg,

en

de besloten vennootschap CAPITAL SUPPORT BEWIND EN EXECUTELE B.V.

gevestigd te Den Haag, Nederland,

verder te noemen: “Capital Support”,

gedaagde,

gemachtigden: mrs. L. Romer en I.M.P. Koevoets,

met als tussengekomen partij

[De kleindochter],

wonende te […] Thailand,

verder te noemen: “[de kleindochter]”,

eiseres in tussenkomst,

gemachtigden: mrs. W. ten Veen en J.M.K.P. Cornegoor,

alsmede in de zaak met nummer 75930/2015 (het art. 12a Rv-verzoek) van:

[De dochter],

wonende te […] Canada,

verder te noemen: “[de dochter]”,

eiseres,

gemachtigden: mrs. M.F. Murray en M.J.F. Goethals,

tegen

de besloten vennootschap CAPITAL SUPPORT BEWIND EN EXECUTELE B.V.,

gevestigd te Den Haag, Nederland,

verder te noemen: “Capital Support”,

gedaagde,

gemachtigden: mrs. L. Romer en I.M.P. Koevoets.

1 Het procesverloop

in de zaak met nummer 65991/2013 (de distributiezaak)

1.1

Na het vonnis in het incident van 7 december 2015 waarbij het verzoek van [de dochter] tot schorsing van het geding is afgewezen, zijn de volgende processtukken ingediend:

  • -

    conclusie van dupliek en conclusie van antwoord op de eisvermeerdering in de hoofdzaak, tevens conclusie van dupliek en conclusie van antwoord op de eisvermeerdering en conclusie van repliek in reconventie in tussenkomst van Monte Cristo en Intertrust van 22 februari 2016;

  • -

    conclusie van dupliek in conventie, tevens contra-akte eisvermeerdering in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie, alles in de procedure in tussenkomst, van [de dochter] van 22 februari 2016;

  • -

    conclusie van dupliek in tussenkomst in reconventie van [de kleindochter] van 9 mei 2016;

  • -

    akte houdende vermeerdering van eis van [de dochter] van 9 mei 2016;

  • -

    akte uitlating productie in tussenkomst in reconventie van Monte Cristo en Intertrust van 6 juni 2016;

  • -

    akte antwoord eisvermeerdering in de hoofdzaak ([de dochter]) van Monte Cristo en Intertrust van 15 augustus 2016.

in de zaak met nummer 74634/2015 (de herroepingsprocedure)

1.2

Na het vonnis in het incident van 4 april 2016 waarbij [de kleindochter] werd toegelaten tussen te komen in het geding tussen [de dochter] en Monte Cristo en Intertrust, zijn de volgende processtukken ingediend:

  • -

    conclusie van eis in tussenkomst van [de kleindochter] van 15 augustus 2016;

  • -

    conclusie van antwoord in tussenkomst van [de dochter] van 12 december 2016;

  • -

    conclusie van antwoord in tussenkomst van Monte Cristo en Intertrust van 12 december 2016;

  • -

    conclusie van antwoord in de hoofdzaak van Capital Support van 12 december 2016;

  • -

    conclusie van antwoord in de hoofdzaak van Monte Cristo en Intertrust van 16 januari 2017.

in de zaak met nummer 75930/2015 (het art. 12a Rv-verzoek)

1.3

Na het verstekvonnis van 22 februari 2016 waarbij op de voet van artikel 12a Rv de oproeping van Capital Support is gelast om als gedaagde deel te nemen aan de zaak met nummer AR 74634/2015, welk vonnis is hersteld bij herstelvonnis van 7 maart 2016, is bij vonnis van 25 april 2016 bepaald dat de oproeping van Capital Support opnieuw dient te geschieden. Iedere verdere beslissing is aangehouden. Vervolgens is de zaak abusievelijk naar de rol verwezen voor conclusie van antwoord. Hierop is de zaak naar de rol verwezen voor beraad comparitie.

in alle zaken

1.4

Op 15 mei 2017 is in alle zaken gepleit. Van die zitting is proces-verbaal opgemaakt. Conform de gemaakte procedureafspraak hebben de gemachtigden voorafgaand aan de pleitzitting elkaar en het Gerecht hun pleitnotities in de eerste termijn toegezonden. Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De vorderingen

in de zaak met nummer 65991/2013 (de distributiezaak)

2.1 [

De dochter] vordert na wijziging van eis om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

( i) voor recht te verklaren dat [de dochter] gerechtigd is tot een uitkering ten laste van Monte Cristo conform de daartoe strekkende bepalingen van de statuten van Monte Cristo, de Trustakte, het Reglement en het Amendement;

(ii) voor recht te verklaren dat Monte Cristo en Intertrust niet gerechtigd zijn toekomstige

administratiekosten bij voorbaat in rekening te brengen aan Monte Cristo althans in

mindering te brengen op de aan [de dochter] toekomende uitkering;

(iii) Monte Cristo te bevelen binnen twee weken na vonniswijzing aan [de dochter] uit te keren, gerekend per 31 december 2012, de aan haar [de dochter] toekomende som groot € 3.714.496,50;

(iv) Monte Cristo te bevelen om jaarlijks, telkens binnen acht maanden na het einde van het daaraan voorafgaande boekjaar, in overeenstemming met de daartoe strekkende bepalingen van de statuten van Monte Cristo, de Trustakte, het Reglement en het Amendement, uit het trustvermogen uitkeringen te doen aan [de dochter], waarbij ter wille van de berekening van het aan [de dochter] toekomende bedrag het trustvermogen slechts verminderd mag worden met (i) de redelijke reeds gemaakte administratiekosten en (ii) het bedrag gelijk aan het (voormalige) aandelenkapitaal van Globe ad USD 1 miljoen;

( v) Monte Cristo en Intertrust te gebieden binnen drie maanden na vonniswijzing rekening en verantwoording af te leggen ter zake het door hen met betrekking tot Monte Cristo gevoerde beleid over de periode van 29 augustus 1989 tot de datum van vonniswijzing en in dat kader opgave aan [de dochter] te doen van (a) alle betalingen en uitkeringen verricht door Monte Cristo en haar dochtervennootschap Globe onder overlegging van de desbetreffende bankafschriften en andere daarop betrekking hebbende bescheiden, alsmede van (b) alle bestuursbesluiten en aandeelhoudersbesluiten van Monte Cristo en haar dochtervennootschap Globe onder overlegging van afschriften van die besluiten en andere daarop betrekking hebbende bescheiden, een en ander op straffe van een aan [de dochter] te verbeuren dwangsom van NAf 10.000 per dag dat zij of een van hen beiden nalaat zulks te doen, met een maximum van NAf 1.000.000;

(vi) subsidiair een door in goede justitie te bepalen voorziening te treffen waarbij aan [de dochter] uitkering plaatsvindt van de aan haar uit hoofde van de statuten van Monte Cristo, het Reglement en het Amendement toekomende gelden;

(vii) te verklaren voor recht dat Intertrust jegens [de dochter] onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij gehouden is de daardoor ontstane schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vergoeden;

(viii) Intertrust in haar hoedanigheid van bestuurder van de Stichting Vulcanus en van

bestuurder van Monte Cristo, en pro se, te verbieden uitvoering te geven aan verzoeken

dan wel anderszins mee te werken aan c.q. te initiëren dat betaling, hoe ook genaamd, door Monte Cristo en door Vulcanus, dan wel enige andere entiteit waarvan zij optreedt als (enig dan wel medebestuurder, van welke entiteit het vermoeden bestaat dat de oprichting geïnitieerd is door, dan wel fondsen (effecten daar mede onder verstaande) zijn ingebracht, gedoneerd, dan wel anderszins ter beschikking zijn gesteld door [de erflater], dan wel anderszins aan [de erflater] op enige wijze gerelateerde entiteit(en), wordt verricht aan [de kleindochter] dan wel (een) al dan niet door haar aangewezen - al dan niet rechtspersoonlijkheid bezittende - entiteit(en) en/of derde(n) zolang niet bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Franse rechter is beslist in de Heropening Nalatenschap Procedure, een en ander op straffe van een aan [de dochter] te verbeuren dwangsom van NAf 1 miljoen per keer dat Intertrust nalaat aan het verbod gehoor te geven;

(ix) Intertrust in haar hoedanigheid van (i) bestuurder van de Stichting Vulcanus en (ii) pro se te gebieden

  • -

    een lijst van structuren, entiteiten en/of bankrekeningen direct dan wel indirect bestuurd, geadministreerd of geadviseerd door Intertrust waarin activa, direct of indirect verkregen van (het vermogen van) [de erflater], daaronder in ieder geval verstaande Stichting Vulcanus, Venus en Stichting Pelikaantrust en de overige stichtingen vermeld in productie 63;

  • -

    de akte van aandelenoverdracht inzake Globe van 21 maart 1969;

  • -

    de (interne) reglementen van de voormelde entiteiten waarvan door Intertrust bevestigd wordt dat die de meest recente en geldende versie betreffen;

  • -

    alle jaarrekening(en) van de Stichting Vulcanus en van Venus;

  • -

    de jaarrekeningen van Globe over de jaren 1967 en 1968;

  • -

    bestuursbeslissingen en een lijst met alle uitkeringen door of namens Vulcanus en Venus aan bij name te noemen begunstigden, dan wel anderszins tot betaling gerechtigden, inclusief betalingen in contanten verricht aan [de kleindochter];

  • -

    het aandeelhoudersregister van Globe, voorzien van de aantekening 'ingekocht door de vennootschap’ en het aandeelhoudersregister van Venus,

aan [de dochter] ter hand te stellen binnen zeven dagen na vonniswijzing, bij gebreke waarvan Intertrust aan [de dochter] een dwangsom verbeurt van NAf 100.000 per dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijft aan het bevel te voldoen;

( x) kosten rechtens.

2.2 [

De kleindochter] vordert na wijziging van eis als tussengekomen partij om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

( i) primair, voor recht te verklaren:

i. dat de term “la fortune du trust" in artikel 5 lid 1 van het Reglement en de term "le capital" in de brief van [de erflater] van 18 april 1979 tot de ontbinding van Globe de betekenis hadden van: de aandelen in het kapitaal van Globe;

ii. dat de uitkeringen die Monte Cristo vanaf april 2009 vanuit Globe heeft ontvangen zijn gaan behoren tot "la fortune du trust" respectievelijk "le capital";

iii. dat "la fortune du trust" respectievelijk "le capital" per 31 december 2010 een omvang hadden van USD 16.909.468;

iv. dat [de dochter] verplicht is om een bedrag van USD 2.906.844 aan Monte Cristo te restitueren;

v. dat [de dochter] - naast het sub iv. genoemde bedrag - verplicht is om een bedrag van USD 1.440.188 aan Monte Cristo te restitueren;

(ii) voor recht te verklaren dat Intertrust jegens Monte Cristo en jegens [de kleindochter] aansprakelijk is voor alle schade die zij hebben geleden en nog mochten lijden als gevolg van het feit dat Monte Cristo aan [de dochter] uitkeringen heeft gedaan in strijd met het Reglement, dergelijke schade voor wat betreft [de kleindochter] op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(iii) subsidiair, voor het geval het sub (i) en/of (ii) gevorderde niet of niet volledig voor toewijzing in aanmerking mocht komen: te verklaren voor recht dat Intertrust en Monte Cristo onrechtmatig hebben gehandeld door te besluiten tot ontbinding van Globe, door de uitkeringsbesluiten te nemen van 5 mei 2009, 19 mei 2009, 27 juli 2009, 11 augustus 2009, 17 december 2009 en 15 februari 2010 en door uitvoering aan die respectieve besluiten te geven, alsmede Intertrust te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg daarvan door [de kleindochter] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(iv) Intertrust te gebieden om binnen drie maanden na vonniswijzing rekening en verantwoording af te leggen terzake van het door haar met betrekking tot het trustvermogen gevoerde beheer over de boekjaren 2001 tot en met 2013, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [de kleindochter] van NAf 10.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Intertrust in gebreke blijft om aan dat bevel te voldoen;

( v) kosten rechtens.

2.3 [

De dochter] vordert in reconventie in tussenkomst om bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

(i) [de kleindochter] te bevelen om aan [de dochter] binnen zeven dagen na het te wijzen vonnis ter hand te stellen het schrijven van (de gemachtigde van) [de kleindochter] aan Monte Cristo en/of Intertrust, gedateerd 11 december 2013, en een door haar (gemachtigde) ondertekend schrijven dat melding maakt van alle data en omvang van uitkeringen die Monte Cristo en/of Globe, direct dan wel indirect, heeft c.q. hebben gedaan aan [de kleindochter] c.q. alle uitkeringen, hoegenaamd ook, die [de kleindochter] ontvangen heeft van Monte Cristo en/of Globe, hoegenaamd ook, meer in het bijzonder in de periode gelegen tussen augustus 1989 en de datum van vonniswijzing, een en ander op straffe van een dwangsom van NAf 50.000 per dag of dagdeel dat [de kleindochter] nalaat gevolg te geven aan dit bevel,

(ii) kosten rechtens.

in de zaak met nummer 74634/2015 (de herroepingsprocedure)

2.4 [

De dochter] vordert om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

( i) te verklaren voor recht dat de voor herroeping aangevoerde gronden juist zijn;

(ii) het geding te heropenen;

(iii) de op 9 mei 2005, 16 januari 2006 en 15 januari 2007 tussen partijen door het Gerecht gewezen vonnissen met zaaknummer AR 2139/2000 te herroepen;

(iv) opnieuw recht doende, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

i. te verklaren voor recht dat Monte Cristo nietig is;

ii. Intertrust, voor zover mogelijk, te ontslaan als bestuurder van Monte Cristo;

iii. te verklaren voor recht dat het vermogen dat ressorteert onder of op naam staat van Monte Cristo, onder welke titel dan ook, met al hetgeen daarvoor in de plaats mocht komen en alle inkomsten daaruit, behoort tot de nalatenschap van [de erflater], althans voor de helft behoort tot het vermogen van [de dochter], en dat de wettelijk erfgenamen van [de erflater] daar de enig eigenaar van zijn, althans dat [de dochter] voor de helft daarvan eigenaar is;

iv. gedaagden hoofdelijk te bevelen, binnen twee weken nadat vonnis is gewezen hun volledige medewerking te verlenen en over te gaan tot het afgeven van het vermogen van Monte Cristo aan de wettelijke erfgenamen van [de erflater], althans de helft daarvan aan [de dochter], en wel door in ieder geval alle courante middelen en roerende goederen behorende tot dit vermogen over te maken naar de bankrekening ten name van SELARL Durand and Durand-Guillet, notaris, gevestigd 58 Boulevard Poissonière, 75010, Parijs, Frankrijk, opvolger van SCP Attané-Van Kamelbeke, in zijn hoedanigheid van boedelnotaris van de nalatenschap van [de erflater] en/of aan hem af te geven, althans voor de helft naar een bankrekening van [de dochter] en/of voor de helft aan [de dochter] af te geven, onder bepaling dat indien gedaagden hier niet binnen twee weken na het in deze te wijzen vonnis toe zijn overgegaan, zij elk en hoofdelijk een dwangsom zullen verbeuren ten behoeve van de wettelijke erfgenamen van [de erflater], althans ten behoeve van [de dochter], groot USD 1.000.000 per dag of een gedeelte van een dag dat zij daarmee in gebreke zijn en/of blijven;

( v) gedaagden te veroordelen in de kosten van het geding.

2.5 [

De kleindochter] vordert als tussengekomen partij bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

(i) de vordering van [de dochter] tot herroeping niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar die vordering te ontzeggen, en

(ii) voor recht te verklaren dat de vonnissen die in de procedure met rolnummer 2139/2000 door dit Gerecht zijn gewezen niet aantastbaar zijn op grond van artikel 382 Rv;

(iii) [de dochter] te veroordelen in de kosten van het geding.

in de zaak met nummer 75930/2015 (het art. 12a Rv-verzoek)

2.6

Onder dit zaaknummer is het verzoek van [de dochter] geadministreerd tot oproeping van Capital Support om deel te nemen aan de zaak met nummer AR 74634/2015 (de herroepingsprocedure).

3 De beoordeling

in de zaak met nummer 65991/2013 (de distributiezaak)

3.1

Onder meer uit de toelichting op het door [de dochter] gedane verzoek om schorsing van dit geding, volgt dat haar vorderingen, in elke geval ten dele, een voorwaardelijk of subsidiair karakter hebben en afhankelijk zijn van de uitkomst van de zaak 74634/2015 (de herroepingsprocedure) en vervolgens het te heropenen geding (2139/2000). Gelet daarop, alsmede gelet op de overwegingen en beslissing in de zaak 74634/2015 (de herroepingsprocedure), ligt het in de rede de beoordeling en beslissing in de onderhavige zaak aan te houden, ook wat betreft de vorderingen in conventie en in reconventie in tussenkomst.

3.2

De onderhavige zaak en het te heropenen geding zijn verknocht in de zin van artikel 127 Rv. Om die reden zal de zaaksvoeging worden gelast.

3.3

De zaak zal naar de rol worden verwezen als hierna in het dictum vermeld.

in de zaak met nummer 74634/2015 (de herroepingsprocedure)

3.4 [

De dochter] vordert de herroeping van de onder zaaksnummer 2139/2000 tussen haar als eiseres en Monte Cristo en de rechtsvoorgangers van Intertrust (MeesPierson Trust Reg.) en van Capital Support (N.V. Trust-Safe Maatschappij) gewezen vonnissen van dit Gerecht van 6 juni 2005, 16 januari 2006 en 15 januari 2007.

3.5

Het ging in die zaak, samengevat en voor zover nu relevant, om het volgende.

3.6

Op […] 1989 is te Lausanne (Zwitserland) overleden [de erflater]. [De dochter] (geboren in 1923) is een dochter van [de erflater]. [De kleindochter] (geboren in 1947) is een kleindochter van [de erflater] (en een nicht van [de dochter]). [De erflater] was een vermogend man. Volgens [de dochter] had hij een deel van zijn vermogen ondergebracht op Curaçao in Monte Cristo, welke stichting is opgericht in 1957 met als doel op te treden als trustee. Door Monte Cristo werden volgens [de dochter] de aandelen gehouden in de in 1956 opgerichte naamloze vennootschap Beleggingsmaatschappij Globe N.V. (Globe), met een volgestort aandelenkapitaal van USD 2 miljoen. Volgens een in februari 1978 vastgesteld reglement van Monte Cristo, zal Monte Cristo na overlijden van haar begunstigde [de erflater] de uitkeringen doen aan [de dochter] en [de kleindochter], ieder voor 50% van de “totalité du produit net” van het trustvermogen, en na het overlijden van [de dochter] aan [de kleindochter].

3.7

In de procedure waarvan de heropening wordt verzocht, heeft [de dochter] het standpunt ingenomen dat Monte Cristo door [de erflater] in strijd met het Nederlands-Antilliaans stichtingenrecht is opgericht om dwingende bepalingen van Frans en Nederlands-Antilliaans erfrecht te omzeilen, waarmee afbreuk werd gedaan aan de rechten van zijn wettelijke erfgenamen, onder wie [de dochter], op hun legitieme portie. De vordering van [de dochter] strekte er onder meer toe dat voor recht werd verklaard dat Monte Cristo nietig is en dat het vermogen in Monte Cristo behoort tot de nalatenschap van [de erflater], met ontslag, voor zover nog mogelijk, van de rechtsvoorganger van Intertrust als bestuurder van Monte Cristo en met veroordeling van Monte Cristo en de rechtsvoorgangers van Intertrust en Capital Support het vermogen van Monte Cristo ten behoeve van de erfgenamen van [de erflater] over te maken naar de boedelnotaris in Parijs. Door Monte Cristo en de rechtsvoorgangers van Intertrust en Capital Support is gezamenlijk verweer gevoerd. Zij hebben onder meer als verweer gevoerd dat het “aannemelijk (in ieder geval zeer waarschijnlijk)” is dat het startkapitaal van USD 2 miljoen niet van [de erflater] afkomstig was, maar van diens broer [de broer van de erflater]. Bij vonnis van 9 mei 2005 heeft het Gerecht dit verweer onder 3.2 weergegeven en onder 5.3 overwogen dat op [de dochter] de bewijslast rust met betrekking tot haar stelling dat het vermogen van Monte Cristo afkomstig is van [de erflater] en zijn gedaagden in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek van [de dochter] om de oprichtingsdossiers en het volstortingsbewijs van de aandelen in Globe te leggen. Nadat gedaagden hadden verklaard niet over de gevraagde gegevens te kunnen beschikken, heeft het Gerecht [de dochter] bij vonnis van 16 januari 2006 toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat het bedrag van USD 2 miljoen door [de erflater] is betaald. [De dochter] heeft vervolgens afgezien van bewijslevering, waarna haar vorderingen bij eindvonnis van 15 januari 2007 zijn afgewezen. Er is geen hoger beroep ingesteld.

3.8

Bij vonnis in kort geding van dit Gerecht van 16 januari 2015 (zaaknummer 2014/70740) zijn Monte Cristo en Intertrust bevolen om [de dochter] en [de kleindochter] toegang te verlenen tot de administratie van Monte Cristo. [De dochter] stelt dat zij bij het daarop volgende boekenonderzoek tot de ontdekking is gekomen dat door de gedaagden in de procedure waarvan thans de heropening wordt verzocht stukken van beslissende aard zijn achtergehouden en dat sprake is geweest van bedrog, een en ander in de zin van art. 382 onder a. en c. Rv. Het gaat om stukken waaruit volgens [de dochter] blijkt dat de gedaagden wisten, of hadden moeten weten, dat [de erflater] wel degelijk de verschaffer van het vermogen van Monte Cristo was.

3.9

Artikel 382 Rv luidt:

Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op vordering van een partij worden herroepen indien:

a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd,

b. het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of

c. de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.

Artikel 383 lid 1 Rv luidt:

Het rechtsmiddel moet worden aangewend binnen drie maanden nadat de grond voor de herroeping is ontstaan en de eiser daarmee bekend is geworden. De termijn vangt niet aan dan nadat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.

3.10 [

De dochter] heeft Capital Support op 7 oktober 2015 op de voet van art. 12a Rv als derde in herroepingszaak betrokken. Voor zover zij beoogt dat ook de in het oorspronkelijke geding tussen haar en de rechtsvoorganger van Capital Support gewezen vonnissen worden herroepen, kan haar vordering niet slagen. Ten aanzien van Capital Support geldt immers dat de termijn van art. 383 lid 1 (met enkele maanden) was verstreken na de door [de dochter] gestelde ontdekking van het bedrog.

3.11

Ten aanzien van Monte Cristo en Intertrust is het verzoek tot herroeping op 13 juli 2015 ingediend. Partijen twisten over de vraag of dat op tijd was.

3.12

De termijn van art. 383 Rv. loopt vanaf de dag waarop het bedrog aan de benadeelde partij bekend is, dat wil zeggen vanaf de eerste dag waarop aan de partij alle feiten en omstandigheden bekend zijn, die tezamen de kwalificatie van het gedrag van de wederpartij als bedrieglijk wettigen. Men is met iets bekend, als men het te weten is gekomen en men heeft het op dat moment ook ontdekt. Anders ligt het geval, dat men iets nog slechts vermoedt; men heeft het dan nog niet ontdekt en men is er dan nog niet mee “bekend”.

3.13

Vaststaat dat de advocaten van [de dochter] op 24 en 25 maart 2015 de toegang hebben verkregen tot de administratie van Monte Cristo, in die zin dat zij toen zijn toegelaten in de dataroom in Zürich waar de administratie van Monte Cristo zich bevond. Deze administratie besloeg, naar [de dochter] onbetwist heeft gesteld, 33 of 34 ordners en meer dan 19.000 pagina's, gesteld in het Frans, Engels, Nederlands en Duits. Gelet daarop, en gelet op de door [de dochter] overgelegde verklaringen van haar Zwitserse advocaat Guerra en haar Franse advocaat Chalié (producties 28 en 29 bij pleidooi) dat zij niet vóór 13 april 2015 bekend waren met de documenten uit de dataroom waarmee [de dochter] haar verzoek tot herroeping heeft onderbouwd, is het aannemelijk dat het enige weken heeft gevergd om de documenten te vertalen, ordenen, analyseren en doorgronden en om daaruit te kunnen concluderen dat (Monte Cristo en Intertrust bekend was dat) het kapitaal van Monte Cristo inderdaad afkomstig was van [de erflater] en dat [de dochter] pas op 19 april 2015 bekend werd met deze gegevens toen Guerra en Chalié haar in Canada bezochten. Het verzoek tot herroeping is dus tijdig gedaan.

3.14

Van bedrog als bedoeld in art. 382 sub a Rv. is sprake wanneer een partij door haar oneerlijke proceshouding belet dat in de procedure feiten aan het licht komen die tot een voor de wederpartij gunstige afloop van die procedure zouden hebben kunnen leiden. Dit zal zich onder meer voordoen wanneer een partij feiten als hiervoor bedoeld verzwijgt, terwijl zij wist of behoorde te weten dat de wederpartij niet met die feiten bekend was of redelijkerwijze bekend hoorde te zijn. De betrokken partij moet het onware van zijn stelling in de oorspronkelijke procedure ook geweten hebben of hebben behoren te weten. Voor heropening is voldoende dat feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die zozeer de verdenking rechtvaardigen van bedrog, dat de partij die zich bedrogen acht langs de weg van heropening van het geding de gelegenheid behoort te krijgen de zaak nogmaals aan de rechter voor te leggen opdat die met inachtneming van die feiten en omstandigheden de zaak opnieuw beoordeelt. Pas in het heropende geding zal de rechter ten gronde behoeven te onderzoeken of werkelijk bedrog in de voorgaande procedure is gepleegd (zie HR 2 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9877).

3.15 [

De dochter] heeft in de administratie van Monte Cristo stukken aangetroffen die zij aan haar verzoek tot herroeping ten grondslag legt. Het betreft onder meer:

a) een ongedateerd memorandum over Monte Cristo, waarin staat dat de gang van zaken is dat “cliënt” een bedrag aan de Stichting schenkt en waaruit is op te maken dat wat betreft Monte Cristo [de erflater] de cliënt was, dat hij Monte Cristo en Stichting Vulcanus “bezit” en hij van aanvang (1957) af wordt vermeld als eerste begunstigde.

b) een gespreksverslag van een bezoek aan [de erflater] te Lausanne op 18 april 1979, waarin is opgenomen dat “cliënt nog eens bezworen heeft dat - hetgeen bij ons resp. onder onze berusting is - alleen aan hem toebehoord heeft, dus niet van Mevrouw afkomstig is”.

c) een power of attorney afgegeven door [de kleindochter] van 9 januari 1992, waarin staat vermeld dat Stichting Vulcanus is “created in Curacao by my grandfather, [de erflater]”.

d) overige stukken en correspondentie waaruit is op te maken dat de betrokkenen kennis hadden - maar vooral ook discretie wilde betrachten - over de herkomst van en gerechtigdheid tot het vermogen van Monte Cristo/Globe.

3.16

Deze stukken, in samenhang en onderling verband beschouwd, zijn aan te merken als stukken van beslissende aard in de zin van art. 382 sub c Rv, in het bijzonder van beslissende aard voor de in het oorspronkelijke geding centraal gestelde (voor)vraag of het vermogen van Monte Cristo afkomstig was van [de erflater]. Deze stukken vormen een aanwijzing dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord en zouden, als zij in het oorspronkelijke geding ter kennis van [de dochter] en de rechter zouden zijn gebracht, er zeer wel toe hebben kunnen leiden dat in die procedure was aangenomen dat de stelling van [de dochter] dat haar vader de fondsen van Monte Cristo had gefourneerd juist was, al dan niet met toelating van Monte Cristo en Intertrust tot tegenbewijs. Deze stukken maken deel uit van Monte Cristo's eigen, door Monte Cristo en Intertrust gehouden administratie. Gelet daarop, en gelet op het feit dat in het oorspronkelijke geding de vraag naar de herkomst van het startkapitaal jarenlang centraal stond en [de dochter] tevergeefs bij Monte Cristo en Intertrust aandrong op openheid van zaken en openlegging van boeken (art. 142 Rv), hadden Monte Cristo en Intertrust, voor zover haar toenmalige bestuurders en medewerkers daarmee niet reeds bekend waren, door raadpleging van hun administratie bekend moeten zijn met deze stukken. In elk geval hadden zij tegen deze achtergrond niet te goeder trouw de stelling kunnen innemen dat "aannemelijk (in ieder geval zeer waarschijnlijk)" was dat het vermogen niet van [de erflater] maar van diens broer [de broer van de erflater] afkomstig was. Naar [de dochter] in deze herroepingszaak onbetwist heeft gesteld, bevat de administratie van Monte Cristo en Intertrust geen enkel stuk dat naar [de broer van de erflater] verwijst, terwijl ook overigens niet is gebleken van een reële grond voor deze suggestie. Onwaar is voorts gebleken de stelling van Monte Cristo en Intertrust dat zij niet in staat zijn feitelijke gegevens te verstrekken (vonnis 16 januari 2006 sub 1.3.1). Dit alles tezamen wettigt het oordeel dat in het oorspronkelijke geding sprake is geweest van een oneerlijke proceshouding van Monte Cristo en Intertrust als hiervoor onder 3.14 bedoeld, welke oneerlijke proceshouding heeft geleid tot de in dat geding gewezen vonnissen. De vordering van [de dochter] tot heropening van het oorspronkelijke geding is ten aanzien van Monte Cristo en Intertrust dan ook toewijsbaar.

3.17

Voor zover Intertrust zich op het standpunt stelt dat op haar een geheimhoudingsplicht rust, geldt dat zij zich daarop dan in het oorspronkelijke geding had moeten beroepen, opdat daarover in dat geding had kunnen worden geoordeeld, niet pas thans.

3.18

Of en in hoeverre de vorderingen van [de dochter] in het oorspronkelijke geding na heropening kans van slagen hebben, is nu niet aan de orde. Hetgeen Monte Cristo, Intertrust en met name [de kleindochter] op dat punt hebben aangevoerd, moet hier buiten beschouwing blijven.

3.19

Op grond van het voorgaande zal [de dochter] niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tegen Capital Support voor zover de herroepingsvordering zich mede tegen haar richt en zal de vordering van [de dochter] tot heropening ten aanzien van Monte Cristo en Intertrust worden toegewezen. Bij een verklaring voor recht als gevorderd onder (i) heeft [de dochter] gelet daarop geen belang. Onderdeel (iv) van haar petitum kan in de te heropenen zaak aan de orde komen, niet in dit geding. De vorderingen van [de kleindochter] als tussengekomen partij zullen worden afgewezen.

3.20

Voor de goede orde worden partijen erop gewezen dat de stukken uit deze herroepingsprocedure - behoudens dit vonnis - niet zullen worden toegevoegd aan het dossier van de te heropenen zaak. De partijen in het te heropenen geding zullen bij hun (antwoord)conclusie na heropening desgewenst hun voor dat geding relevante stellingen en producties uit de herroepingsprocedure kunnen innemen en inbrengen.

3.21

Bij het voorgaande passen de beslissingen over de proceskosten als in het dictum opgenomen.

in de zaak met nummer 75930/2015 (het art. 12a Rv-verzoek)

3.22

Dit zaaksnummer betreft uitsluitend het artikel 12a Rv-verzoek van [de dochter] tot oproeping van Capital Support om deel te nemen aan de zaak met nummer AR 74634/2015. Dat verzoek is reeds ingewilligd. Voor een kostenveroordeling is hier geen plaats. De kosten zullen worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het Gerecht:

in de zaak met nummer 65991/2013 (de distributiezaak)

4.1

gelast de zaaksvoeging van deze zaak met de zaak met zaaknummer 2139/2000;

4.2

verwijst de zaak naar de rol van maandag 27 november 2017 voor akte uitlating voortprocederen zijdens [de dochter];

4.3

bepaalt dat Monte Cristo, Intertrust en [de kleindochter] op de door de rolrechter te bepalen datum een antwoordakte zullen kunnen nemen;

4.4

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de zaak met nummer 74634/2015 (de herroepingsprocedure)

4.5

verklaart [de dochter] niet-ontvankelijk in haar vordering tot herroeping ten aanzien van Capital Support voor zover die vordering zich mede tegen haar richt;

4.6

veroordeelt [de dochter] in de kosten van het geding aan de zijde van Capital Support gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 2.500 voor gemachtigdensalaris;

4.7

heropent de zaak met zaaksnummer 2139/2000 tussen [de dochter] enerzijds en Monte Cristo en Intertrust anderzijds en gelast de griffier daartoe de zaak 2139/2000 op de rol van maandag 27 november 2017 te plaatsen voor conclusie na heropening geding zijdens [de dochter], waarna Monte Cristo en Intertrust op een door de rolrechter te bepalen datum een antwoordconclusie na heropening geding zullen kunnen nemen;

4.8

veroordeelt Monte Cristo en Intertrust in de kosten van het geding aan de zijde van [de dochter] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 450 aan griffierecht, NAf 1.156,14 aan oproepingskosten en NAf 2.500 voor gemachtigdensalaris;

4.9

wijst af het meer of anders door [de dochter] gevorderde;

4.10

wijst af het door [de kleindochter] als tussengekomen partij gevorderde;

4.11

veroordeelt [de kleindochter] in de kosten van het geding in tussenkomst aan de zijde van [de dochter] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op NAf 2.500 voor gemachtigdensalaris;

4.12

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.13

compenseert de proceskosten tussen alle partijen voor het overige aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in de zaak met nummer 75930/201 (het art. 12a Rv-verzoek)

4.14

verstaat dat reeds op het verzoek is beslist;

4.15

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 september 2017.