Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:11

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
KG 81595/2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitsluitend gebruik echtelijke woning door vrouw na echtscheiding. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall,

--tegen--

[GEDAAGDE],

wonende in Curaçao,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De vrouw heeft op 9 januari 2017 een verzoekschrift ingediend. Vervolgens heeft op 24 januari 2017 de mondelinge behandeling van het kort geding plaatsgevonden, waarbij de vrouw is verschenen bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Tevens zijn [gedaagde] in persoon en zijn broer verschenen. Op voorhand heeft de gemachtigde van de vrouw aan het Gerecht en aan de man aanvullende producties doen toekomen. Beide partijen hebben het woord gevoerd.

1.2.

De man heeft bij aanvang van de zitting verzocht om de zaak aan te houden aangezien hij nog doende was met het zoeken van een nieuwe advocaat, nadat zijn vorige advocaat hem sinds twee dagen voor de zitting niet langer bijstond omdat de man hem niet had betaald. De vrouw heeft bij monde van haar gemachtigde naar voren gebracht dat dit verzoek dient te worden verworpen nu het een spoedeisende zaak betreft en het in de risicosfeer van de man ligt dat hij nog geen bijstand heeft van een advocaat. Na debat hierover heeft de rechter na belangenafweging het aanhoudingsverzoek afgewezen in verband met het spoedeisende karakter van de gevraagde voorzieningen.

1.3.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw zijn op [datum] in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

2.2.

Uit het huwelijk tussen partijen zijn twee minderjarige kinderen geboren, te weten [kind 1] in [geboorte datum] en [kind 2] in [geboorte datum] (verder: de kinderen).

2.3.

Bij beschikking van dit Gerecht van 1 november 2016 is de echtscheiding, op grond van een gemeenschappelijk verzoek, tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 3 november 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

Partijen hebben een convenant overlegd, waarmee zij de gevolgen van hun echtscheiding regelen.

2.5.

Partijen zijn na de echtscheiding blijven samenwonen in de echtelijke woning.

2.6.

Op 16 december 2016 heeft de man de minderjarige [kind 2] (verder: [kind 2]) een klap/tik gegeven in haar gezicht.

2.7.

Op 18 december 2016 is de vrouw met medeneming van de minderjarigen [kind 2] en [kind 1] uit de echtelijke woning vertrokken.

2.8.

Op 25 december 2016 heeft zich een incident afgespeeld in de echtelijke woning, alwaar de vrouw de man aantrof met een andere vrouw.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw heeft het Gerecht verzocht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

a. de vrouw toe te staan met uitsluiting van de man de bewoning van de voormalige echtelijke woning voort te zetten totdat de woning verkocht zal zijn;

b. de man na betekening van het vonnis, een contact- en straatverbod op te leggen, waarbij de man, totdat de woning verkocht zal zijn, zal zijn verboden om op alle mogelijke manieren met de vrouw contact op te nemen, haar te volgen en zich in de straat “[adres]” te bevinden, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met een machtiging voor de vrouw om het vorenstaande desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen;

c. verlof tot tenuitvoerlegging te verlenen door middel van lijfsdwang voor de duur van drie maanden bij overtreding van het uit te spreken vonnis, dan wel een dwangsom van NAf 1.000,00 te bepalen voor iedere overtreding van het uit te spreken vonnis;

d. de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat, nu de man [kind 2] heeft mishandeld, de kinderen getraumatiseerd zijn en de aanwezigheid van de man in de woning niet bevorderlijk is voor het welzijn van de kinderen. Zij heeft voorts aangevoerd dat al jarenlang sprake is van agressief gedrag van de man richting haar en de minderjarigen. De vrouw is eerder ook mishandeld door de man en recent - op 25 december 2016 - is zij door hem met de dood bedreigd en mishandeld. Er is sprake van een onhoudbare situatie, zodat het in redelijkheid niet van partijen kan worden gevergd dat zij de echtelijke woning samen bewonen totdat de woning is verkocht.

3.3.

De man voert verweer tegen de verzochte voorzieningen. De man heeft aangegeven de echtelijke woning niet te willen en ook niet te kunnen verlaten. Hij betoogt dat hij niet over een alternatieve woning beschikt, hij niet bij zijn zieke moeder kan wonen en voorts heeft hij aangegeven dat hij een andere woning evenmin kan financieren. Wat hem betreft kunnen de vrouw en de kinderen weer terugkomen in de echtelijke woning. Hij zal zich dan niet meer bemoeien met de vrouw, waardoor verdere problemen niet te verwachten zijn. Hij betoogt voorts dat hij de kinderen zeker niet mishandelt of heeft mishandeld in het verleden. Hooguit heeft hij [kind 2] weleens een corrigerende tik gegeven als zij brutaal was tegen hem, mede doordat zij wordt opgezet tegen hem door de vrouw. Ook de vrouw heeft hij niet mishandeld. Dat hij de vrouw zou hebben bedreigd klopt ook niet. De vrouw is uit eigen beweging met [kind 2] en de man van haar moeder naar de echtelijke woning gekomen op 25 december 2016. Omdat de man lag te slapen is de man daar erg van geschrokken. Hierdoor is er ruzie ontstaan, die er nooit was gekomen als de vrouw hem gewoon met rust had gelaten. Zij had tenslotte zelf al, uit eigen beweging, de woning verlaten. De man betoogt tenslotte dat een contactverbod niet nodig is. Hij valt de vrouw niet lastig. Bovendien vraagt hij zich af hoe dit zou moeten worden uitgevoerd aangezien hij in zijn woning wenst te blijven wonen en zijn kinderen wil kunnen zien.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van de vrouw in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorlopige voorziening zoals gevorderd. Het navolgende is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

4.2.

Vast staat dat de woning gemeenschappelijk eigendom is van de man en de vrouw. Zij hebben in beginsel dus evenveel recht om daarin te (blijven) wonen. Het komt dus aan op een belangenafweging.

4.3.

De vrouw heeft gemotiveerd en onderbouwd naar voren gebracht dat de samenwoning tussen haar en de man leidt tot veel spanningen in het gezin. Volgens de vrouw is de man erg jaloers en bestookt hij haar regelmatig met allerlei vragen en agressief gedrag betreffende beweerdelijke andere mannen in haar leven. Dit was voor de vrouw de reden om tot een echtscheiding te willen komen, waarna ze in de echtelijke woning is gebleven omwille van de kinderen. Toen [kind 2] op 16 december 2016 werd geslagen door de man was voor de vrouw de maat vol en heeft zij de woning met de kinderen verlaten. Daarna speelde zich nog een incident af op 25 december 2016, toen zij de man betrapte met een andere vrouw en er is gescholden en gedreigd door de man.

4.4.

De man heeft de gemotiveerde stelling van de vrouw, die er op neerkomt dat het samenwonen onmogelijk is geworden, niet in voldoende mate weersproken. Hierdoor is aannemelijk te achten dat de gezinssituatie te gespannen is geraakt, mede als gevolg van de agressieve houding van de man. Het is daarom geen realistische optie dat de vrouw met de kinderen weer terugkeren in de woning, alwaar de man dan tevens zou blijven. Het is in het belang van de kinderen en van de vrouw dat zij weer terug kunnen keren naar hun eigen woning. Dat de man een andere woning niet zou kunnen betalen is door de vrouw gemotiveerd bestreden, als gevolg waarvan dit niet is komen vast te staan. Dit legt dus geen afzonderlijk gewicht in de schaal. Dat het voor de man moeilijk zal zijn om andere huisvesting te zoeken is op zichzelf aannemelijk. Dit weegt echter minder zwaar dan het belang van de vrouw en kinderen bij terugkeer naar de woning. Het Gerecht komt daarom tot de beslissing dat het de vrouw zal worden toegestaan om met uitsluiting van de man de echtelijke woning te bewonen.

4.5.

De vrouw heeft gevorderd dat de voorziening zal gelden totdat de woning zal worden verkocht. Uit het echtscheidingsconvenant maakt het Gerecht op dat partijen voornemens zijn de woning als onverdeeld mede-eigendom te gaan verdelen. Om die reden zal worden bepaald dat de voorziening geldt totdat de woning is verdeeld in plaats van totdat de woning wordt verkocht (aangezien verdeling ook kan geschieden op andere wijze dan door verkoop). Voorts zal de man enige tijd gegund moeten worden om andere huisvesting te regelen. Om deze reden zal de voorziening pas gelding hebben vanaf een week na betekening van dit vonnis.

4.6.

Het gevorderde contactverbod wordt afgewezen. Niet in voldoende mate is aannemelijk geworden dat - met inachtneming van de beslissing over de woning - er reële dreiging bestaat van toekomstig onrechtmatig handelen van de man jegens de vrouw.

4.7.

In de omstandigheid dat partijen ex-echtgenoten zijn ziet het Gerecht aanleiding om de kosten te compenseren, aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het Gerecht, oordelend in kort geding:

staat de vrouw toe met ingang van 1 week na betekening van het vonnis met uitsluiting van de man de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten totdat de woning verdeeld zal zijn;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, lid van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017, in aanwezigheid van de griffier.