Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:109

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-08-2017
Datum publicatie
04-09-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201600317 tot en met 201600319
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende was in het jaar 2014 ingezetene van Curaçao en daarom verzekerde en premieplichtig voor de volksverzekeringen. Hij heeft een pre- pensioenuitkering ontvangen van het ABP uit Nederland. Deze uitkering behoort tot zijn premie inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 30 augustus 2017

BBZ nrs. CUR201600317 tot en met 201600319

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende te Nederland,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 23 december 2015 aanslagen premie AOV/AWW, premie AVBZ en premie BVZ voor het jaar 2014 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 5 januari 2016 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 8 april 2016 heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar op 2 juni 2016 in beroep gekomen. De Inspecteur heeft verweerschriften ingediend.

1.4

De zaak is behandeld ter zitting van 24 april 2017 te Willemstad, waarbij namens de Inspecteur is verschenen, [ A ]. Belanghebbende is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.

2.2

Belanghebbende was in het jaar 2014 ingezetene van Curaçao. Hij heeft in dat jaar een pre-pensioenuitkering ontvangen van het ABP uit Nederland. Volgens de tot de stukken van het geding behorende jaaropgave van het ABP bedroeg de uitkering euro 55.699, waarop euro 11.664 aan (Nederlandse) loonheffing is ingehouden.

2.3

Belanghebbende heeft over het onderhavige jaar een aangiftebiljet ingediend, waarin hij Naf. 1.314 als opbrengst uit bedrijf en beroep heeft aangegeven en Naf. 6.772 in aftrek heeft gebracht als (negatieve) voordelen uit eigen woning (persoonlijke lasten).

2.4

De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslagen het ABP-prepensioen van euro 55.699, ofwel omgerekend 55.699 x 2,3655 = Naf. 131.755, bij het inkomen geteld. Zij heeft het premie-inkomen vastgesteld op respectievelijk Naf.100.000 (AOV), Naf. 133.069 (BVZ), en Naf. 126.297. De aanslagen zijn vastgesteld op

Naf. 16.000 (AOV), Naf. 12.882 (BVZ) en Naf. 2.525 (AVBZ).

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen terecht en zo ja, naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende voert aan dat hem niet duidelijk is gemaakt hoe deze aanslagen tot stand zijn gekomen. Hij wordt nu aangeslagen als kleine ‘zelfstandige’, wat naar zijn mening niet terecht is. De te betalen AOV-premie is voor hem niet acceptabel, die overstijgt zelfs een particuliere verzekeringspremie. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de aanslag premie AOV/AWW eerder te laag dan te hoog is vastgesteld en dat de overige aanslagen juist zijn.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Het staat vast dat belanghebbende in 2014 ingezetene was van Curaçao. Hieruit volgt dat, nu gesteld noch gebleken is dat hij op grond van het Landsbesluit beperking kring verzekerden AVBZ en het Landsbesluit uitbreiding en beperking kring verzekerden (AOV) niet verzekerd is of is vrijgesteld, hij tot de kring van verzekerden voor de AOV/AWW, BVZ en AVBZ behoort en premieplichtig is in Curaçao (artikel 5 in verbinding met artikel 23 van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (LvAOV), artikel 6 in verbinding met artikel 26 van de Landsverordening Algemene Weduwen- en wezenverzekering (LvAWW), artikel 2.1 in verbinding met artikel 6.2 van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (LvBVZ) en artikel 4 in verbinding met artikel 20 en 22 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (LvAVBZ)). Belanghebbende moet aldus premie betalen over zijn premie-inkomen.

4.2

Het premie-inkomen is, per verzekeringswet op eigen wijze, afgeleid van het inkomen, zoals dat is bepaald in de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LvIB). Voor de heffing van inkomstenbelasting worden natuurlijke personen die in Curaçao wonen op grond van artikel 1 in verbinding met artikel 3 LvIB belast voor hun totale wereldinkomen. Het is daarbij niet van belang, waar ter wereld dat inkomen is verkregen. Tot dit wereldinkomen behoort in het onderhavige geval het ABP-prepensioen. Dat betekent dat het ABP-inkomen ook tot de verschillende premie-inkomens behoort. De omstandigheid dat voor de heffing van de inkomstenbelasting aftrek ter voorkoming van dubbele belasting wordt verleend doet daar niet aan af, nu die aftrek slechts een vermindering tot gevolg heeft van de te betalen inkomstenbelasting en niet van het inkomen. Het belastbaar inkomen in de zin van de LvIB is Naf.133.069 -/- Naf. 6.772 = Naf. 126.297. Het zuiver inkomen is eveneens Naf. 126.297 en het inkomen vóór aftrek van persoonlijke lasten bedraagt Naf. 133.069.

4.3

De premie AOV wordt geheven over het premie-inkomen, zijnde het belastbaar inkomen in de zin van de LvIB (artikel 26, lid 2 LvAOV). Het premiepercentage bedraagt 15% (artikel 27, lid 1 LvAOV). Indien het inkomen meer bedraagt dan Naf. 100.000 per jaar, wordt over dat meerdere een premie van 1% geheven (artikel 26, lid 3 LvAOV. De premie AWW wordt geheven over het premie-inkomen, zijnde het zuiver inkomen in de zin van de LvIB (artikel 29, lid 2, LvAWW). Het premiepercentage bedraagt 1% (artikel 30, lid 1, LvAWW). Indien het inkomen meer bedraagt dan Naf. 100.000 per jaar, wordt over dat meerdere geen premie geheven (artikel 29, lid 3 LvAWW). Van belanghebbende is geheven 16% van Naf. 100.000 = Naf. 16.000. Dat is minder dan de wettelijk verschuldigde premie.

4.4

De premie AVBZ wordt geheven over het premie-inkomen, zijnde het belastbaar inkomen in de zin van de LvIB (artikel 20, lid 4, LvAVBZ). Het premiepercentage bedraagt 2%. Van belanghebbende is geheven: Naf. 2.525, dat is 2% van Naf. 126.297. Dat is conform de wettelijke regeling.

4.5

De premie BVZ wordt geheven over het premie-inkomen, zijnde het inkomen in de zin van de LvIB vóór aftrek van de persoonlijke lasten (artikel 6.7, lid 1 en artikel 1.1, letter o, LvBVZ). Het premiepercentage over het inkomen bedraagt over de eerste 10 maanden 12% over een maximum jaarinkomen van Naf. 100.000 (artikelen 2, lid 1 en 4, Landsbesluit vaststelling premie, premie-inkomensgrenzen, eigen bijdrage en toeslag basisverzekering ziektekosten en premie ziekteverzekering (hierna LbBVZ), PB 2013-94) en over de laatste 2 maanden 13,6% over een maximum jaarinkomen van Naf. 150.000 (artikelen 2, lid 1 en 4 LbBVZ, PB 2014-95). Van belanghebbende is geheven Naf. 12.882. Dat is 10/12 x Naf. 100.000 x 12% = Naf. 10.000, vermeerderd met 2/12 x Naf. 133.069 x 13% = Naf. 2.883. Dat is conform de wettelijke regeling.

4.6

De omstandigheid dat de Inspecteur, in de ogen van belanghebbende, niet duidelijk heeft gemaakt op basis waarvan de aanslagen tot stand zijn gekomen kan niet leiden tot vernietiging van de aanslagen. In de aanslagen zijn terecht zowel het werkgeversdeel als het werknemersdeel van de premies begrepen, nu er geen Curaçaose premies zijn ingehouden of afgedragen. Dat er wel Nederlandse loonheffing is ingehouden doet daar niet aan af. Nu de wettelijke regelingen op juiste wijze, of in het geval van de premieheffing AOV/AWW in het voordeel van belanghebbende, zijn toegepast, kunnen ook voor het overige de grieven van belanghebbende niet leiden tot verlaging van de aanslagen. Het beroep is ongegrond.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

Het Gerecht acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

6 DE BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 augustus 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschrift zijn per post/per e-mail op …………………………………. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).