Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:107

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
25-08-2017
Datum publicatie
30-08-2017
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201600613
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet- ontvankelijk. Het Gerecht is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar geacht wordt mede betrekking te hebben op de alsnog genomen beslissing (reële uitspraak op bezwaar) van de Inspecteur. Dit lijdt uitzondering indien de Inspecteur volledig aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoet gekomen. Dat is hier gebeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 25 augustus 2017

BBZ nr. CUR201600613

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

Op het beroep in de zin van de

landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende in Curaçao,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 31 oktober 2014 voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting naar een belastbare inkomen van Naf. 722.959 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 26 november 2014 tegen de aanslag inkomstenbelasting in bezwaar gekomen.

1.3

Belanghebbende is op 25 augustus 2016 in beroep gekomen tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Ter zake van de indiening van het beroepschrift heeft belanghebbende een bedrag van Naf. 50,- aan griffierecht voldaan.

1.4

De Inspecteur heeft op 21 april 2017 een verweerschrift ingediend.

1.5

De Inspecteur heeft op 19 mei 2017 uitspraak op bezwaar gedaan en het heeft het bezwaar toegewezen. Het belastbare inkomen is vastgesteld in overeenstemming met het door belanghebbende in bezwaar aangegeven bedrag van Naf. 691.938.

1.6

Partijen zijn opgeroepen tot het bijwonen van een zitting. In dat verband is op 25 april 2017 te Willemstad namens belanghebbende verschenen [ A ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ B ]. De zitting is aangehouden om partijen de gelegenheid te geven zich uit te laten over de hoogte van de aanslag. Partijen hebben het Gerecht nadien in kennis gesteld dat uitsluitend nog in geschil is de kostenvergoeding van de procedure en dat het Gerecht uitspraak kan doen.

2 BEOORDELING VAN HET BEROEP

2.1

In artikel 30, lid 2, van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is geregeld dat met een uitspraak wordt gelijkgesteld het weigeren dan wel niet tijdig doen van de uitspraak. Een uitspraak wordt geacht niet tijdig te zijn gedaan indien de Inspecteur niet binnen negen maanden na ontvangst van het bezwaarschrift een uitspraak heeft gedaan. Behoudens verlenging van genoemde termijn ingevolge artikel 30, lid 3 van de ALL. Het bezwaarschrift is op 26 november 2014 ingediend. Nu van verlenging van de termijn geen sprake is betekent dit dat de Inspecteur uiterlijk op 26 augustus 2015 uitspraak op bezwaar had moeten doen. Dit is niet gebeurd. Belanghebbende is ingevolge artikel 31, lid 1 van de ALL op 25 augustus 2016 in beroep gekomen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Nadien heeft de Inspecteur (19 mei 2017) uitspraak gedaan op het bezwaarschrift. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard nu de Inspecteur inmiddels op het bezwaarschrift heeft beslist en niet is gebleken dat belanghebbende overigens nog belang heeft bij gegrondverklaring van het beroep.

2.2

In zijn algemeenheid heeft naar het oordeel van het Gerecht te gelden dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar geacht wordt mede betrekking te hebben op de alsnog genomen beslissing (reële uitspraak op bezwaar) van de Inspecteur. Dit lijdt uitzondering indien de Inspecteur volledig aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoet gekomen. Dat is hier gebeurd. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen en de belasting vastgesteld in overeenstemming met de door belanghebbende in zijn bezwaarschrift vermelde bedragen. Partijen hebben in de beroepsfase te kennen gegeven dat over de hoogte van het belastbare inkomen en de hoogte van de aanslag geen geschil meer bestaat.

2.3

Het voorgaande brengt met zich mee dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet- ontvankelijk wordt verklaard.

3 PROCESKOSTENVERGOEDING

3.1

Het Gerecht overweegt dat belanghebbende geen recht kan doen gelden op kostenvergoeding van de bezwaarfase. Immers niet is gebleken dat hij in overeenstemming met artikel 32a ALL om kostenvergoeding van bezwaar heeft verzocht voordat de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Met betrekking tot de beroepsfase heeft belanghebbende (zie pleitnota) verzocht om een kostenvergoeding toe te passen welke in overeenstemming is met de door het Gerecht gevolgde gedragslijn. Naar het Gerecht begrijpt ziet belanghebbende hiermee af van zijn eerder verzoek op vergoeding van de werkelijke kosten van minimaal Naf. 1.000.

3.2

Het Gerecht ziet aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen nu de Inspecteur aan de bezwaren van belanghebbende is tegemoetgekomen. Hierbij wordt opgemerkt dat de gegrondverklaring van het beroep geen vereiste is voor een vergoeding van proceskosten. In artikel 15, lid 2 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) is bepaald dat de regels over de kosten en de wijze van de berekeningen van de hoogte daarvan, bij of krachtens landsbesluit, houdende algemene maatregelen worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (zie ook Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54). In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen waaronder de kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. Het Gerecht stelt vast dat er sprake is van door een derde beroepsmatig verleende bijstand. De kosten hiervoor worden op forfaitaire wijze berekend.

3.3

Op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit, kunnen de proceskosten in principe berekend op Naf. 350 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 25 april 2017 met een waarde per punt van Naf. 700, en een wegingsfactor van ¼). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak

(beroep tegen een fictieve weigering) als zeer licht moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op ¼.

4 GRIFFIERECHT

In artikel 18, lid 5 van de LBB is bepaald dat, indien het Gerecht het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart, de uitspraak tevens inhoudt dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoedt. In dit geval is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet- ontvankelijk verklaard doch is de Inspecteur aan de bezwaren van belanghebbende tegemoetgekomen. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee dat ook in het onderhavige geval een vergoeding van griffierecht door de Inspecteur plaats dient te vinden.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar niet- ontvankelijk;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende in beroep tot een bedrag van Naf. 350;

- draagt de Inspecteur op het griffierecht groot Naf. 50 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2017, in tegenwoordigheid van de griffier, N.N. Noël van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).