Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2017:10

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-01-2017
Datum publicatie
09-02-2017
Zaaknummer
KG 80991/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Doorbetaling loon na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Goed werkgeverschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/734
Verrijkte uitspraak

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

Noris [EISERES],

wonend in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. M. Peelen,

--tegen--

de stichting

STICHTING VERPLEEGHUIZEN CURAÇAO,

gevestigd te Curaçao,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Betèsda genoemd worden.

1 Verloop van de procedure

1.1. [

Eiseres] heeft op 15 november 2016 een verzoekschrift met producties ingediend. Vervolgens heeft Betèsda op 7 december 2016 een verweerschrift met producties ingediend. [Eiseres] heeft aanvullende producties overgelegd op 13 december 2016 en Betèsda op 14 december 2016. Op 15 december 2016 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [Eiseres] is verschenen bij [Eiseres] (haar zoon) bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Betèsda is verschenen bij L. de Palm-Braaf (directeur) en (HRM). Mevrouw De Palm-Braaf heeft namens Betèsda het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

eiseres], geboren op 24 november 1955, is sinds 1 september 2001 in dienst van Betèsda als zorgverlener. Haar laatstverdiende salaris bedraagt NAf 2.680,00 bruto per maand.

2.2.

Sinds 13 januari 2014 is [eiseres] volledig arbeidsongeschikt in verband met een ongeneeslijke ziekte.

2.3.

Bij formulier d.d. 16 september 2015 heeft [eiseres] een aanvraag voor ouderdomspensioen bij verzekeringsmaatschappij Ennia ingediend.

2.4.

Op 15 oktober 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Betèsda en [eiseres], waarin is afgesproken is dat Betèsda [eiseres] bij Ennia zou aanmelden voor een arbeidsongeschiktheidspensioen.

2.5.

Sinds 1 november 2015 ontvangt [eiseres] een ouderdomspensioen ad NAf 289,17 per maand van Ennia.

2.6.

Bij brief van 15 december 2015 heeft Betèsda aan Ennia bericht dat zij in verband met de langdurigheid van de ziekte van [eiseres] een medische herkeuring van [eiseres] wenst in verband met het hervatten van haar werkzaamheden binnen Betèsda. Deze brief is aan te merken als een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidspensioen voor [eiseres]. Voor zover bekend heeft Ennia hierop tot op heden geen beslissing genomen.

2.7.

Betèsda heeft het loon van [eiseres] tot en met 31 december 2015 doorbetaald.

2.8.

Bij brief d.d. 24 februari 2016 en d.d. 5 oktober 2016 is namens [eiseres] aanspraak gemaakt op doorbetaling van het loon vanaf januari 2016.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] vordert dat het Gerecht, oordelend in kort geding, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- bepaalt dat het besluit van Ennia Curaçao om aan verzoekster een

pensioenuitkering toe te kennen nietig is dan wel vernietigbaar is op grond van het feit dat het besluit in strijd met het pensioenreglement van de Stichting Verpleeghuizen Curacao en niet op de juiste wijze tot stand is gekomen c.q. genomen, dan wel op gronden als door UEA te bepalen; en/of

- gedaagde veroordeelt tot betaling aan verzoekster van het niet uitbetaalde

salaris vanaf 1 januari 2016 tot op heden dan wel tot datum vonnis, vermeerderd met de vertragingsrente conform artikel 7A:1614q BWNA, althans de wettelijke rente; en

- gedaagde veroordeelt tot betaling aan verzoekster van het salaris vanaf 1

november 2016 dan wel vanaf de datum vonnis met alle emolumenten totdat het dienstverband met verzoekster rechtsgeldig zal zijn opgezegd en beëindigd;

althans

  • -

    al het bovenstaande door U.EA in goede justitie te bepalen,

  • -

    kosten rechtens met inbegrip der griffiekosten, rente en nakosten, onder de

bepaling dat over het bedrag van de toegewezen proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf 14 dagen na de datum van vonniswijzing; en

- verzoekster verlof te verlenen om kosteloos te procederen nu zij onvermogend

is de proceskosten te dragen (zie productie 11).

3.2. [

Eiseres] heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. De arbeidsovereenkomst tussen partijen bestaat nog. Betèsda dient het salaris van [eiseres] per 1 januari 2016 derhalve aan haar te voldoen. Het besluit van Ennia om [eiseres] een ouderdomspensioen toe te kennen is nietig dan wel vernietigbaar.

3.3.

Betèsda heeft het volgende tot verweer gevoerd. [eiseres] heeft buiten Betèsda om een ouderdomspensioen aangevraagd. Door het besluit van Ennia om [eiseres] een ouderdomspensioen uit te keren en dit vervolgens ook te doen, heeft Betèsda geen rol meer als werkgever. De arbeidsovereenkomst is door de aanvraag voor een ouderdomspensioen door [eiseres] beëindigd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. [

Eiseres] heeft het Gerecht verzocht kosteloos te mogen procederen. Gelet op het door haar ingebrachte bewijs van onvermogen, zal het Gerecht haar daartoe toelaten.

4.2.

Ter beantwoording staat allereerst de vraag of de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is geëindigd. Naar het voorshands oordeel van het Gerecht is dat niet het geval. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.3.

Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst tussen hen niet

- uitdrukkelijk - is opgezegd. Vooralsnog is niet gebleken dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een andere wijze is beëindigd. Anders dan Betèsda meent, is de aanvraag van [eiseres] voor een ouderdomspensioen bij Ennia niet aan te merken als een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van [eiseres] die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Betèsda te bewerkstelligen. De omstandigheid dat Ennia het ouderdomspensioen aan [eiseres] heeft uitgekeerd, kan ook niet worden aangemerkt als een verklaring van [eiseres] of Betèsda gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uit de stelling van Betèsda dat zij een arbeidsongeschiktheidspensioen voor [eiseres] wenste aan te vragen en zij op 15 oktober 2015 met [eiseres] heeft afgesproken dat zij het arbeidsongeschiktheids-pensioen zou aanvragen, volgt juist dat de wil om de arbeidsovereenkomst te beëindigen ontbrak. Als er een arbeidsongeschiktheidspensioen wordt toegekend blijft immers, volgens Betèsda, de arbeidsovereenkomst van kracht. Gebleken is niet van een andere gedraging van Betèsda of [eiseres] waaruit kan blijken dat een van hen de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd of willen beëindigen.

4.4.

Het Gerecht gaat er voorshands derhalve vanuit dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog van kracht is. Dit brengt echter niet - zonder meer - de verplichting voor Betèsda mee om per januari 2016 loon aan [eiseres] te betalen. Immers, per 13 januari 2016 is [eiseres] meer dan twee jaren arbeidsongeschikt en sindsdien heeft zij geen werk voor Betèsda verricht. Ingevolge artikel 7A:1614b BW is Betèsda, in beginsel, geen loon verschuldigd voor de tijd gedurende welke [eiseres] de bedongen arbeid niet heeft verricht.

4.5.

Daarmee komt het Gerecht toe aan de vraag of in dit geval van Betèsda, als goed werkgever, verwacht mag worden dat zij het loon aan [eiseres] doorbetaalt, omdat zij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van Betèsda behoort te komen. Het Gerecht beantwoordt deze vraag voorshands bevestigend en licht dit als volgt toe.

4.6.

Partijen hebben op 15 oktober 2015 - vooruitlopend op de destijds naderende datum van twee jaren arbeidsongeschiktheid van 13 januari 2016 - afgesproken dat Betèsda een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidspensioen voor [eiseres] bij Ennia zou indienen, op grond waarvan [eiseres] een uitkering van 80% van haar loon zou ontvangen. Betèsda heeft dit ook gedaan, maar ondanks herhaalde verzoeken daartoe, geen beslissing van Ennia mogen ontvangen. Vervolgens is de datum van 13 januari 2016 verstreken en hebben beide partijen gedurende langere tijd min of meer stilgezeten. Dit stilzitten komt in beginsel voor risico van Betèsda als werkgever. Als goed werkgever had Betèsda na het verstrijken van de datum van 13 januari 2016 [eiseres] moeten verzoeken om op grond van de arbeidsovereenkomst arbeid te verrichten of, in geval van voortdurende arbeidsongeschiktheid, moeten onderzoeken welke gevolgen dat voor de arbeidsovereenkomst heeft. Betèsda was ermee bekend dat [eiseres] ongeneeslijk ziek is. Op z’n minst had Betèsda, als goed werkgever, omstreeks 13 januari 2016 aan [eiseres] kenbaar moeten maken wat de status van haar dienstverband was en welke gevolgen haar langdurige arbeidsongeschiktheid voor haar loonaanspraken zou hebben. Gesteld noch gebleken is echter dat Betèsda een dergelijke handeling heeft verricht. Integendeel, Betèsda heeft een reactie van Ennia op de aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidspensioen afgewacht. In deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet aan [eiseres] worden tegengeworpen dat zij sinds 13 januari 2016 geen arbeid heeft verricht. Nu de arbeidsovereenkomst voortduurt en Betèsda niet aan [eiseres] kan tegenwerpen dat zij sinds 13 januari 2016 geen arbeid heeft verricht, dient Betèsda het loon ad NAf 2.680,00 bruto per maand vanaf die datum alsnog aan [eiseres] te betalen. Het loon over de periode van 1 tot 13 januari 2016 dient Betèsda naar eigen zeggen op grond van de collectieve arbeidsovereenkomst aan [eiseres] te betalen. Ingevolge artikel 7A:1614c lid 2 BW moet het loon worden verminderd met het door [eiseres] ontvangen bedrag van de ouderdomspensioenuitkering ad NAf 289,17 per maand. Naar het Gerecht ter zitting heeft begrepen betreft dit een nettobedrag.

4.7.

Voor zover partijen Ennia een laakbaar handelen verwijten doordat zij het ouderdomspensioen niet aan [eiseres] had mogen toekennen maar wel een arbeidsongeschiktheidspensioen, gaat dit de beoordeling in het onderhavige geschil te buiten. Ennia is geen partij in deze procedure. Overigens volgt uit de stellingen van partijen en de gedingstukken ook niet dat Ennia in naam van Betèsda heeft gehandeld. Gedragingen of handelingen van Ennia kunnen dan ook niet - zonder meer - aan Betèsda als werkgever worden toegerekend. De stellingen van partijen behoeven op dit onderdeel derhalve geen verdere bespreking. De vordering van [eiseres] om te verklaren dat het besluit van Ennia om [eiseres] een pensioenuitkering toe te kennen, nietig of vernietigbaar is, zal worden afgewezen.

4.8.

Gezien het voorgaande is met voldoende mate van zekerheid te verwachten dat de bodemrechter de loonvordering van [eiseres] gedeeltelijk zal toewijzen. Ingevolge artikel 7A:1614q BW is Betèsda de vertragingsrente over het loon verschuldigd. Deze wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10% en worden toegewezen, zoals gevorderd, tot 1 november 2016. In dit kort geding is de vordering derhalve toewijsbaar als volgt.

4.9.

Betèsda zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 358,81 aan explootkosten, NAf 1.000,00 aan gemachtigdensalaris en NAf 450,00 aan griffierechten. De gevorderde nakosten zijn slechts verschuldigd nadat Betèsda 14 kalenderdagen na aanschrijving de tijd heeft gehad om alsnog in der minne aan het gewezen vonnis te voldoen. Deze kosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

5.1.

staat de werknemer toe kosteloos te procederen;

5.2.

veroordeelt Betèsda om aan [eiseres] te betalen het loon ad NAf 2.680,00 bruto per maand verminderd met het door [eiseres] ontvangen bedrag van de ouderdomspensioenuitkering ad NAf 289,17 per maand vanaf 1 januari 2016 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd;

5.3.

veroordeelt Betèsda om aan [eiseres] te betalen de tot 10% gematigde wettelijke verhoging over het loon ad NAf 2.680,00 bruto per maand verminderd met het door [eiseres] ontvangen bedrag van de ouderdomspensioenuitkering ad NAf 289,17 per maand, vanaf 1 januari 2016 tot 1 november 2016;

5.3.

veroordeelt Betèsda in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op NAf 1.358,81, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

5.4.

veroordeelt Betèsda in de na dit vonnis ontstane kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, onder de voorwaarde dat Betèsda niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;

5.5.

veroordeelt Betèsda aan de griffier van dit Gerecht te betalen de in debet gestelde griffierechten ad NAf 450,00;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis in kort geding is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2017.