Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:83

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
29-08-2016
Datum publicatie
22-09-2016
Zaaknummer
AR 78130/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. H.W. Braam,

tegen

[GEDAAGDE] ,

wonende te Curaçao,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen zullen hierna RBC en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties bij het Gerecht ingekomen op 15 maart 2016;

  • -

    de conclusie van antwoord bij het Gerecht ingekomen op 30 mei 2016;

  • -

    de op 11 augustus 2016 door RBC overgelegde producties;

  • -

    de comparitie van partijen d.d. 18 augustus 2016.

1.2.

Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

RBC vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van a) NAf 43.711,44 wegens een openstaande lening met rente en kosten, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 3,35% per jaar vanaf 30 december 2015, en b) NAf 16,24 wegens overtrekking rekening courant, te vermeerderen met de overeengekomen boeterente van 24% per jaar vanaf 30 december 2015, een en ander vermeerderd met de incassokosten ad NAf 6.559,15 en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

2.2.

RBC legt aan haar vordering (ad a) ten grondslag dat partijen op 13 november 2014 een overeenkomst hebben gesloten waarbij RBC aan [gedaagde] een bedrag van NAf 67.796,00 inclusief afsluitingskosten heeft geleend voor de aanschaf van een auto. RBC stelt dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaning is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen. Hij is derhalve de overeengekomen rente en boeterente verschuldigd. RBC legt aan de vordering (ad b) ten grondslag dat [gedaagde] NAf 16,24 verschuldigd is in verband met overtrekking rekening courant. Op grond van de algemene voorwaarden van RBC is [gedaagde] de overeengekomen rente ad 24% over dat bedrag verschuldigd. Beide vorderingen zijn op grond van de algemene voorwaarden van RBC in hun geheel opeisbaar geworden. Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] voorts buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd.

2.3. [

gedaagde] betwist niet dat hij het van RBC geleende bedrag pro resto verschuldigd is, maar stelt als verweer dat de door RBC via de veiling verkochte auto meer waard is dan deze heeft opgebracht. Het Gerecht overweegt omtrent dit verweer als volgt.

2.4.

RBC baseert zich op het taxatierapport van expertisebureau All-In van 18 september 2015. Uit dat taxatierapport blijkt, voor zover van belang, dat de auto een executiewaarde van NAf 28.000,00 heeft. Gebleken is niet dat deze waardebepaling ondeugdelijk zou zijn. De auto is immers via de openbare verkoop verkocht voor NAf 30.000,00, hetgeen meer is dan de getaxeerde executiewaarde. De enkele - niet met stukken onderbouwde - stelling van [gedaagde] dat de auto nog nieuw was en bij verkoop zeker NAf 50.000,00 à NAf 55.000,00 zou moeten opbrengen, is tegenover het onderbouwde standpunt van RBC onvoldoende om tot een andere slotsom te komen. Het verweer van [gedaagde] wordt derhalve - als onvoldoende gemotiveerd - verworpen.

2.5.

Daarmee komt het Gerecht toe aan de beoordeling van de hoogte van de vordering van RBC. Uit de door RBC overgelegde specificatie blijkt dat de resterende hoofdsom - na aftrek van een aantal door [gedaagde] verrichte betalingen en de opbrengst uit de openbare verkoop van de auto - NAf 39.943,38 bedraagt. Het Gerecht acht dit bedrag als niet weersproken toewijsbaar.

2.6.

Niet in geschil is dat [gedaagde] de overeengekomen rente over het (resterende) geleende bedrag en de overeengekomen boeterente wegens niet nakoming verschuldigd is. De tot 5 november 2015 verschenen overeengekomen rente ad 6,19% per jaar (NAf 3.080,54), de tot 5 november 2015 verschenen overeengekomen boeterente ad 5% per jaar (NAf 175,38) en de in periode van 5 november 2015 tot 29 december 2015 verschenen overeengekomen rente ad 6.19% per jaar (NAf 402,13) zijn derhalve toewijsbaar zoals gevorderd. Het Gerecht zal de gevorderde overeengekomen rente ad 3,35% per jaar vanaf 30 december 2015 toekennen over de hoofdsom van NAf 39.943,38, nu onvoldoende is gebleken dat [gedaagde] vanaf die datum over meer dan de hoofdsom rente verschuldigd is.

2.7.

Ter comparitie is gebleken dat de door RBC gevorderde “late charge” ad NAf 110,00 niet tussen partijen is overeengekomen. Nu [gedaagde] dit bedrag niet verschuldigd is, zal dit gedeelte van de vordering worden afgewezen.

2.8.

Het voorgaande brengt met zich dat de vordering van RBC betreffende de geldlening (ad a) zal worden toegewezen tot NAf 43.601,43, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 3,35% per jaar over NAf 39.943,38 vanaf 30 december 2015 tot de dag der algehele voldoening.

2.9.

De vordering ad NAf 16,24 wegens overtrekking rekening courant (ad b) zal als niet weersproken worden toegewezen. De gevorderde overeengekomen rente ad 24% per jaar over dit bedrag wordt door het Gerecht gematigd tot 18% per jaar. Partijen zijn in beginsel vrij overeen te komen welke rente over het geleende bedrag verschuldigd zal zijn. Die vrijheid is echter begrensd. Deze grens is in dit geval overschreden. De overeenkomst is wegens strijd met de goede zeden nietig voor zover die voorziet in een renteverplichting van meer dan 18% per jaar.

2.10.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten komen het Gerecht bovenmatig voor en zullen conform hetgeen in het Procesreglement 2016 is geregeld worden gematigd tot 1,5 punt van liquidatietarief 5, zijnde het gebruikelijke en algemeen als redelijk aanvaarde tarief. Dit deel van de vordering van RBC zal derhalve worden toegewezen tot NAf 1.875,00.

2.11. [

Gedaagde] heeft gesteld dat hij wegens zijn persoonlijke omstandigheden niet in staat is RBC te betalen en daarom een betalingsregeling wenst. Een betalingsregeling zal [gedaagde] met RBC moeten afspreken. In een vonnis wordt een dergelijke regeling niet neergelegd, alleen al vanwege de praktische onuitvoerbaarheid daarvan. Het Gerecht geeft [gedaagde] in overweging, zoals ter comparitie ook reeds is besproken, om zich tot de gemachtigde van RBC te wenden om te spreken over de eventuele mogelijkheden van een betalingsregeling.

2.12.

Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van RBC. De verschotten worden vastgesteld op NAf 251,50 aan oproepingskosten en NAf 750,00 wegens griffierechten. Aan gemachtigdensalaris zal een bedrag gelijk aan twee punten van liquidatietarief 5 (NAf 2.500,00) worden toegekend.

3 De beslissing

Het Gerecht:

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan RBC van een bedrag van NAf 45.492,67, vermeerderd met de overeengekomen rente ad 3,35% per jaar over NAf 39.943,38 vanaf 30 december 2015 tot de dag der algehele voldoening en vermeerderd met de beperkte overeengekomen rente ad 18% per jaar over NAf 16,24 vanaf 30 december 2015 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van RBC tot op heden begroot op NAf 1.001,50 aan verschotten en NAf 2.500,00 aan gemachtigdensalaris;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2016.