Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:80

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
09-09-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
BBZ nrs. 68089, 68090 en 68091 van 2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht acht het in strijd met de goede procesorde om minder dan één dag voor de comparitie een verzoek te doen tot uitstel met als reden dat het contact tussen gemachtigde en belanghebbende wat verwaterd was. Naar het oordeel van het Gerecht is het uitstel terecht geweigerd. Ingevolge artikel 5, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken moet het beroepschrift met redenen zijn omkleed. Belanghebbende heeft het beroep niet gemotiveerd, ook niet nadat hij tweemaal op het verzuim is gewezen. In dat geval is het beroep kennelijk niet ontvankelijk. Het Gerecht komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 9 september 2016

BBZ nrs. 68089, 68090 en 68091 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

Na vereenvoudigde behandeling van het beroep in de zin van artikel 7a van de

Landsverordening op het beroep in Belastingzaken in het geding tussen:

X, woonachtig te Curaçao

belanghebbende

en:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

De Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 1 november 2013 over het jaar 2011 aanslagen inkomstenbelasting (IB) en premieheffing AOV/AWW en AVBZ opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 5 november 2013 tegen de tegen de aanslagen IB, AOV/AWW en AVBZ 2011 in bezwaar gekomen.

1.3

Met dagtekening 28 februari 2014 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 17 april 2014 in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. De Inspecteur heeft op 8 juni 2016 verweerschriften ingediend.

1.5 (

De gemachtigde van) belanghebbende en de Inspecteur zijn op respectievelijk 26 en 29 april 2016 overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen op 15 juni 2016 om 9.00 uur (comparitie). Op 14 juni om 15.29 uur heeft de gemachtigde een email aan de belastinggriffie verzonden met het verzoek om nader uitstel om inhoudelijk op de opgelegde aanslagen in te kunnen gaan. Als reden is opgegeven dat het contact tussen cliënte en het kantoor van gemachtigde wat verwaterd was. Diezelfde dag heeft het Gerecht aan de gemachtigde meegedeeld dat het Gerecht niet akkoord gaat met het verzoek om uitstel. Op 15 juni 2016 heeft het Gerecht rond 9.00 uur telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde, waarbij gemachtigde medegedeeld heeft dat hij niet bij de behandeling van de zaak aanwezig zal zijn. Bij de comparitie op 15 juni 2016 te Willemstad is namens de Inspecteur verschenen mr. A. Namens belanghebbende is niemand verschenen. Het Gerecht acht het in strijd met de goede procesorde om minder dan één dag voor de comparitie een verzoek te doen tot uitstel met als reden dat het contact tussen gemachtigde en belanghebbende wat verwaterd was. Naar het oordeel van het Gerecht is het uitstel terecht geweigerd.

2 OVERWEGINGEN OMTRENT HET BEROEP

2.1

Ingevolge artikel 7a, letter b LBB kan het Gerecht, totdat partijen zijn uitgenodigd voor de behandeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk niet ontvankelijk is.

2.2

Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van negatief Naf. 2.651. Bij het opleggen van de aanslag is de Inspecteur afgeweken van de aangifte. De Inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen vastgesteld op Naf. 62.651. In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd en daarbij onder meer het volgende meegedeeld: “Uw aangegeven inkomen komt neer op een heel laag netto besteedbare inkomen. Het is niet duidelijk op welke wijze U in Uw levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Het inkomen is daarom vastgesteld op een niveau (fl. 62651) dat gesteld kan worden dat U hiermee in staat bent om tenminste in Uw noodzakelijke levensonderhoud te voorzien”.

2.3

De gemachtigde van belanghebbende, B van Y, heeft op 17 april 2014 pro forma beroep aangetekend tegen de uitspraken op bezwaar. In het beroepschrift met betrekking tot de aanslag IB 2011 is de volgende passage opgenomen.

“Namens onze in aanhef genoemde cliënt, komen wij pro forma in beroep tegen de bovengenoemde aanslag inkomstenbelasting 2011.

Wij verzoeken u toe te staan dit beroepschrift in een later stadium te mogen motiveren.”

In de beroepschriften inzake de AOV/AWW en AVBZ 2011 zijn soortgelijke passages opgenomen.

2.4

De griffie van de Raad van Beroep voor Belastingzaken heeft bij brief van 5 mei 2014 aan de gemachtigde meegedeeld dat de ingediende beroepschriften niet voldoen aan de daaraan gestelde eisen aangezien ze niet of niet voldoende zijn gemotiveerd. De gemachtigde wordt in de gelegenheid om dat verzuim binnen 6 weken te herstellen. Indien dat niet gebeurt dan bestaat de mogelijkheid dat de Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, aldus de brief. Met dagtekening 14 oktober 2015 heeft de griffie van de Raad van Beroep voor Belastingzaken een brief met identieke inhoud aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. Door (de gemachtigde van) belanghebbende is geen motivering ingediend.

2.5

Ingevolge artikel 5, lid 2 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken moet het beroepschrift met redenen zijn omkleed. Belanghebbende heeft het beroep niet gemotiveerd, ook niet nadat hij tweemaal op het verzuim is gewezen. In dat geval is het beroep kennelijk niet ontvankelijk. Het Gerecht komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling.

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep niet ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen en mr. W.C.E. Winfield, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg (artikel 7b, lid 1 LBB).

De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt overeenkomstig art. 7b, lid 2 LBB twee maanden genomen vanaf de datum van toezending van de uitspraak aan partijen.

Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.