Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:66

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
28-04-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
EJ 77151/2015 gevoegd met EJ 77150/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht ontbindende voorwaarde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/2399
NJF 2016/413
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

BESCHIKKING

in de zaak van:

[VERZOEKSTER],

wonende in Curaçao,

verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. E. Kleist,

tegen

[de stichting]

STICHTING FELISIDAT ESPASIO LIBERTAT I SPERANSA,

gevestigd in Curaçao,

verweerster,

Verzoekster zal hierna als [verzoekster]- en/of verzoekster en/of - samen met verzoeker in de gevoegde zaak - als verzoekers worden aangeduid. De gedaagde partij wordt als felis aangeduid.

1 Het procesverloop

1.1.

Verzoekster heeft op 30 december 2015 een verzoekschrift met producties ingediend. Verweerster heeft op 29 februari 2016 een verweerschrift met producties ingediend. Het verzoek is - gevoegd met het verzoek in de zaak van [verzoekster] tegen felis met zaaknummer EJ 77150/2015 - behandeld op de zitting van 3 maart 2016. Bij de mondelinge behandeling zijn verzoekers en hun gemachtigde verschenen, alsmede van de zijde van felis: mevrouw [verzoekster] (hierna: [verzoekster]), de heer [secretaris] en de heer [penninmeester], onderscheidenlijk directeur, secretaris en penningmeester van felis. Tevens zijn meegekomen de broer van [verzoekster], [verzoekster] en [juridisch adviseur] als juridisch adviseur alsmede de heer [ van de Raad van Toezicht] van de Raad van Toezicht. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van verzoekers het woord gevoerd, mede aan de hand van overgelegde pleitnotities. Namens felis hebben [verzoeksters] het woord gevoerd. Op voorhand heeft mr. Kleist een vijftal producties in het geding gebracht.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

felis heeft onder meer als doel het opzetten van een educatieve organisatie die voornamelijk vrouwen en jongeren helpt door ondersteuning en begeleiding te bieden in en rondom hun opvoeding en verzorging. Ter verwezenlijking van haar doel is felis afhankelijk van subsidies van derden, waaronder Reda Social.

2.2. [

verzoekster] is per 1 september 2014 bij felis in dienst getreden voor de duur van 6 maanden als coördinatrice voor een salaris van NAf 1.250,- bruto per maand.

2.3.

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst die op 1 september 2014 door partijen is ondertekend staat onder “10. Ontbindende voorwaarde”:

Indien feli], welk voortbestaan afhankelijk is van giften en subsidies, niet vodoende of geen subsidie meer ontvangt, zal onderhavige arbeidsovereenkomst beëindigd worden zonder inachtneming van een opzeg- en of ontslagtermijn.

2.4.

In een e-mailbericht van [verzoekster] van 31 december 2014 aan onder meer verzoekster staat het volgende:

Tot nu toe is er geen toekenning of wat dan ook van Reda Social voor het komend jaar.

Dat wil zeggen dat jullie contracten automatisch beeindigd worden per januari 2015. Zie overeenkomst.

Wij willen echter tot eind januari met jullie doorgaan om goed af te kunnen sluiten en omdat deze mogelijkheid er is. Hiervoor is er nog 1 maand salaris beschikbaar. Daarna is er geen toezegging. Het contract en de subsidie loopt tot eind december 2014.

2.5.

In een e-mailbericht van [verzoekster] van 30 januari 2015 aan onder meer verzoekster staat het volgende:

Gezien de omstandigheden sluiten wij vanaf maandag 2 februari 2015 de deuren van de opvang.

Zoals eerder gemeld zijn de contracten officieel vanaf 31 december 2014 beëindigd. Zie contract.

2.6. [

verzoekster]- heeft tot en met eind januari 2015 gewerkt voor felis, zij het gedurende de maand januari 2015 op basis van minder uren.

2.7.

Op 3 februari 2015 is door felis aan [verzoekster] uitbetaald een bedrag van
NAf 785,56.

3 Het geschil

3.1. [

verzoekster] verzoekt, na vermindering van eis, dat het Gerecht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zakelijk weergegeven,

a - zal verklaren voor recht dat het aan [verzoekster] op 31 december 2014 gegeven ontslag nietig is;

b - felis zal veroordelen om te betalen het loon vanaf 1 maart 2015 tot 1 september 2015, vermeerderd met de wettelijke verhoging;

c - felis zal veroordelen om te betalen de overwerkuren in de periode van augustus 2014 tot en met januari 2015 ten bedrage van NAf 2.253,75 en de niet opgenomen vakantiedagen ten bedrage van NAf 432,72, vermeerderd met de wettelijke verhoging;

d - felis zal veroordelen in de kosten van de procedure;

e – [verzoekster] zal toestaan om kosteloos te procederen.

3.2. [

verzoekster] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Het ontslag is onregelmatig nu dit per eenzijdige mededeling is geschied, zonder instemming van [verzoekster], tegen eind december 2014 en niet tegen 1 maart 2015. Het gevolg hiervan is dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. De ontbindende voorwaarde waarop felis zich beroept is nietig aangezien felis de vervulling ervan tot stand heeft gebracht en/of in de hand heeft gewerkt door wanbeleid.

3.3.

felis heeft verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzoek onder -e (3.1.) zal worden toegewezen nu genoegzaam is gebleken van het onvermogen van verzoekster.

4.2.

De eerste vraag die voorligt is of de ontbindende voorwaarde tot beëindiging van rechtswege van de arbeidsovereenkomst heeft geleid, zoals door felis is bepleit en door verzoekers wordt weersproken.

4.3.

De Hoge Raad heeft in verschillende arresten (HR 6 maart 1992, JAR 1992,10 HR 24 mei 1996, NJ 1996, 685 en HR 3 december 2012, LJN BX0348, JAR 2012, 17) uitgemaakt dat de voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer meebrengt dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Een voorwaarde die niet met het wettelijk stelsel van het ontslagrecht te verenigen is, zal niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van rechtswege kunnen leiden. De aard, inhoud en context van de voorwaarde is van belang bij die beoordeling. Hierna zal met inachtneming van dit criterium en onder weergave van de stellingen van partijen worden beoordeeld of de ontbindende voorwaarde in casu gelding heeft.

4.4.

felis stelt over de ontbindende voorwaarde het volgende. In 2014 ontving felis een subsidie van Reda Social ten behoeve van het dekken van kosten van de naschoolse opvang, waaronder de daarmee verband houdende personeelskosten. [verzoekster] en [verzoekster] zijn in dat kader aangetrokken voor onderscheidenlijk groepsbegeleiding en onderhoud van de gebouwen en tuin en coördinatie van werkzaamheden. Het is vanaf het begin voor [verzoekster] en [verzoekster] duidelijk geweest dat het werk tijdelijk was en afhankelijk was van subsidie. Dit is nadrukkelijk met verzoekers besproken ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst. In september 2014 is door felis (wederom) subsidie aangevraagd bij Reda Social voor het jaar 2015. In oktober 2014 was het al duidelijk dat het onzeker was of die subsidie wel zou worden verleend. Hierover is gecommuniceerd met verzoekers, onder meer per e-mail van 7 oktober 2014 van [verzoekster]. Zij schrijft daarin immers over plan B en de onzekerheid met betrekking tot subsidie. In december 2014 moest felis definitief vaststellen dat de subsidie voor het salaris van de medewerkers van de naschoolse opvang nog steeds niet was toegekend. Om die reden werd op dat moment de ontbindende voorwaarde ingeroepen.

4.5. [

verzoekster] en [verzoekster] stellen dat de ontbindende voorwaarde niet geldt. Zij hebben daartoe meerdere argumenten aangevoerd die hierna zullen worden besproken.

4.6.

Volgens verzoekers is de ontbindende voorwaarde niet ingetreden omdat felis in 2015 meerdere subsidies heeft ontvangen.

4.7.

Het Gerecht oordeelt als volgt. De stelling van felis dat subsidies telkens worden verstrekt met een specifiek doel, met een zogenaamd oormerk, is onderbouwd met een e-mail van 11 februari 2016 van felis. Daarin staat dat de bijdrage van Stichting [naam stichting] is geoormerkt voor buurtactiviteiten en niet voor naschoolse opvang. [verzoekster] en [verzoekster] hebben deze stelling in onvoldoende mate bestreden. Voorgaande heeft tot gevolg dat vast staat dat felis voor de naschoolse opvang – het onderdeel waarbinnen verzoekers werkzaam waren – afhankelijk was van subsidie van Reda Social. Ook staat vast dat het in december 2014 definitief duidelijk was dat subsidieverstrekking voor 2015 door Reda Sociaal niet door zou gaan. Dat medio 2015, maanden later dus, na hernieuwde aanvragen, alsnog subsidie is verstrekt door Reda Social (zoals achteraf is gebleken) doet daaraan niet af. Dit betekent dat het betoog dat de voorwaarde niet is ingetreden omdat felis voor het jaar 2015 subsidies heeft ontvangen, niet opgaat.

4.8.

Van de zijde van verzoekers is voorts aangevoerd dat felis invloed heeft kunnen uitoefenen op het al dan niet ontvangen van subsidie, zodat het intreden van de voorwaarde niet objectief bepaalbaar is maar afhankelijk van het handelen van felis.

4.9.

Het is op zichzelf juist dat felis in het algemeen gesproken invloed kon uitoefenen op het al dan niet verkrijgen van de subsidie van Reda Social voor het jaar 2015. Het is evenwel niet gebleken dat felis zodanig zou hebben gehandeld dat het aan haar te wijten is dat de betreffende subsidie niet werd toegekend voor 2015. Eerder bestaat er op grond van door partijen overgelegde correspondentie het beeld dat felis haar best deed om (onder meer deze) subsidie te waarborgen. felis heeft de aanvraag bij Reda Social tijdig ingediend in september 2014. Niet is gebleken dat - tegen het einde van 2014 - de subsidie voor 2015 niet werd verstrekt als gevolg van handelen of nalaten van de zijde van felis. Het betoog van [verzoekster] en [verzoekster]- dat het verkrijgen van subsidie afhankelijk is van het handelen van felis gaat daarom evenmin op.

4.10.

Verzoekers stellen dat het niet ontvangen van vol[naam stichting]de subsidies het gevolg is van onbehoorlijke taakvervulling van de zijde van felis.

4.11. [

verzoekster] en [verzoekster] werpen in dat verband vragen op over het financiële beleid van felis. Zij hebben de volgens hen bij felis inkomende bedragen aan subsidie opgeteld en trekken daar de volgens hen bestaande kostenposten vanaf. Het verschil betreft volgens verzoekers een bedrag van ruim zes ton, waarvan zij zich afvragen wat daarmee is gebeurd. Het opwerpen van die vraag leidt evenwel niet tot de vaststelling dat de ontbindende voorwaarde niet rechtsgeldig kan worden ingeroepen. Ook doet de vraag niet af aan de vaststelling dat felis zich vol[naam stichting]de heeft ingespannen om subsidie van Reda Sociaal te ontvangen.

4.12.

Bij de beoordeling van de aard en context van de ontbindende voorwaarde is van belang dat felis een particuliere stichting is met een ideële doelstelling die voor wat betreft bedrijfsvoering verschilt van een overheidsinstelling of een commercieel bedrijf. Een stichting als felis, die bovendien kleinschalig is, kan het inschakelen van arbeidskrachten slechts bekostigen als de middelen door derden worden verstrekt. In dat kader is het overeenkomen van een ontbindende voorwaarde met aan te nemen werknemers goed verdedigbaar. Als de subsidie waaruit het loon wordt betaald stopgezet wordt, is er immers geen financiering meer voor het loon. Lonen kunnen, omdat de ontvangen subsidies steeds zijn geoormerkt, evenmin uit een andere subsidiebron worden bekostigd. Het Gerecht heeft bij voornoemde afweging mede acht geslagen op het arrest van 3 december 2012 van de Hoge Raad (zie 4.3). In die casus oordeelde de Hoge Raad dat de ontbindende voorwaarde betreffende de beëindiging van een subsidie (waarmee een baan werd gefinancierd) niet onverenigbaar is met het wettelijk stelsel van het ontslagrecht.

4.13.

Van de zijde van verzoekers is naar voren gebracht dat de werkgever het financiële gat in de begroting als gevolg van het vervallen van de subsidie in beginsel zelf dient op te vangen door het inzetten van andere middelen. Verzoekers hebben verwezen naar 3.7 van de conclusie van (advocaat generaal bij de Hoge Raad) mr. L. Timmermans bij bovengenoemd arrest uit 2012. In dat onderdeel van de conclusie wordt evenwel geciteerd uit ‘Beleidsregels Ontslagtaak 2011 van het UWV werkbedrijf’ met betrekking tot zogenaamde ID-banen (gesubsidieerde banen) in Nederland. Het is dus geen overweging van de advocaat generaal zelf, noch van de Hoge Raad. Het betreffen specifieke regels voor een specifieke groep gesubsidieerde werknemers in Nederland. Niet in vol[naam stichting]de mate is gesteld of gebleken dat deze regels ook zouden moeten gelden voor een kleinschalige instelling zoals felis te Curaçao.

4.14.

Tenslotte is van belang dat onweersproken is gebleven dat verzoekers doordrongen waren van het bestaan van de ontbindende voorwaarde, nu dit met hen is besproken voordat de arbeidsovereenkomst werd gesloten.

4.15.

De directe afhankelijkheid van de subsidie voor het betalen van de lonen, het ondanks inspanningen door felis niet tijdig ontvangen van de subsidie en de bekendheid van verzoekers met de ontbindende voorwaarde, in samenhang beschouwd, leidt tot het oordeel dat de ontbindende voorwaarde niet op ongerechtvaardigde wijze in strijd is met het gesloten stelsel van het ontslagrecht. De arbeidsovereenkomst van beide verzoekers is derhalve van rechtswege geëindigd per 31 december 2014 door het intreden van de ontbindende voorwaarde.

4.16.

Dit betekent dat de stellingen van verzoekers over het onregelmatig opzeggen geen bespreking meer behoeven. De vorderingen onder a) en b) zullen worden afgewezen.

4.17.

De vordering onder c) is evenmin toewijsbaar. In de eerste plaats is van belang dat verzoekster, naar felis naar voren heeft gebracht, (uit de zak van [verzoekster] zelf, nu er geen subsidie meer beschikbaar was) is betaald voor wat betreft de maand januari 2015 naar rato van haar werkzaamheden. Dit is door verzoekster in onvoldoende mate weersproken, zodat dit als vaststaand wordt aangenomen. Het Gerecht begrijpt de vordering onder -c aldus dat verzoekster een bedrag van NAf 432,72 heeft gevorderd in verband met vakantiedagen die betrekking hebben op de maand januari 2015. Voor deze maand heeft evenwel te gelden dat er geen sprake meer was van een arbeidsovereenkomst, zodat de rechtsgrond ontbreekt. Ditzelfde geldt voor de overwerkuren, voor zover deze betrekking hebben op de maand januari 2015. Als het bedrag van Naf 2.253,75 (al dan niet deels) betrekking heeft op de voorliggende maanden, toen tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestond, heeft te gelden dat, naar felis betoogt, verzoekster niet heeft gehandeld conform hetgeen volgens de arbeidsovereenkomst diende te geschieden om overuren vergoed te krijgen. Dit is onvoldoende weersproken door verzoekster, zodat – er al vanuit gaande dat er sprake is van overwerkuren, dit wordt op zichzelf namelijk ook betwist – dat gedeelte van de vordering evenmin toewijsbaar is.

4.18.

Verzoekster is in het ongelijk gesteld zodat de vordering onder d) evenmin kan worden toegewezen. Een veroordeling in de proceskosten van felis blijft achterwege nu felis zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde als bedoeld in artikel 61 onder g Rv.

5 De beslissing

Het Gerecht:

- staat [verzoekster] toe om kosteloos te procederen;

- wijst af het gevorderde;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Deze beschikking is gegeven door mr. S.E. Sijsma, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 april 2016.