Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:5

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
11-03-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
500.00087/14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen, Valsheid in geschrift

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F VO N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte].,

geboren op (datum) te Curaçao,

wonende te Curaçao, (adres).

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2015, 17 juni 2015, 9 september 2015, 4 november 2015, 11 december 2015 en 17 en 19 februari 2016. De verdachte is op voormelde terechtzittingen verschenen, bijgestaan door haar raadsman mr. E.F. Sulvaran. Op 5 juni 2015 en 17 en 19 februari 2016 is de verdachte ook bijgestaan door mr. P.C. Janssen, op 5 juni 2015 ook door mr. S.D.M. Roseburg en op 17 en 19 februari 2016 ook door mr. Ch. Peterson.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan negen maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts is onttrekking aan het verkeer gevorderd van de inbeslaggenomen frequency jammers en teruggave verzocht van de inbeslaggenomen audio-jammers en de spy-phone protectors aan de verdachte.

De raadslieden hebben verschillende verweren gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Feit 1: Valsheid in geschrift

zij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010, te Curaçao in de voormalige Nederlandse Antillen en/of Italië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

twee, althans één, factu(u)r(en) van [vennootschap] (gericht aan [bedrijf]), te weten:
- een factuur met factuurnummer [factuurnummer1] (gedateerd 4 mei 2010) ten bedrage van [USD] USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and Testing Playing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en/of “On-Board Firmware testing”) en/of
- een factuur met factuurnummer [factuurnummer2] (gedateerd 7 juni 2010) ten bedrage van [USD$] USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and testing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en/of “On-Board Firmware testing”);

zijnde (telkens)( een) geschrift(en) waaruit enig recht en/of enige verbintenis en/of enige bevrijding van schuld kan ontstaan en/of dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst, met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, terwijl uit dat gebruik enig nadeel is/kon ontstaan,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte en/of haar mededader(s)

  • -

    opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in genoemde factu(u)r(en) heeft/hebben vermeld dat door het bedrijf [vennootschap] vermelde werkzaamheden en/of diensten zijn verricht (voor het bedrijf [bedrijf]), terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht en/of

  • -

    opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in genoemde factu(u)r(en) heeft/hebben vermeld dat de factu(u)r(en) afkomstig is/zijn van het bedrijf [vennootschap] en/of op naam gesteld is/zijn op het bedrijf [vennootschap], terwijl in werkelijkheid de factu(u)r(en) niet afkomstig is/zijn van het bedrijf [vennootschap] en/of op naam gesteld is/zijn op het bedrijf [vennootschap] en/of

  • -

    opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid op genoemde factu(u)r(en) het/de factuurnummer(s) [factuurnummer1] en/of [factuurnummer2] heeft vermeld als zijnde (een) factuurnummer(s) van het bedrijf [vennootschap], terwijl in werkelijkheid vermelde factuurnummer(s) niet is/zijn uitgegeven door het bedrijf [vennootschap] ;

artikel 230 lid 1 Wetboek van Strafrecht NA (oud)

Feit 2: Witwassen

zij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 te Curaçao en/of Curaçao in de voormalige Nederlandse Antillen en/of de Verenigde Staten van Amerika en/of Zwitserland en/of Italië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) van een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en) ter waarde van (in totaal) USD 213.447 of daaromtrent, en/of (vervolgens) ter waarde van

  • -

    15.000 USD en/of

  • -

    10.000 USD en/of

  • -

    50.000 USD en/of

  • -

    50.000 USD en/of

  • -

    53.422 USD en/of

  • -

    20.000 USD,

in elk geval van enig(e) geldbedrag(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of begre(e)p(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit (deze) geldbedrag(en) – onmiddellijk of middelijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

artikel 435a of c, beide lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht NA (oud)

en/of

zij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 1 januari 2010 tot en met 15 november 2011 te Curaçao en/of Curaçao in de voormalige Nederlandse Antillen en/of de Verenigde Staten van Amerika en/of Zwitserland en/of Italië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en) ter waarde van (in totaal) USD 213.447 of daaromtrent, en/of (vervolgens) ter waarde van:

  • -

    15.000 USD en/of

  • -

    10.000 USD en/of

  • -

    50.000 USD en/of

  • -

    50.000 USD en/of

  • -

    53.422 USD en/of

  • -

    20.000 USD,

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en en/of begre(e)p(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dit (deze) geldbedrag(en) – onmiddellijk of middelijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf; artikel 435a of c, beide lid 1 sub b Wetboek van Strafrecht NA (oud)

Feit 3: Voorhanden hebben ‘jammers’

(voorhanden hebben technisch hulpmiddel voor onbruikbaar maken, stoornis veroorzaken werk voor telecommunicatie)

hij op of omstreeks 9 december 2013, althans in de maand december 2013, in Curaçao tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

zeven, althans één of meer, technisch(e) hulpmiddel(en) dat/die hoofdzakelijk geschikt gemaakt en/of ontworpen is/zijn voor het opzettelijk vernielen en/of beschadigen en/of onbruikbaar maken en/of veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van een geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie,

te weten (een)

  • -

    audio-jammer, Capri Electronics LLC AJ-34 [beslagnummer 33.1.5.1-A] en/of

  • -

    audio-jammer, Capri Electronics LLC AJ-34 [beslagnummer 33.1.5.1-B] en/of

  • -

    audio-jammer, Capri Electronics LLC AJ-34 [beslagnummer 33.1.5.1-C] en/of

  • -

    spy-phone protector, GSM safe 3 [beslagnummer 33.1.5.1-D] en/of

  • -

    spy-phone protector, GSM safe 3 [beslagnummer 33.1.5.1-E] en/of

  • -

    frequency-jammer, merkloos met serienummer 011007810 [beslagnummer [beslagnummer Bank]] en/of inclusief bijbehorende afstandbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en/of

  • -

    frequency-jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer [beslagnummer Bank]]

heeft vervaardigd en/of verkocht en/of verworven en/of ingevoerd en/of verspreid en/of ter beschikking gesteld en/of voorhanden heeft gehad,

met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht wordt/werd gepleegd; artikel 2:107 lid 2 onder a van het Wetboek van Strafrecht

en/of

(voorhanden hebben radio-elektrische zendinrichting zonder machtiging)

zij op of omstreeks 9 december 2013, althans in de maand december 2013 , in Curaçao, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

twee, althans een of meer, radio-elektrische zendinrichtingen, te weten (een):

  • -

    frequency-jammer, merkloos met serienummer 011007810 [beslagnummer [beslagnummer Bank] en/of inclusief bijbehorende afstandbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en/of

  • -

    frequency-jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer [beslagnummer Bank]]

(anders dan krachtens concessie) heeft aangelegd en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft gebruikt en/of geëxploiteerd, terwijl aan hem, verdachte, hiertoe geen machtiging van de Minister (van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning) was afgegeven/verleend; artikel 15, Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 3 tenlastegelegde feit aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig is, namelijk voor wat betreft de zinsnede “met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt/werd gepleegd”, omdat onvoldoende duidelijk is welk misdrijf van artikel 2:107 eerste lid Sr precies wordt bedoeld.

Het Gerecht verwerpt dit verweer. Aan de verdachte is, kort samengevat, tenlastegelegd dat zij op 9 december 2013 samen met een ander of anderen een of meer technische hulpmiddelen voorhanden heeft gehad, te weten drie audio-jammers, twee spy-phone protectors en twee frequency-jammers, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107 eerste lid Sr wordt/werd gepleegd. Hiermee is naar oordeel van het Gerecht de dagvaarding voldoende gespecificeerd, nu de verdachte weet waarvan zij wordt verdacht en waartegen zij zich moet verdedigen. De tekst van de tenlastelegging stemt ook overeen met de delictsomschrijving van artikel 2:107 lid 2 onder a Sr. Overigens is het Gerecht uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat bij de verdachte enige onduidelijkheid heeft bestaan omtrent de tenlastelegging, noch dat de verdachte zich daartegen niet naar behoren heeft kunnen verdedigen. Het beroep op de partiële nietigheid van de dagvaarding wordt derhalve afgewezen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding - ook overigens - aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

3.2.

Bevoegdheid van het Gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

3.3.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

De verdediging heeft, kort samengevat, het verweer gevoerd dat aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan. Dit dient volgens de verdediging te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De verdediging heeft aan het verweer een uitgebreid betoog ten grondslag gelegd, dat door het openbaar ministerie op alle onderdelen is weersproken en dat door het Gerecht - voor zover van belang - als volgt wordt beoordeeld.

3.3.1.

Start van het onderzoek

De verdediging heeft aangevoerd dat de start van het onderzoek is gebaseerd op één bron, de MOT-meldingen. Het gaat om MOT-meldingen die in 2010 op onrechtmatige wijze (via onbevoegde en onwettige opdrachten van de gouverneur, de procureur-generaal en het hoofd van de Veiligheidsdienst in een bizarre samenspanning met de Orcobank) zijn verkregen. Deze MOT-meldingen zijn vervolgens opzettelijk (door de Veiligheidsdienst) naar de (sociale) media gelekt. Er is sprake van een politieke vervolging op basis van de in 2010 onrechtmatig verkregen en strafbaar gelekte MOT-meldingen. Het openbaar ministerie heeft geen onderzoek naar het lek ingesteld en een onvolledig dossier aangeleverd. Hierdoor is de verdediging misleid en kan de rechtmatigheid van de informatie, en daarmee de start van het onderzoek, niet worden beoordeeld. Het openbaar ministerie heeft doelbewust en met het oog op het buiten toepassing laten van strafvorderlijke waarborgen het onderzoek uitbesteed aan de Veiligheidsdienst om de MOT-meldingen later als basis te kunnen gebruiken in een strafproces tegen de verdachte [verdachte] (hierna ook: [verdachte]) en medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook: [medeverdachte]. Er is derhalve sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 413 Wetboek van Strafvordering (Sv). Door het doelbewust misbruik maken van een overheidsbevoegdheid, is geen sprake van een behandeling van de zaak die aan de eisen van een eerlijk proces voldoet, aldus de verdediging. Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt.

Het verweer is gebaseerd op de stelling dat de start van het onderzoek bestaat uit de MOT-meldingen die in 2010 in de media terecht zijn gekomen. Deze stelling is feitelijk onjuist. Het Gerecht licht dit als volgt toe.

Onder ‘startinformatie’ wordt de informatie die de politie en/of het openbaar ministerie aanleiding geeft een strafrechtelijk onderzoek te starten, verstaan. In het dossier is uitvoerig gerelateerd welke informatie aanleiding heeft gegeven tot het strafrechtelijk onderzoek jegens de verdachte en medeverdachte [medeverdachte].1 Naar het oordeel van het Gerecht is geen sprake van een onduidelijkheid of onvolledigheid van het dossier, zoals de verdediging heeft betoogd. Het dossier is transparant en de gang van zaken is duidelijk en gedetailleerd in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal omschreven. Het Gerecht heeft geen aanleiding deze stukken en gang van zaken in twijfel te trekken. De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat er geen onderzoek is gedaan naar de aangifte van medeverdachte [medeverdachte] na het aantreffen van spionage apparatuur in zijn auto maakt dat niet anders.

Uit het dossier blijkt dat de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek jegens de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] in de eerste plaats is gelegen in het e-mailbericht dat het openbaar ministerie in 2012 heeft ontvangen van het openbaar ministerie te Italië. In dit e-mailbericht was vermeld dat men daar in een lopend onderzoek naar [medeverdachte] (waarmee medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna ook: [medeverdachte 2]) wordt bedoeld, opm. rechter) stukken had gevonden die voor het openbaar ministerie te Curaçao van belang kunnen zijn. Anders dan de verdediging heeft het Gerecht geen reden om aan te nemen dat dit e-mailbericht nooit, of niet medio of in de tweede helft van 2012, door het openbaar ministerie is ontvangen. De advocaat-generaal heeft zijn bevindingen hierover in een ambtsedig proces-verbaal neergelegd2 en ten overstaan van de rechter-commissaris onder ede nog eens herhaald dat hij het e-mailbericht destijds heeft ontvangen. Daarbij heeft hij alleen de datum van ontvangst van de e-mail gecorrigeerd. Volgens hem betekent ‘medio 2012’ de tweede helft van 2012.3 Het Gerecht acht zowel het ambtsedig proces-verbaal als de onder ede afgelegde verklaring van de advocaat-generaal betrouwbaar en heeft geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen. De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat de advocaat-generaal het proces-verbaal pas veel later, namelijk op 20 februari 2014, heeft opgemaakt, maakt dat niet anders, nu hij daarvoor een logische en redelijke verklaring heeft: hij heeft dat op verzoek van de zaaksofficier van justitie gedaan ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek tegen [medeverdachte].4

In de tweede plaats is de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek jegens de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelegen in de twee aangiftes die in september en oktober 2012 bij het openbaar ministerie tegen [medeverdachte] zijn gedaan. Bij de eerste aangifte zijn onder meer de MOT-meldingen van 2010 en een brief van de stichting Fundashon Akshon Sivil (hierna: FAS) gevoegd. Bij de tweede (anonieme) aangifte is ook een aantal stukken gevoegd, namelijk stukken van de bankrekening van [verdachte] en een bericht van curaleakb [medeverdachte] com waarin wordt gesproken over een connectie tussen de op de bankrekening van [verdachte] ontvangen bedragen en [medeverdachte].

Voorts is de aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek jegens de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelegen in het werkbezoek dat het openbaar ministerie in december 2012 aan het openbaar ministerie te Italië heeft gebracht. Aldaar heeft het openbaar ministerie inzage gekregen in documenten die daar in beslag waren genomen. Het betreft twee rekeningen van [vennootschap] (hierna ook: [vennootschap) aan [bedrijf] te Rome met daarop een betalingsinstructie. Betaling moet volgens die instructie kennelijk niet worden gedaan op de normale rekening van [vennootschap] maar op de Citibankrekening van [verdachte].5 Het Gerecht heeft geen reden over de gang van zaken met betrekking tot het werkbezoek en de inzage in de twee facturen te twijfelen, nu de advocaat-generaal onder ede bij de rechter-commissaris nog eens heeft herhaald dat hij de facturen in december 2012 daadwerkelijk heeft ingezien. Hij herinnert het zich nog en heeft destijds aantekeningen gemaakt en deze in zijn proces-verbaal verwerkt.6 Het Gerecht acht het proces-verbaal en de getuigenverklaring in zoverre dus eveneens betrouwbaar. De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat de facturen uiteindelijk pas veel later, via een internationaal rechtshulpverzoek, door het openbaar ministerie zijn ontvangen, maakt dat niet ander [medeverdachte]

Op basis van al deze informatie heeft de procureur-generaal vervolgens op 28 januari 2013 de opdracht tot het instellen van een feitenonderzoek naar ongebruikelijke transacties van [medeverdachte] bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT) aan de Landsrecherche gegeven en is op 6 juni 2013 verzocht dat onderzoek voort te zetten als een strafrechtelijk onderzoek. De omstandigheid dat uit het feitenonderzoek in 2013 MOT-meldingen naar voren zijn gekomen die gelijk zijn aan de door de verdediging genoemde MOT-meldingen die in 2010 waren ‘gelekt’, maakt niet dat de start van het onderzoek op die uitgelekte MOT-meldingen zou zijn gebaseerd, zoals de verdediging heeft betoogd.

Het voorgaande brengt met zich dat de stelling van de verdediging dat sprake is van een politieke vervolging op basis van in 2010 onrechtmatig verkregen en strafbaar gelekte MOT-meldingen, evenmin opgaat. Gebleken is niet dat er zodanige bemoeienis vanuit de politiek is geweest dat dit in al dan niet doorslaggevende mate de opsporing en vervolging van de verdachte heeft gestuurd. Overigens is niet gebleken dat die MOT-meldingen door opsporingsambtenaren of het openbaar ministerie naar de (sociale) media zijn gelekt.

Nu de aan het verweer ten grondslag gelegde stellingen niet opgaan wordt het verweer verworpen.

3.3.2.

Redelijk vermoeden van schuld

De verdediging heeft voorts het verweer gevoerd dat ten tijde van de start van het onderzoek onvoldoende verdenking jegens de verdachte bestond. De enige aanwijzing bestond uit de MOT-meldingen. Er was geen sprake van ‘MOT verdachte transacties’, aldus de verdediging.

Uit hetgeen hiervoor onder 3.3.1. is overwogen, volgt dat de verdenking jegens de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is gebaseerd op de informatie uit Italië, de twee aangiftes met onder meer de MOT-meldingen betreffende [medeverdachte], de bankstukken van [verdachte] en het werkbezoek van het openbaar ministerie aan het openbaar ministerie te Italië waarbij facturen zijn ingezien op naam van [vennootschap] met de betaalgegevens van [verdachte]. De feiten en omstandigheden die uit deze informatie volgen, geven naar het oordeel van het Gerecht objectief bezien een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit zoals bedoeld in artikel 47 lid 1 S[vennootschap] Het verweer wordt derhalve verworpen.

3.3.3.

Gerechtvaardigde verwachting van niet vervolging

Door de verdediging is voorts betoogd dat in de brief van de procureur-generaal aan de gouverneur d.d. 29 december 2010 en de brief van de gouverneur aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties d.d. 12 januari 2011 een toezegging tot het niet vervolgen van [medeverdachte] is vervat. De herhaaldelijke mededelingen en het tijdsverloop tussen genoemde brieven en de dag van de huiszoeking (9 december 2013) moeten ertoe leiden dat bij [medeverdachte] het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat hij niet zou worden vervolgd. De beslissing van het openbaar ministerie om [medeverdachte] toch te vervolgen is in strijd met het vertrouwensbeginsel, aldus de verdediging. Voor het geval de verdediging bedoelt dat ook verdachte [verdachte] aan deze brief een gerechtvaardigd vertrouwen van niet-vervolging mocht ontlenen, overweegt het Gerecht als volgt.

Het Gerecht stelt voorop dat niet ter discussie staat dat genoemde brieven door [medeverdachte] zijn ontvangen en dat de mededelingen uitlatingen betreffen die aan het openbaar ministerie zijn toe te rekenen. Het betoog van de verdediging behoeft op dat punt dus geen bespreking.

Van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel is sprake indien door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat zij niet (verder) zal worden vervolgd. Naar het oordeel van het Gerecht is hiervan in deze geen sprake. Dit wordt als volgt toegelicht.

In het schrijven van de procureur-generaal d.d. 29 december 2010 is vermeld dat gelet op de informatie die voor het openbaar ministerie beschikbaar is “er - vooralsnog - geen termen aanwezig” zijn om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen tegen [medeverdachte]. In de brief van de gouverneur d.d. 12 januari 2011 is vermeld dat de MOT-meldingen ten aanzien van de premier ([medeverdachte], opm. rechter) op zich “vooralsnog” geen grond vormen voor strafrechtelijk onderzoek en dat de meldingen “sec” onvoldoende aanleiding vormen voor op zichzelf staand strafrechtelijk onderzoek. Uit de brieven blijkt duidelijk dat de daarin vervatte uitlatingen zijn gebaseerd op de informatie die op dat moment beschikbaar was. Zij maken een uitdrukkelijk voorbehoud: er is op basis van die informatie “vooralsnog” geen reden voor verdere vervolging. Hiermee is geen sprake van een toezegging die een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt. Nu er, zoals hiervoor onder 3.1.1. reeds is overwogen, in 2012 nieuwe informatie bij het openbaar ministerie is binnengekomen, gaat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet op. Het verweer wordt verworpen.

3.3.4.

Willekeur en beginselen van een goede procesorde

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat sprake is van willekeur en dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Het Gerecht stelt in dit verband voorop dat in artikel 207, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend om zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Er is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

De vraag die ter toetsing voorligt, is of het openbaar ministerie na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen of dat sprake is van onverenigbaarheid met een redelijke en billijke belangenafweging. Het Gerecht dient te beoordelen of hier sprake is van het uitzonderlijke geval dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging van deze persoon of personen enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur, dat ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.

Naar het oordeel van het Gerecht kan niet worden geconcludeerd dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting) van de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Uit de redactie van de tenlastelegging vloeit voort dat de verdachte wordt verweten dat zij het algemeen belang heeft geschaad. Zo zou zij valse facturen hebben opgemaakt en gelden hebben witgewassen, terwijl men in het maatschappelijk verkeer moet kunnen uitgaan van de echtheid van facturen en de legale herkomst van opbrengsten. Dit zijn algemene belangen die bescherming behoeven.

De verdediging heeft nog betoogd, kennelijk ook in de zaak van [verdachte], dat er sprake is van een samenwerking tussen het openbaar ministerie, FAS en de (anonieme) aangever(s) tegen medeverdachte [medeverdachte] en dat zijn vervolging ook in zoverre een politieke vervolging is. Los van de vraag of dit relevant is, aangezien het openbaar ministerie na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen, is deze stelling niet aannemelijk geworden. Uit het feit dat FAS de afwachtende houding van het openbaar ministerie niet accepteerde en daarom een artikel 15 Sv procedure is begonnen, en uit het klaagschrift van FAS in die procedure7 blijkt juist het tegendeel. De omstandigheid dat de anonieme aangifte met de gelekte geheime bankgegevens van [verdachte] een dag na de verkiezingen bij de procureur-generaal is ingediend, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt niet dat sprake is van een politieke vervolging van [medeverdachte].

Het verweer wordt derhalve ook op dit onderdeel verworpen.

3.3.5.

Onrechtmatige huiszoekingen

De verdediging heeft voorts het volgende verweer gevoerd. Het openbaar ministerie heeft hangende de door FAS bij het Hof aangespannen procedure ex artikel 15 S[vennootschap]en terwijl het had meegedeeld dat het de enquêteprocedure zou afwachten, vorderingen tot huiszoeking bij de rechter-commissaris ingediend. Dit is niet gebruikelijk en getuigt niet van gepaste eerbied voor het wettelijke strafvorderlijke systeem. De rechter-commissaris heeft de machtigingen tot huiszoeking verleend zonder de reactie van medeverdachte [medeverdachte] in de artikel 15 Sv procedure mee te wegen. Dit is opmerkelijk, omdat zowel de president van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie als de voorzitter van de Hofcombinatie op de hoogte waren van het standpunt van [medeverdachte]. Door de rechter-commissaris niet van deze cruciale informatie te voorzien is doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een behoorlijke afweging van alle belangen bij de toepassing van een ingrijpend dwangmiddel als de huiszoeking ernstig tekortgedaan. Er is sprake van vormverzuimen in het vooronderzoek. Gelet op de ernst van het verzuim en het persoonlijk nadeel voor de verdachte is de sanctie die hier moet worden opgelegd, niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging, en in elk geval bewijsuitsluiting, aldus de verdediging. Het Gerecht overweegt als volgt.

Voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is ingevolge artikel 155 Sv een bijzondere schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris vereist. De vereiste machtigingen (de beschikkingen huiszoeking) bevinden zich in het beslagdossier. Van enig vormverzuim is in zoverre geen sprake.

Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de verrichte huiszoekingen dient het Gerecht te beoordelen of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen. Naar het oordeel van het Gerecht is dit het geval. De rechter-commissaris heeft op grond van de vorderingen van de officier van justitie en de aangeboden stukken in redelijkheid tot de beslissingen tot doorzoeking kunnen komen. Er was op dat moment sprake van een redelijk vermoeden van schuld. De omstandigheid dat ten tijde van de totstandkoming van de beslissing van de rechter-commissaris een procedure ex artikel 15 Sv bij een andere gerechtelijke instantie (het Hof) aanhangig was en de rechter-commissaris niet op de hoogte was van de visie van medeverdachte [medeverdachte] in die procedure, doet niet af aan dat redelijk vermoeden van schuld. Het openbaar ministerie heeft de vorderingen dan ook kunnen indienen. De situatie van het door de verdediging aangehaalde Karmanarrest (NJ 1999, 567), waarin sprake was van miskenning van het wettelijk systeem, doet zich hier niet voor. Overigens was het schrijven van de verdediging, waarbij zij haar standpunt in de artikel 15 S[vennootschap]procedure aan het Hof kenbaar maakte, voortijdig. Het Hof heeft het schrijven daarom niet in behandeling genomen en hoeven nemen. Voorts bestaat er geen verplichting voor een president of Hof om een standpunt van een partij aan andere gerechtelijke instanties door te sturen. Van een vormverzuim of onbehoorlijk handelen is geen sprake. Het verweer wordt verworpen.

3.3.6.

Trial by media

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat sprake is van trial by media. Door de minister van justitie is bewust de publiciteit gezocht teneinde medeverdachte [medeverdachte] in een negatief daglicht te stellen. Hij heeft [medeverdachte] aan de schandpaal genageld. Daarnaast heeft de woordvoerder van het openbaar ministerie in de pers onrechtmatige uitlatingen over [medeverdachte] gedaan, aldus de verdediging. Voor het geval de verdediging bedoelt dat dit ook onrechtmatig is jegens [verdachte], overweegt het Gerecht als volgt.

Op zich is het terecht dat de verdediging de aandacht vestigt op het risico van trial by media. Zeker in een kleinschalige samenleving als die van Curaçao ligt het risico van oneigenlijke beïnvloeding van het strafproces en ‘karaktermoord’ op personen of instanties op de loer. Dit risico regardeert alle procesdeelnemers, dus niet alleen het openbaar ministerie maar ook de verdediging, zoals het openbaar ministerie terecht heeft aangevoerd.

Ingevolge artikel 6, tweede lid EVRM wordt een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. Dat uitgangspunt is een van de elementen die een eerlijk proces moeten waarborgen. Voor het antwoord op de vraag of het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van haar zaak door de minister van justitie en de woordvoerder van het openbaar ministerie is geschonden, is de context waarin de uitlatingen zijn gedaan van belang. Die context kan immers aan bepaalde passages uit een interview nadere inkleuring geven.

De uitlatingen van de minister van justitie

De verdediging heeft met betrekking tot de uitlatingen waarover het volgens haar gaat, verwezen naar de bijlage 28 en 29 bij het pleidooi. De desbetreffende uitlatingen zijn in bijlage 28 geel gearceerd. Het Gerecht leidt uit die arceringen af dat het gaat om uitlatingen of vermeldingen in de media als “de onderwereld is doorgedrongen in de bovenwereld”, “als mij iets overkomt, is degene die hiervoor verantwoordelijk zal zijn de heer [medeverdachte] ”, “de minister geeft liever geen informatie aan [medeverdachte] over maatregelen ter criminaliteitsbestrijding, omdat [medeverdachte] zelf een verdachte is”, “ik zal een ieder die schandalige dingen heeft gedaan aangeven”, “Hij heeft zich gegeven op het oorlogspad dus zullen wij de strijd tot in het uiterste strijden”, “Wat wel sterk overeind is gebleven, is dat de heer [medeverdachte] een verdachte is in het parlement (…), dat de heer [medeverdachte] banden heeft met de georganiseerde criminaliteit”, “telkens als ik als minister van justitie naar het parlement ga, word ik geconfronteerd met een verdachte van witwassen van geld en vervalsing van documenten en dat is een schande voor het parlement en het volk van Curaçao”, “Ik heb duidelijk gezegd dat de georganiseerde criminaliteit vruchtbaar terrein heeft gevonden om op te lopen en de heer [medeverdachte] heeft contact met de georganiseerde criminaliteit”. Bijlage 29 betreft het vonnis van het Gerecht d.d. 29 augustus 2014 in het civielrechtelijk kort geding tussen [medeverdachte] en de minister van justitie. In dat vonnis is onder meer overwogen (onder 8) dat de minister van justitie in het interview op de televisie niet heeft geïnsinueerd dat [medeverdachte] is gelieerd aan de georganiseerde misdaad of dat de zaak waarin [medeverdachte] verdachte is daarover zou gaan. Voorts is in het vonnis overwogen (onder 10 en 11) dat de minister van justitie in de radio uitzending [medeverdachte] heeft aangewezen als degene die hij verantwoordelijk acht mocht hem iets overkomen, en dat hij daarmee [medeverdachte] ervan beschuldigt een zware crimineel te zijn, die bereid en in staat is om een politieke tegenstander uit de weg te laten ruimen. Omdat [medeverdachte] geen verdachte is in de zaak Wiels en er geen aanwijzingen zijn dat [medeverdachte] iets te maken heeft met de telefonische bedreigingen van de minister van justitie, zijn laatstgenoemde uitlatingen in genoemd vonnis als onrechtmatig aangemerkt.

Het Gerecht stelt vast dat de minister van justitie zich aldus niet heeft uitgelaten over de schuld of onschuld van medeverdachte [medeverdachte] in de strafzaak Babel, ook niet als alle uitlatingen in onderling verband en samenhang worden bezien. Wat hij wel heeft gedaan is zijn mening uiten. Zo heeft hij forse kritiek geuit op de georganiseerde misdaad en het feit dat een verdachte deel uitmaakt van het parlement. Van een rechtens relevante schending van de onschuldpresumptie is geen sprake.

De uitlatingen van de woordvoerder van het openbaar ministerie

Het door de verdediging bedoelde artikel in de Volkskrant d.d. 5 juni 2015, waarin de woordvoerder van het openbaar ministerie is geciteerd, vermeldt - voor zover van belang - het volgende: “Ook [medeverdachte] zegt dat er niets mis is met giften van het bedrijfsleven aan zijn partij zoals die van [medeverdachte 2]. Daar denkt het Openbaar Ministerie anders over. ‘Als het een gewone gift had betroffen, waarom was het geld dan niet rechtstreeks openlijk naar de rekening van de [politieke partij] overgemaakt?’, zegt OM-woordvoerder [woordvoerder]. Het geld van [medeverdachte 2] zou naar [medeverdachte] zijn doorgesluisd via rekeningen van bedrijven van de familie van zijn vrouw, die eveneens moet voorkomen. Woordvoerder [woordvoerder]: ‘Hiervan waren meldingen binnengekomen van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties. Er zijn huiszoekingen geweest op Sint Maarten, Curaçao en in Italië.’”8

Met het openbaar ministerie is het Gerecht van oordeel dat de woordvoerder aldus de verdenking tegen medeverdachte [medeverdachte] - slechts - heeft toegelicht. Hij heeft het standpunt van het openbaar ministerie met betrekking tot de vraag of er iets mis is met de giften aangegeven door een (tegen)vraag te stellen en toegelicht dat er MOT-meldingen waren over het doorsluizen van het geld. Het Gerecht kan in de desbetreffende passages geen uitlating over de schuld of onschuld van [medeverdachte] lezen. De woordvoerder mocht de verdenking aldus toelichten. Van een rechtens relevante schending van de onschuldpresumptie is geen sprake.

Het verweer wordt derhalve ook op dit onderdeel verworpen.

3.3.7.

Tussenconclusie

De door de verdediging aangevoerde stellingen leiden niet, ook niet in onderling verband en samenhang bezien, tot de slotsom dat sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces. Niet is gebleken dat doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekortgedaan dan wel dat sprake is van een zodanige tekortkoming in het onderzoek of een zodanige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde dat het openbaar ministerie op grond daarvan niet-ontvankelijk in de vervolging zou moeten worden verklaard.

Nu de verweren niet opgaan, behoeven het subsidiair aangevoerde verzoek om bewijsuitsluiting en het meer subsidiaire verzoek om strafverlaging geen bespreking.

3.3.8.

Ten aanzien van feit 3 cumulatief (voorhanden en aanwezig hebben jammers)

De verdediging heeft met betrekking tot het onder 3 cumulatief tenlastegelegde feit betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van de algemene beginselen van een goede procesorde, te weten het gelijkheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur. Zij heeft daartoe aangevoerd dat soortgelijke daders zijn aangepakt door middel van het in bewaring nemen van de jammers en een schriftelijke waarschuwing. Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt.

De beslissing tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, voor zover hier van belang het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur.

Van schending van het gelijkheidsbeginsel is eerst sprake bij afwijking van een bestendig patroon van beslissen in een groot aantal vergelijkbare gevallen. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is geweest. Overigens kan naar het oordeel van het Gerecht in een geval als het onderhavige, waarin de verdachte als particulier wordt verdacht van het voorhanden hebben van jammers, terwijl de door de verdediging genoemde soortgelijke dader een rechtspersoon betreft, niet - zonder meer - worden gesproken van een zodanig vergelijkbaar geval dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Van schending van het verbod van willekeur - dat ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging - is eerst sprake als geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (vgl. hiervoor onder 3.3.4.) Naar het oordeel van het Gerecht is dat hier niet het geval. Artikel 2:107 Sr beschermt de ongestoorde werking van enig geautomatiseerd werk of enig werk voor telecommunicatie. De Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen (Ltv) beschermt onder andere het maatschappelijk belang van de gecontroleerde toegang tot telecommunicatie in het kader van de veiligheid van het land en openbare orde. Dit zijn algemene belangen die bescherming behoeven. Uit de redactie van de tenlastelegging vloeit voort dat de verdachte wordt verweten dat zij dat belang heeft geschaad. Derhalve kan niet gesproken worden van het instellen of voortzetten van een vervolging die onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Het beroep van de verdediging op de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte wordt derhalve ook op dit onderdeel verworpen.

3.3.9.

Overigens

Het Gerecht stelt vast dat het openbaar ministerie - ook overigens - ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte.

3.4.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken

4 Bewijsbeslissingen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten op grond van het volgende.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 cumulatief (valsheid in geschrift en witwassen)

4.1.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten 1 en 2 cumulatief 9

Inleiding

[verdachte] is bestuurder en directeur bij [vennootschap] te Curaçao. [vennootschap] drijft een onderneming in brandstoffen en aanverwante zaken en exploiteert benzinestations10

De levenspartner van [verdachte], medeverdachte [medeverdachte], was in de periode van 30 juni 2007 tot 8 oktober 2010 lid van de Eilandsraad van het Eilandgebied Curaçao.11 Vanaf 10 oktober 2010 tot aan de val van het toenmalig kabinet eind september 2012 was hij minister-president van het land Curaçao namens de politieke partij [politieke partij].12

[medeverdachte] en [verdachte] zijn bevriend met medeverdachte [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] is aandeelhouder van het bedrijf [bedrijf] (hierna ook: [bedrijf]). [bedrijf] is een groot bedrijf dat gokautomaten controleert en voor de overheid de belastingen incasseert van bedrijven.13 Volgens getuige [getuige] is [medeverdachte 2] de feitelijke eigenaar van [bedrijf].14

De twee invoices

Op 10 november 2011 zijn tijdens een huiszoeking bij [medeverdachte 2] te Rome (Italië) in het kantoor van medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna ook: medeverdachte 3) twee facturen aangetroffen op naam van [vennootschap]. Het betreft een Invoice [nummer] d.d. 4 mei 2010 en een Invoice [nummer] d.d. 7 juni 2010 (hierna ook: de twee invoices). De twee invoices zijn uitgeschreven aan [bedrijf].15 In het dossier zijn kopieën van de twee invoices gevoegd.16

Invoice [nummer] vermeldt de omschrijving “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt. Italian Market)” en “On-Board Firmware testing” en bedraagt in totaal USD [USD]. Op de invoice is vermeld dat het bedrag moet worden overgemaakt naar “C/o [verdachte]., Citibank, Account # [nummer], SWIFT # [nummer, ABA routing # [nummer]”. Het kader van het vak description is links ter hoogte van de tekst “C/o [verdachte].” doorbroken. De kop van de invoice bestaat onder meer uit een logo “V” met daarnaast een jubileumsymbool met de tekst “40” en het adres “(adres)”.17

Invoice [nummer] d.d. 7 juni 2010 heeft als omschrijving “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt. Italian Market)” en “On-Board Firmware testing” en bedraagt in totaal USD [USD$]. Op de invoice is vermeld dat het bedrag moet worden overgemaakt naar “C/o [verdachte]., Citibank, Account # [nummer], SWIFT # CITIUS33, ABA routing # 266086554”. Het kader van het vak description is links ter hoogte van de tekst “C/o [verdachte].” doorbroken. De kop van de invoice bestaat onder meer uit een logo “V” met daarnaast een jubileumsymbool met de tekst “40” en het adres [adres].18

De rechter stelt vast dat de twee invoices dezelfde lay-out hebben en de volgende overeenkomsten vertonen: de omschrijving, de betaalgegevens, de doorbroken kaderlijn en het logo van [vennootschap].

Vergelijking van de twee invoices met originele facturen van [vennootschap]en de administratie

Getuige [getuige], onderdirecteur bij [vennootschap], heeft verklaard dat de twee invoices niet afkomstig zijn uit de administratie van [vennootschap]. Hij benoemt een aantal verschillen: de indeling of kolomindeling verschilt met de originele facturen; het adres is onjuist; het embleem van het 40-jarig bestaan werd gebruikt in de periode van 2006 tot 2008 of 2009; op de plek waar de betalingsgegevens van [verdachte] op de invoices vermeld staan, staat op de originele [vennootschap]] facturen niets vermeld; de adresgegevens van de debiteur worden op de originele facturen anders vermeld; de vermelding "bill to" komt op de originele [vennootschap] facturen niet voor. [getuige] heeft nog nooit van het bedrijf [bedrijf] gehoord. De omschrijving van de werkzaamheden op de invoices zegt hem niets, hij weet niet waar de invoices over gaan en kent binnen [vennootschap] niemand met kennis van softwarematige aansturings- en controleprogrammatuur. De invoices staan niet vermeld in de administratie van [vennootschap], aldus steeds de getuige [getuige]19

De boekhoudster bij [vennootschap], getuige [getuige], heeft verklaard dat zij de twee invoices niet herkent. De datumopmaak van de V-facturen die zij maakt, is bijvoorbeeld anders dan die van de twee invoice [medeverdachte]20 Volgens de getuige is in de administratie van [vennootschap] geen bevestiging te vinden dat in het verleden een dienstverlening is verricht aan een Italiaans bedrijf of een buitenlands bedrijf.21

Er zijn geen aanwijzingen dat de twee invoices in de digitale Quickbooks administratie 2010 van [vennootschap] zijn verwerkt.22 De op de twee invoices vermelde dienstverlening is branchevreemd.23

Getuige [getuige 3], destijds administratief en financieel manager binnen [bedrijf] 24, heeft verklaard dat hij niet weet of er onderhandelingen tussen [bedrijf] en [vennootschap] hebben plaatsgevonden. Hij heeft nooit gehoord of gezien dat er een onderliggend contract bestaat.25 Getuige [getuige 4], (destijds) consultant binnen [bedrijf] 26, weet niet of [vennootschap] de op de facturen omschreven materialen en diensten daadwerkelijk heeft geleverd aan [bedrijf]. Hij begrijpt de omschrijving op de factuur niet goed. [getuige] weet niet of de door [vennootschap] geleverde Player Tracking Modules door het bedrijf [bedrijf] zijn gebruikt. In de hele wereld worden ze in de spelindustrie gebruikt maar voor zover [getuige] weet worden ze in Italië nog niet gebruikt. Voor zover hij weet komt dat omdat er momenteel geen Player Tracking Modules door de SOGEI zijn gecertificeerd.27

De vier aangetroffen digitale bestanden en het basisdocument

Tijdens de huiszoeking op 9 december 2013 op het kantooradres van [vennootschap]is in de bureaulade van [verdachte] een externe harde schijf aangetroffen (hierna: de externe harde schijf).28 Tijdens de huiszoeking op 9 december 2013 op de (adres) te Willemstad, het woonadres van [medeverdachte] en [verdachte], is een laptop computer van het merk Sony in beslag genomen (hierna ook: de laptop).29 Het Gerecht stelt vast, op grond van het feit dat in de laptop e-mailberichten, privéfoto's en andere bestanden van [medeverdachte] zijn aangetroffen, en niet is gebleken dat een ander de eigenaar of gebruiker van de laptop is30, dat [medeverdachte] de gebruiker van de laptop is.

Op de externe harde schijf is een bestand “Invoice Ital-01.xlsx” aangetroffen. Het betreft een invoice [nummer]. De kop van de invoice is voorzien van de naam en het logo van [vennootschap] met daarnaast een jubileumsymbool met de tekst “40” en het adres “(adres)". Het vak “Bill to” is niet ingevuld. De invoice heeft als omschrijving “Advisory and consulting services & Special Services Fees” en bedraagt USD [USD$$]. De kaderlijn van het vak description links en rechts ter hoogte van de tekst "C/o [verdachte]." is doorbroken. Het bestand heeft een laatste datum van schrijven van “19/10/09”.31

Op de externe harde schijf is ook een bestand aangetroffen onder de naam "Invoice [bedrijf] .xlsx". Het betreft een invoice [factuurnummer1]. De kop van de invoice is voorzien van de naam en het logo van [vennootschap] met daarnaast een jubileumsymbool met de tekst “40” en het adres [adres]. Achter “Bill to” is vermeld “[bedrijf]. De invoice heeft als omschrijving “Electronic materials” en bedraagt USD [USD]. De kaderlijn van het vak description is links en rechts ter hoogte van de tekst “C/o [verdachte].” doorbroken. Het bestand heeft een laatste datum van schrijven van “29/04/10”.32

In de laptop is eveneens een bestand "Invoice [bedrijf] .xlsx" aangetroffen. In de inbox van het e-mailbestand van het account (e-mailadres)is een e-mail aangetroffen waarin het bestand "Invoice [bedrijf] .xlsx" als bijlage is meegezonden. Het betreft een e-mail die op 3 mei 2010 is verzonden van het e-mailadres (e-mailadres) naar (e-mailadres) en vervolgens naar (e-mailadres).33 Uit onderzoek blijkt dat dit e-mailadres veel e-mailberichten bevat met “thumbnails” (afbeeldingen) die in veel gevallen betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van [medeverdachte], dat de persoonlijke berichten gericht zijn aan [medeverdachte]] als privépersoon of in zijn toenmalige hoedanigheid van minister president van het land Curaçao en dat de persoonlijk verzonden berichten zijn afgesloten met de naam [naam afzender].34 De rechter leidt hieruit af dat [medeverdachte] de gebruiker van het e-mailadres [e-mailadres] is.

Het bij de e-mail van 3 mei 2010 gevoegde bestand "Invoice [bedrijf].xlsx" betreft een invoice [factuurnummer1]. De invoice heeft als omschrijving “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt. Italian Market)” en “On-Board Firmware testing” en bedraagt in totaal USD [USD]. Op de invoice is vermeld dat het bedrag moet worden overgemaakt naar “C/o [verdachte]. , Citibank, Account # [rekeningnummer], SWIFT # [nummer], ABA routing # [nummer]. Het kader van het vak description is links ter hoogte van de tekst “C/o [verdachte].” doorbroken. De kop van de invoice bestaat onder meer uit een logo “V” met daarnaast een jubileumsymbool met de tekst “40” en het adres “(adres)”. Achter “Bill to” is vermeld “[bedrijf]” en de adresgegevens zijn ingevuld.35

Daarnaast is op de externe harde schijf een bestand “Invoice [bedrijf] 2.xlsx” aangetroffen. Het betreft een invoice [nummer]. De kop van de invoice is voorzien van de naam en het logo van [vennootschap] met daarnaast een jubileumsymbool met de tekst “40” en het adres “(adres)”. Als omschrijving is op de invoice vermeld “Assembly and Testing Player Tracking Module (Vlt Italian market)” en “On-Board Firmware testing” ten bedrage van in totaal USD [USD$]. De kaderlijn van het vak "description" links ter hoogte van de tekst "C/o [verdachte]." is doorbroken.36

Voornoemde digitale bestanden hebben een aantal gelijke digitale kenmerken. Zo is de MD5 hashwaarde (“digitale vingerafdruk”37) van de afbeelding van het [vennootschap] logo op alle onderzochte digitale bestanden gelijk en is aan alle aangetroffen digitale bestanden eenzelfde soort printer gedefinieerd, namelijk de HP LaserJet M2727 MFP Series P.38 Tijdens de huiszoeking in de woning aan de (adres) is in de werkkamer van [medeverdachte] een printer aangetroffen waarvan een foto is gemaakt. De HP LaserJet M2727 MFP Series P printer lijkt op de printer die in de werkkamer van [medeverdachte] fotografisch is vastgelegd.39 Tijdens de huiszoeking op het adres [adres] te Curaçao, zijnde het toenmalige ‘inschrijfadres’ van [verdachte], is onder andere een inventarislijst in beslag genomen, waarop is vermeld: HP laserjet M2727nf.40

Uit onderzoek blijkt dat op internet een met de invoices vergelijkbaar basisdocument is te downloaden (hierna ook: het basisdocument). De rechter stelt vast dat het basisdocument dezelfde lay-out heeft als de twee invoices en de vier digitale bestanden.41

4.2.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 (valsheid in geschrift)

4.2.1.

Valselijk opmaken

Het Gerecht leidt - met het openbaar ministerie - uit de redengevende feiten en omstandigheden af dat de twee in Italië inbeslaggenomen invoices in verschillende etappes digitaal zijn aangemaakt en bewerkt. De eerste digitaal aangetroffen versie van invoice [factuurnummer1] heeft geen geadresseerde (“bill to”) en is op 19 oktober 2009 voor de laatste maal beschreven. De tweede digitale versie van invoice [factuurnummer1] heeft als geadresseerde “[bedrijf] Ltd” zonder vermelding van de adresgegevens, heeft een andere omschrijving dan de eerste versie en is op 29 april 2010 voor de laatste maal beschreven. De derde digitale versie van invoice [factuurnummer1] heeft als geadresseerde “[bedrijf] Ltd” met vermelding van de adresgegevens, heeft een andere omschrijving dan de eerste en tweede versie en is op 3 mei 2010 naar [medeverdachte] gemaild. Deze gemailde versie van invoice [factuurnummer1] is identiek aan de in Italië inbeslaggenomen invoice [factuurnummer1]. De digitale versie van invoice [factuurnummer2] heeft dezelfde lay-out en betaalgegevens en hetzelfde logo als de gemailde versie van invoice [factuurnummer1] en is identiek aan de inbeslaggenomen invoice [factuurnummer2].

De rechter stelt vast dat voornoemde vier digitale bestanden onderling meerdere overeenkomsten vertonen, waaronder: de lay out, het jubileumlogo van [vennootschap]en de doorbroken kaderlijn ter hoogte van de tekst “C/o [verdachte].”. De vier digitale bestanden vertonen voorts twee opvallende overeenkomsten met de twee inbeslaggenomen invoice [medeverdachte] Zowel de digitale bestanden als de twee inbeslaggenomen invoices zijn voorzien van het jubileumlogo van [vennootschap] en een doorbroken kaderlijn ter hoogte van de tekst “C/o [verdachte].”. Op grond van de getuigenverklaringen van [getuige] en [getuige] kan worden vastgesteld dat zowel de twee invoices als de vier digitale bestanden niet overeenstemmen met de originele factuur van [vennootschap] De twee invoices zijn bovendien niet in de administratie van [vennootschap] opgenomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden, en bij gebreke aan een andersluidende verklaring van de verdachte, acht het Gerecht bewezen dat de twee invoices niet afkomstig zijn van [vennootschap] en dat de op de invoices vermelde factuurnummers niet door [vennootschap] zijn uitgegeven.

Naar het oordeel van het Gerecht is het voorts boven redelijke twijfel verheven dat de op de twee invoices vermelde werkzaamheden en/of diensten niet door [vennootschap] zijn verricht. Zoals gezegd komen de twee invoices niet voor in de Quickbook administratie van [vennootschap] De getuigen [getuige] en [getuige] zijn niet bekend met de twee invoices en de gefactureerde werkzaamheden, goederen of diensten. [onderdirecteur], onderdirecteur binnen het bedrijf, kent ook niemand binnen [vennootschap] met specifieke kennis op het gebied van de gefactureerde diensten. De getuigen [getuige] en [vennootschap] van [bedrijf] hebben bij gebrek aan wetenschap niet bevestigd dat de werkzaamheden of diensten daadwerkelijk zijn verricht en/of goederen zijn geleverd. Het Gerecht weegt in dit verband ook mee dat [verdachte] - als directeur van [vennootschap]- de beschuldiging dat er geen werkzaamheden door [vennootschap] zijn verricht, betrekkelijk eenvoudig had kunnen ontkrachten en weerleggen, bijvoorbeeld door namen te noemen van de betrokken personen of door de in het kader van de gestelde werkzaamheden gemaakte kosten aan te tonen. Dat heeft zij echter niet gedaan. De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat zij medeverdachte [medeverdachte 2] niet als getuige heeft kunnen horen, maakt dat niet ander[medeverdachte] Het Gerecht wordt ten slotte gesterkt in zijn overtuiging dat de werkzaamheden niet zijn verricht, door de verklaring van getuige [vennootschap]. De getuige heeft verklaard dat de op de twee invoices omschreven Player Tracking Modules in de hele wereld in de spelindustrie worden gebruikt, maar voor zover hij weet niet in Italië. Het Gerecht acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat op de twee invoices in strijd met de waarheid is vermeld dat de werkzaamheden en/of diensten door [vennootschap] voor [bedrijf] zijn verricht.

De verdediging heeft betoogd dat, nu zij medeverdachte [medeverdachte 2] niet als getuige heeft kunnen horen, het onderzoek ruimte openlaat voor een alternatieve verklaring [medeverdachte] scenario, inhoudende dat [vennootschap] wel degelijk zaken met [medeverdachte 2]. [bedrijf] deed en doende [medeverdachte]. voornemens was een ‘PTM’ te ontwikkelen. Het Gerecht acht een dergelijke alternatieve lezing van de gebeurtenissen niet aannemelijk, reeds omdat deze door voormelde bewijsmiddelen en bewijsoverweging wordt weerlegd. Een daartoe strekkende verklaring van [verdachte] ontbreekt.

Het Gerecht acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de twee invoices valselijk zijn opgemaakt.

4.2.2.

Medeplegen

Het Gerecht acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de twee invoices tezamen en in vereniging met [medeverdachte] (en anderen) valselijk heeft opgemaakt. Dit wordt als volgt toegelicht, waarbij het Gerecht aansluit bij de rechtspraak van de Hoge Raad42.

Het Gerecht acht bewezen dat [verdachte] een intellectuele en materiële bijdrage aan het delict heeft geleverd, die van voldoende gewicht is. De invoices bevatten informatie over [verdachte] en [vennootschap] Zo zijn de betaalgegevens van de Citibankrekening van [verdachte] (de swift en ABA routing nummers) op de invoices vermeld alsmede het logo en jubileumlogo van [vennootschap]. De logo’s van [vennootschap] zijn digitaal beschikbaar gesteld ten behoeve van het opmaken van de valse invoice [medeverdachte] [verdachte] is directeur van [vennootschap]. Naar het oordeel van het Gerecht, de redengevende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] de desbetreffende gegevens heeft aangeleverd ten behoeve van het opmaken van de valse invoice [medeverdachte] Daarnaast heeft [verdachte] haar privébankrekening ter beschikking gesteld voor de betaling door [bedrijf] en zijn de digitale bestanden aangetroffen op de externe harde schijf die zich in haar bureaulade bevond. Verder blijkt uit hetgeen hierna ten aanzien van het witwassen zal worden overwogen, dat de twee valse invoices door [bedrijf zijn betaald aan [verdachte], waarna de bedragen via verschillende overboekingen en geldopnames ten goede zijn gekomen aan [medeverdachte] en [verdachte] persoonlijk (ieder ongeveer de helft). Aldus heeft [verdachte] een wezenlijke rol bij de voorbereiding en uitvoering van het delict gehad. Bewezen is derhalve dat [verdachte] nauw en bewust met anderen heeft samengewerkt bij het opmaken van de valse invoices.

De betrokkenheid van [medeverdachte] bij het opmaken van de twee invoices blijkt uit het feit dat hij beschikt over meerdere (digitale) versies van de twee invoices en uit genoemd e-mailverkeer tussen [medeverdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Uit het feit dat een aan [bedrijf] gerichte factuur van [vennootschap] door een medewerker van [bedrijf ([medeverdachte 2]) - via [medeverdachte 2] - naar [medeverdachte] wordt verzonden, blijkt dat er sprake is van een samenwerking tussen de betrokkenen. De gemailde factuur is voorts de laatstelijk bewerkte versie van invoice [factuurnummer1] en deze versie is uiteindelijk daadwerkelijk als factuur gebruikt. Nu, zoals hierna zal worden overwogen, ook blijkt dat [verdachte] de op de invoices vermelde bedragen heeft witgewassen en dat de op basis van de twee valse invoices door [bedrijf] verrichte betalingen gedeeltelijk (ongeveer de helft) ten goede zijn gekomen aan [medeverdachte] persoonlijk, is het Gerecht van oordeel dat het, bij gebreke aan een redelijke verklaring, niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte] van de valsheid van de invoices op de hoogte was en dat hij, vooraf en achteraf, een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft geleverd. Het medeplegen van [medeverdachte] is derhalve eveneens bewezen.

4.3.

Verdere redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 2 cumulatief (witwassen)

De op basis van de twee valse invoices verrichte betalingen aan [verdachte]

Op 14 mei 2010 is in opdracht van [bedrijf] een bedrag van USD [USD] gestort en bijgeschreven op de rekening van [verdachte] bij de Citibank in de Verenigde Staten van Amerika.43 Op de externe harde schijf is een document aangetroffen waarin is vermeld dat de overboeking van USD [USD] naar de Citibankrekening van [verdachte] drie dagen eerder, op 11 mei 2010, niet was doorgegaan. Dit document is aangetroffen op de locatie “/GS Documents/New Campaign [politiek partij] 2010/DocumentsCampaign/”.44

Op 14 juni 2010 is in opdracht van [bedrijf een bedrag van USD [USD$] gestort op de Citibankrekening van [verdachte].45 Dezelfde dag is een bedrag van USD [USD$$$] op de rekening van [verdachte] bijgeschreven. Dat bedrag is overgemaakt door [bedrijf] .46 De rechter acht het aannemelijk dat het verschil tussen genoemde bedragen (USD 25,00) bestaat uit koersverschillen en/of bankkosten.47

De overboekingen ad USD [USD] en USD [USD] naar [bedrijf] Ltd

Op 17 mei 2010 is vanaf de Citibankrekening van [verdachte] een bedrag van USD [USD] overgemaakt naar de vennootschap bedrijf] Ltd. Het bedrag is dezelfde dag bijgeboekt op de rekening van [bedrijf].48

Op 14 juni 2010 is vanaf de Citibankrekening van [verdachte] een bedrag van USD [USD] overgemaakt naar [bedrijf 2] Ltd. Het bedrag is op de bankrekening van [bedrijf] Ltd. bijgeboekt.49

[bedrijf 2] Ltd of [bedrijf 2] Ltd is een onderneming op de Marshall Islands, die [medeverdachte] heeft laten oprichten via de UBS-bank te Zwitserland. [medeverdachte] heeft een bankrekening ten name van Nb Ltd. geopend bij die bank. [medeverdachte] is de uiteindelijke begunstigde van die bankrekening.50 De bankafschriften van die rekening zijn geadresseerd aan “Nb Ltd, BR Geneve”, zonder nadere adresaanduiding.51 Deze vennootschap en bankrekening zijn niet bekend bij de belastingdienst te Curaçao.52

De aankoop van vier cheques van de Citibankrekening van [verdachte]

Op 11 juni 2010 zijn bij de Citibank te Miami (Verenigde Staten van Amerika) drie bankcheques gekocht, te weten twee cheques ad USD [USD] en een cheque ad USD [USD].53 Deze drie cheques zijn op 11 juni 2010 in één bedrag (USD [USD$$]) van de Citibankrekening van [verdachte] afgeschreven.54 De twee cheques ad USD [USD] elk zijn gericht aan [vennootschap]en vermelden als afzender [verdachte].55 De cheque ad USD [USD] is gericht aan Fundashon [naam medeverdachte] en vermeldt als afzender [verdachte].56

Op 14 juni 2010 is bij de Citibank een cheque ad USD [USD] gekocht.57 Dezelfde dag is een totaal bedrag ad USD [USD] van de Citibankrekening van [verdachte] afgeschreven.58 De cheque is gericht aan Fundashon [naam medeverdachte] en vermeldt als afzender [verdachte]..59

De twee cheques ad USD [USD] gericht aan [vennootschap]

De eerste cheque ad USD [USD] is op 15 juni 2010 aangeboden bij de MCB bank te Curaçao, de tweede cheque op 16 juni 2010.60 De tegenwaarde van deze bedragen in Antilliaanse guldens (NAf [NAf] elk) is op 15 juni 2010 respectievelijk 16 juni 2010 bijgeschreven op de bankrekening van [vennootschap]61

Het eerste bedrag van NAf [NAf] is op 15 juni 2010 in de boekhouding van [vennootschap] in mindering gebracht op een schuld die [verdachte] aan het bedrijf heeft. Het tweede bedrag van NAf [NAf] is op 16 juni 2010 op die schuld in mindering gebracht.62

Twee cheques ad USD [USD] en USD [USD] gericht aan Fundashon [naam medeverdachte]

De twee cheques ad USD [USD] respectievelijk USD [USD] zijn op 15 juni 2010 aangeboden bij de ORCO Bank N.V. te Curaçao.63De tegenwaarde van deze bedragen in Antilliaanse guldens (NAf [NAf]) is bijgeschreven op de bankrekening van de stichting Fundashon [naam medeverdachte].64 [medeverdachte] is de uiteindelijk belanghebbende van die bankrekening.65

Op 8 juli 2010 wordt een opname van de rekening van Fundashon [naam medeverdachte] gedaan ad NAf [NAf] onder vermelding van cheque no. [cheque no.]. Op 16 juli 2010 wordt een opname van die rekening ad NAf [NAf] gedaan onder vermelding van cheque no. [cheque no].66Deze bedragen zijn bijgeschreven op de privébankrekening van [medeverdachte] bij de MCB bank.67

4.4.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2 cumulatief (witwassen)

4.4.1.

Criminele herkomst van het geld

Het door [bedrijf] op basis van de twee valse invoices aan [verdachte] betaalde geld is afkomstig uit het door de verdachte zelf gepleegde misdrijf van, kort gezegd, valsheid in geschrift. Dit geld is uiteindelijk na verschillende overboekingen (ofwel omzettingen) en geldopnames ten gunste gekomen van [medeverdachte] en [verdachte] persoonlijk. Uit voormelde redengevende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien met de redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 1, leidt het Gerecht af dat het niet kan anders zijn dan dat [verdachte] en [medeverdachte] geweten hebben dat het geld afkomstig was van misdrijf. Het Gerecht acht in dit verband mede van belang dat de verdachte geen enkele poging heeft gedaan om inzicht te geven in enige andere herkomst, laat staan in een legale herkomst van het desbetreffende geld.

4.4.2.

Verbergen of verhullen

Nu het door [medeverdachte] en [verdachte] ontvangen geld afkomstig is uit eigen misdrijf, moet voor de kwalificatie van witwassen sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Het Gerecht sluit in dit verband aan bij de vaste rechtspraak van de Hoge Raad.68

Het Gerecht acht in deze de volgende gedragingen relevant. De verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben de herkomst van het geld verhuld door aan de door [bedrijf] verrichte betalingen twee valse invoices ten grondslag te leggen. Ze hebben voor de betaling door [bedrijf] gebruik gemaakt van de buitenlandse privérekening van [verdachte]. Vervolgens hebben zij het geld op verschillende data en in verschillende etappes overgeboekt dan wel opgenomen. Een deel van het van [bedrijf] ontvangen geld is in twee etappes door [verdachte] overgeboekt naar de bankrekening in Zwitserland van een vennootschap van [medeverdachte] in het belastingparadijs Marshall Islands, welke bankrekening niet bij de Curaçaose belastingdienst bekend is en van welke bankrekening [medeverdachte] de begunstigde is. Een ander deel van het van [bedrijf] ontvangen geld is door middel van vier cheques contant opgenomen door [verdachte]. Dat geld is vervolgens in twee etappes door [verdachte] gestort op de bankrekeningen van [Vennootschap] en door middel van twee door [verdachte] uitgeschreven cheques bijgeschreven op de bankrekening van een stichting waarvan [medeverdachte] de begunstigde is. Vervolgens is een gedeelte van dat geld door interne verrekening met een schuld aan [vennootschap] ten gunste gekomen van [verdachte] persoonlijk; een ander deel is door middel van twee chequeopnames ten gunste gekomen van [medeverdachte] persoonlijk. Door aldus gebruik te maken van verschillende (buitenlandse) bankrekeningen, waaronder een in Zwitserland dat naar algemeen bekend is een sterk bankgeheim heeft, van (buitenlandse) vennootschappen en van een buitenlandse bankrekening zonder nadere adresaanduiding, en door niet (steeds) gebruik te maken van het gangbare girale betalingsverkeer maar van bankcheques waardoor de zogenoemde paper trail wordt onderbroken, is naar het oordeel van het Gerecht sprake van een verhullende betalingsconstructie. De verdachten hebben de gelden niet ‘slechts’ verworven en voorhanden gehad (door het op hun eigen bankrekening te storten dan wel eigenhandig op te nemen, zoals de verdediging heeft betoogd), maar hun gedragingen zijn ook gericht geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld dat zij van [bedrijf] hebben ontvangen. Derhalve is sprake van witwassen in de zin van artikel 435a lid 1 onder a (en onder b) Wetboek van Strafrecht Nederlandse Antillen (oud).

4.4.3.

Medeplegen

[medeverdachte] en [verdachte] hebben beide aan de verhullende betalingsconstructie meegewerkt en daaraan een wezenlijke bijdrage geleverd. Bovendien is het door B P betaalde geld uiteindelijk gelijkmatig tussen de verdachten verdeeld: [medeverdachte] heeft (via [bedrijf] en Fundashon [naam medeverdachte]: USD [USD] + [USD] + [USD] + [USD], is) USD [USD] ontvangen; [verdachte] (USD [USD] + [USD] + het op de Citibank achtergebleven bedrag ad USD [USD], is) USD 10[USD]. Het Gerecht acht het tenlastegelegde medeplegen derhalve eveneens bewezen.

Ten aanzien van feit 3 cumulatief (voorhanden en aanwezig hebben van jammers)

4.5.

Redengevende feiten en omstandigheden ten aanzien van feit 3 (cumulatief) 69

Op 9 december 2013 zijn tijdens de huiszoeking te (adres) te Curaçao (zijnde de woning van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte], opm. rechter) twee jammers aangetroffen, te weten een jammer op de plank van de slaapkamer (beslagnummer Bank [beslagnummer Bank]) en een jammer op de vloer in het kantoor (beslagnummer Bank [beslagnummer Bank]).70 Tevens is een bij eerstgenoemde jammer behorende afstandsbediening in de kast in de slaapkamer aangetroffen (beslagnummer 33.3.5.5).71

Uit onderzoek door twee experts digitaal rechercheren van het Recherche Samenwerkingsteam blijkt dat de jammer met beslagnummer Bank [beslagnummer Bank] (merkloos, serienummer 01107810) en de jammer met beslagnummer Bank [beslagnummer Bank] (merkloos en geen serienummer) apparaten zijn waarmee opzettelijk de telecommunicatie infrastructuur kan worden verstoord, namelijk het GSM/DCS/CDMA/3G-verkeer. Na het aanzetten van de laatstgenoemde jammer trad in de directe omgeving een verstoring van het GSM/3G-netwerk van zowel UTS als Digicel op, waardoor het gebruik van GSM’s in de directe nabijheid van de jammer niet mogelijk was gedurende de tijd dat deze aan stond.72

Door Bureau Telecommunicatie en Post (BT&P) is onderzoek verricht naar de technische functionaliteit van de apparaten. Uit dat onderzoek blijkt dat de apparaten met de beslagnummers Bank [beslagnummer Bank] en Bank [beslagnummer Bank] “frequency jammers” zijn. Deze apparaten zenden radiogolven uit op frequentiebanden die worden gebruikt voor draadloze communicatie. Ze blokkeren de communicatie tussen basisstation en mobiele telefoon. Mobiele telefoons die zich binnen het bereik van deze apparaten bevinden kunnen geen gesprekken ontvangen of plaatsen. Conform artikel 15 lid 1 van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen (Ltv) is het anders dan krachtens concessie verboden radio-elektrische zendinrichtingen aan te leggen, aanwezig te hebben dan wel te gebruiken of te exploiteren, tenzij met machtiging van de Minister. De Minister zal geen machtiging afgeven voor een dergelijk apparaat aangezien het storing veroorzaakt aan een concessiehouder.73 De apparaten Bank [beslagnummer Bank]. en Bank [beslagnummer Bank] zijn ontworpen met het doel de storingsvrije communicatie in bepaald frequentiebanden te verstoren. Zonder technische aanpassing kunnen zij niet voor andere doeleinden worden gebruikt. Het apparaat Bank 33.3.5.5. is bedoeld om Bank [beslagnummer Bank]. op afstand te bedienen.74

[medeverdachte] en [verdachte] zijn geen houder van een concessie zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 Ltv75

Twee weken voor de inbeslagname van de twee frequency jammers is via het e-mailadres van [MEDEVERDACHTE] (e-mailadres) een bestelling van (andere dan de inbeslaggenomen, opm. rechter) jammers geplaatst bij bedrijf [bedrijf] Dit bedrijf heeft bij e-mail van 28 november 2013 de order bevestigd. De e-mail is gericht aan [verdachte].. De orderbevestiging vermeldt de volgende informatie: “Billing information: Payment Method: [verdachte].. Credit card payment Online (2). Shipping information: Shipping Method: [verdachte]., (adres), United States”.76

Een paar dagen later, op 2 december 2013, is via het e-mailadres van [medeverdachte] (e-mailadres) een ander bedrijf om advies gevraagd. De e-mail van 2 december 2013 van [medeverdachte] aan [persoon] van [bedrijf] Limited vermeldt: “Please indicate to us exactly which portable jammer you are offering, we need 3 pc [medeverdachte] Of good 5 band cell phone jammer. Please advice on the frequencies can’t tell you exactly what we need. Two mobile companies: http://www.ut[medeverdachte]cw/ and http://digicelcuracao.com/.”77

Bij e-mail van 4 december 2013 wordt vanaf het e-mailadres van [medeverdachte] (e-mailadres) een e-mail van [persoon] met onderwerp (letterlijk weergegeven) “re inquiring of CTS jmamer” doorgestuurd naar [verdachte]. met de mededeling “Lesa e email aki abou”. De doorgestuurde e-mail van [persoon] vermeldt onder meer: “sorry for the mistake, this is the right PI you can see it in the attachment, please check (…) I’m sorry to tell you that the system fail to verify the order. Your money have been refund. Could you please make payment by Money Gram or Western Union? You can find the PI in the attachment.”78

4.6.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3 cumulatief (voorhanden en aanwezig hebben van jammers)

Uit het voorgaande blijkt dat in de woning waar [verdachte] met [medeverdachte] woont, twee frequency jammers voorhanden en aanwezig waren, terwijl aan hen geen concessie is afgegeven. Nu gesteld noch gebleken is dat [verdachte] of [medeverdachte] daarvoor een machtiging van de minister was verleend, is sprake van voorhanden en aanwezig hebben in strijd met de wet. De omstandigheid dat de werking van een van de jammers niet consistent is, maakt dat niet ander[medeverdachte] Het apparaat blijkt immers, hoewel niet altijd, wel te functioneren.

De betrokkenheid en het bewustzijn van [verdachte] bij/van de aanwezige jammers blijkt uit het aangehaalde e-mailverkeer. Het Gerecht leidt, bij gebrek aan een andersluidende verklaring, uit de e-mails af dat [verdachte] voorafgaand aan het tenlastegelegde feit (andere) jammers heeft besteld en daarbij haar creditcardgegevens heeft doorgegeven en dat [medeverdachte], nadat er met zijn bestelling van (bepaalde) jammers iets was misgegaan, [verdachte] daarvan op de hoogte heeft gesteld. Dit wijst op de betrokkenheid en het bewustzijn van [verdachte] bij/van de aanschaf van (bepaalde) jammer[medeverdachte] Vervolgens zijn er twee frequency jammers aangetroffen in de woning van de verdachten. Het Gerecht acht het, voormelde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien, niet aannemelijk dat [verdachte] zich niet bewust was van de aanwezigheid van deze frequency jammers, zoals de verdediging heeft aangevoerd. De e-mailcorrespondentie en de plek waar de twee frequency jammers zijn aangetroffen, te weten op een plank in een slaapkamer en op de vloer in het kantoor in de woning van de verdachten, wijzen op het tegendeel. Het Gerecht leidt uit een en ander af dat beide verdachten over de jammers konden beschikken en in meer of mindere mate bewust waren van de aanwezigheid van de jammer[medeverdachte] Het tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden en aanwezig hebben van de twee jammers is derhalve bewezen.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de medeverdachte [medeverdachte] het oogmerk dat daarmee een misdrijf in de zin van artikel 2:107 eerste lid Sr wordt gepleegd, niet had. Kennelijk bedoelt de verdediging dat dit ook geldt voor [verdachte]. Het Gerecht verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Een frequency jammer is, zoals het openbaar ministerie ook heeft betoogd, ontworpen met het doel de storingsvrije communicatie in bepaalde frequentiebanden te verstoren. De verdediging heeft gesteld dat het de bedoeling was de frequency jammers te gebruiken. Daarmee is het oogmerk om opzettelijk een stoornis te veroorzaken in de gang en/of in de werking van enig werk of telecommunicatie, bewezen. De door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat de jammers niet in gebruik (aangelegd) waren, doet aan dat oogmerk niet af.

Dat er geen gemeen gevaar voor personen en goederen zou zijn, zoals door de verdediging voorts is betoogd, is niet van belang, nu er geen gemeen gevaar voor goederen aanwezig hoeft te zijn voor bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.

Ook het betoog van de verdediging dat de frequency jammers eventueel machtigingsvrij zijn, gaat niet op. Uit het schrijven van BT&P blijkt dat voor dergelijke apparaten geen machtiging zal worden afgegeven aangezien deze storing veroorzaken aan een concessiehouder.

De verdachte zal partieel worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van audio jammers en spy phone protectors, zoals ook is tenlastegelegd, omdat niet is bewezen dat dit technische hulpmiddelen zijn die ontworpen zijn voor het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van of enig werk voor telecommunicatie.

4.7

Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1, 2 cumulatief en 3 cumulatief tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht dat:

Feit 1:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot en met 1 juli 2010 te Curaçao in de voormalige Nederlandse Antillen en Italië, tezamen en in vereniging met anderen,

twee facturen van [vennootschap] (gericht aan [bedrijf]), te weten:
- een factuur met factuurnummer [factuurnummer1] (gedateerd 4 mei 2010) ten bedrage van [USD] USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and Testing Playing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en “On-Board Firmware testing”) en
- een factuur met factuurnummer [factuurnummer2] (gedateerd 7 juni 2010) ten bedrage van [USD$] USD (onder vermelding van de omschrijving “Assembly and testing Tracking Module (Vlt Italian Market)” en “On-Board Firmware testing”),

zijnde telkens een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt,

met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken,

terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan,

bestaande die valsheid hierin dat verdachte en haar mededaders

  • -

    opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in genoemde facturen hebben vermeld dat door het bedrijf [vennootschap] vermelde werkzaamheden en/of diensten zijn verricht (voor het bedrijf [bedrijf]), terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht en

  • -

    opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid in genoemde facturen hebben vermeld dat de facturen op naam gesteld zijn van het bedrijf [vennootschap], terwijl in werkelijkheid de facturen niet op naam gesteld zijn van het bedrijf [vennootschap] en

  • -

    opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid op genoemde facturen de factuurnummers [factuurnummer1] en/of [factuurnummer2] heeft vermeld als zijnde factuurnummers van het bedrijf [vennootschap], terwijl in werkelijkheid vermelde factuurnummers niet zijn uitgegeven door het bedrijf [vennootschap];

Feit 2 cumulatief:

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 15 november 2011 te Curaçao en Curaçao in de voormalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens van een voorwerp, te weten een geldbedrag ter waarde van

  • -

    15.000 USD en

  • -

    10.000 USD en

  • -

    50.000 USD en

  • -

    50.000 USD en

  • -

    53.422 USD en

  • -

    20.000 USD,

de herkomst heeft verborgen of verhuld,

terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat deze geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

en

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2010 tot 15 november 2011 te Curaçao en Curaçao in de voormalige Nederlandse Antillen en de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, tezamen en in vereniging met een ander, telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag ter waarde van:

  • -

    15.000 USD en

  • -

    10.000 USD en

  • -

    50.000 USD en

  • -

    50.000 USD en

  • -

    53.422 USD en

  • -

    20.000 USD,

heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet,

terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat deze geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

Feit 3 cumulatief:

zij op of omstreeks 9 december 2013 in Curaçao tezamen en in vereniging met een ander technische hulpmiddelen die ontworpen zijn voor het opzettelijk veroorzaken van een stoornis in de gang en/of in de werking van of enig werk voor telecommunicatie,

te weten een

  • -

    frequency jammer, merkloos met serienummer 011007810 [beslagnummer [beslagnummer Bank]] inclusief bijbehorende afstandbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en

  • -

    een frequency jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer [beslagnummer Bank]]

voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 2:107 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd;

en

zij op 9 december 2013 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander

twee radio-elektrische zendinrichtingen, te weten een:

  • -

    frequency jammer, merkloos met serienummer 011007810 [beslagnummer [beslagnummer Bank]] inclusief bijbehorende afstandbediening [beslagnummer 33.3.5.5] en

  • -

    een frequency jammer, merkloos zonder serienummer [beslagnummer [beslagnummer Bank]]

(anders dan krachtens concessie) aanwezig heeft gehad, terwijl aan haar, verdachte, hiertoe geen machtiging van de Minister (van Verkeer, Vervoer en Ruimtelijke Planning) was afgegeven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 cumulatief en 3 cumulatief meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2 cumulatief:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Feit 3 cumulatief:

Eendaadse samenloop van:

  • -

    medeplegen van het voorhanden hebben van een technisch hulpmiddel hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen tot het plegen van een misdrijf als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:107 van het Wetboek van Strafrecht met het oogmerk om daarmee een misdrijf te plegen als genoemd in dat artikel, en

  • -

    medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 15 van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op overmacht ten aanzien van feit 4

Namens de verdachte is ten aanzien van feit 4 betoogd dat zij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu zij heeft gehandeld in een situatie van overmacht. Daartoe is gesteld dat medeverdachte [medeverdachte] spionage apparatuur in zijn auto heeft aangetroffen en dat vertrouwelijk gevoerde gesprekken van [medeverdachte] in de woning van [verdachte] en hem op geen enkele andere afdoende wijze te waarborgen waren, nu de overheid [medeverdachte] niet tegen een dergelijke diepingrijpende heimelijke inbreuk kon beschermen en hij belang heeft bij waarborg van zijn privacy. Kennelijk bedoelt de verdediging dat dit ook geldt voor [verdachte].

Naar het oordeel van het Gerecht kan niet worden geconcludeerd dat de door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden van dien aard waren dat [verdachte] heeft gehandeld onder een daardoor veroorzaakte zodanige psychische druk dat zij daartegen geen weerstand heeft kunnen en behoeven te bieden. Veronderstellende wijze ervan uitgaande dat medeverdachte [medeverdachte] inderdaad afluisterapparatuur in zijn auto heeft aangetroffen, en [medeverdachte] en [verdachte] daarom frequency jammers in hun woning hadden, kan niet worden gezegd dat dit middel hiertoe geëigend wa[medeverdachte] Frequency jammers beschermen immers niet tegen het afluisteren in de auto of woning door middel van afluisterapparatuur; ze verstoren het mobiele telefoonverkeer. Ook kan niet worden geconcludeerd dat het een proportioneel middel was Tegenover het (kennelijk gestelde) eigen belang van de verdachte om haarzelf en haar familie in haar woning te beschermen tegen afluisteren omdat [medeverdachte] in zijn auto afluisterapparatuur heeft aangetroffen, staan maatschappelijke belangen als een ongestoord mobiel telefoonverkeer (2:107 Sr) c.q. de gecontroleerde toegang tot telecommunicatie in het kader van de veiligheid van het land en openbare orde (art. 15 Ltv). Een ongestoord telefoonverkeer is met name van belang voor de bereikbaarheid van de hulpverleningsdiensten. Het Gerecht is van oordeel dat deze maatschappelijke belangen zwaarder wegen dan het (kennelijk gestelde) eigen belang van de verdachte. Als er al sprake was van een psychische druk, heeft de verdachte daartegen dus weerstand kunnen en behoeven te bieden. Het beroep op overmacht faalt derhalve.

Ook overigens zijn er geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheffen of uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het Gerecht zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft het Gerecht het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met anderen valse facturen opgemaakt. Aldus heeft zij zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift. Dat is een ernstig misdrijf, nu in het economisch verkeer op de juistheid van facturen moet kunnen en worden vertrouwd. Door haar handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op dat vertrouwen. Dit wordt haar zwaar aangerekend.

Op basis van de valse facturen zijn betalingen verricht die via verschillende omwegen gedeeltelijk aan de verdachte persoonlijk ten goede zijn gekomen. Door gebruik te maken van verschillende (buitenlandse) vennootschappen, bankrekeningen en bankcheques en door de herkomst van de betalingen te verhullen, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan (het medeplegen van) witwassen. Witwassen is een ernstig strafbaar feit. Door haar handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit en de transparantie van het financiële en economische verkeer.

De verdachte heeft voorts samen met de medeverdachte zonder machtiging twee frequency jammers voorhanden en aanwezig gehad. Een frequency jammer is gebouwd en ontworpen om mobiel telefoonverkeer te verstoren. De verstoring van mobiel telefoonverkeer kan voor levensgevaarlijke situaties zorgen, omdat in dat geval ook hulpverleningsdiensten in de directe omgeving niet meer bereikbaar zijn. Het Gerecht acht ook dit misdrijf kwalijk.

Het Gerecht rekent de verdachte haar handelen zwaar aan en is op grond van de aard en de ernst daarvan van oordeel dat slechts een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

Bij het vaststellen van de duur van de op te leggen straf houdt het Gerecht rekening met de straffen die die door het Gerecht ten aanzien van witwassen en valsheid in geschrift plegen te worden opgelegd.

Ook houdt het Gerecht rekening met de rol die de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij het opmaken van de valse facturen en het witwassen hebben gehad. Die rol is groot geweest. [verdachte] heeft de benodigde gegevens voor de valse facturen verstrekt en haar bankrekening ter beschikking gesteld voor de ontvangst van de giften. Medeverdachte [medeverdachte] is betrokken bij het valselijk opmaken van de facturen, die nodig waren om de giften van [medeverdachte] een legitieme herkomst te geven. [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] hebben de giften vervolgens in verschillende etappes en via verschillende omwegen aan henzelf doen toekomen. Naar het oordeel van het Gerecht zijn de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] aldus aan te merken als gelijkwaardige medeplegers van de valsheid in geschrift en het witwassen. Ook ten aanzien van het voorhanden en aanwezig hebben van de frequency jammers zijn de verdachten als gelijkwaardige medeplegers aan te merken. Daarmee zal bij de strafoplegging rekening worden gehouden.

Ten voordele van de verdachte wordt meegewogen dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Redelijke termijn

Met de verdediging is het Gerecht van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met drie maanden. Op het moment van de uitspraak (11 maart 2016) zijn meer dan twee jaren verstreken na de dag waarop verschillende huiszoekingen bij de verdachte hebben plaatsgevonden (9 december 2013). Aan deze huiszoekingen kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat zij op enig moment zou worden vervolgd. Na de eerste behandeling van de zaak ter terechtzitting op 5 juni 2015 is op verzoek van de verdediging een aantal getuigen gehoord, waaronder twee buitenlandse getuigen, en herhaaldelijk getracht de buitenlandse getuige [getuige] op te sporen teneinde hem te doen horen. Dit horen en opsporen heeft de nodige tijd in beslag genomen, namelijk zo’n vijf maanden, en dit tijdsverlies dient deels op het conto van de verdediging te worden geschreven. Het Gerecht komt, na afweging van alle belangen en omstandigheden, tot de slotsom dat in deze zaak kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden waardoor inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.79 De overschrijding zal derhalve niet in de straf worden verdisconteerd.

Media-aandacht

Namens de verdediging is naar voren gebracht dat door de media, waaronder de woordvoerder van het openbaar ministerie, veel aandacht aan de strafzaak is besteed en een strafmatiging passend is gelet op de stigmatiserende publiciteit en de schadelijke gevolgen daarvan voor de verdachte en haar naasten. Het Gerecht overweegt dat media-aandacht rondom de persoon van de verdachte een zware wissel kan trekken op de verdachte en haar privéleven. Tegelijkertijd acht het Gerecht deze media-aandacht inherent aan de zaak. De verdachte heeft samen met haar partner drie strafbare feiten gepleegd, terwijl hij een openbare functie als Eilandsraadslid c.q. minister-president bekleedde en zij directeur was van een groot bedrijf. In een kleine gemeenschap als Curaçao zal een dergelijke zaak al snel een grote impact hebben. De maatschappelijke positie van de verdachte is een niet onbegrijpelijk aandachttrekkend aspect. De verdachte had zich hiervan bij het plegen van de feiten bewust kunnen en moeten zijn. Het Gerecht heeft derhalve geen aanleiding om het aspect van de media-aandacht in strafmatigende zin mee te wegen.80

De verdachte heeft zich ter terechtzitting op haar zwijgrecht beroepen. Uit niets blijkt dat zij inziet dat haar handelwijze een ontoelaatbare was. Het Gerecht heeft - mede daardoor - geen aanknopingspunten om aan te nemen dat van de verdachte in de toekomst een andere houding ten opzichte van ernstige misdrijven als valsheid in geschrift en witwassen kan worden verwacht om daarmee, ten voordele van de verdachte, in de straftoemeting rekening te houden.

Het Gerecht houdt voorts rekening met het feit dat de wetgeving is veranderd na het tijdstip waarop de feiten 1 en 2 cumulatief zijn begaan. Daarbij is het strafmaximum voor het delict valsheid in geschrift verhoogd en dat voor het delict witwassen verlaagd. Bij de strafoplegging is derhalve het desbetreffende artikel in de oude wet van valsheid in geschrift en het desbetreffende artikel in de nieuwe wet van witwassen, als de voor de verdachte gunstigste bepalingen, toegepast.

Alles afwegende acht het Gerecht de door de officieren van justitie gevorderde straf in goede verhouding staan tot de ernst van de feiten. Het Gerecht acht deze straf passend en geboden. Noch in de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat zij een baan en een jonge dochter heeft, vindt het Gerecht aanleiding om daarvan af te wijken.

8 Beslag

Onttrekking aan het verkeer

De onder de verdachte in beslag genomen frequency jammers (beslagnummers [beslagnummer Bank] en

[beslagnummer Bank]) en afstandsbediening (beslagnummer 33.3.5.5) zullen worden onttrokken aan het verkeer, omdat de onder 4 bewezen verklaarde feiten met betrekking tot die voorwerpen zijn begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

230 van het Wetboek van Strafrecht Nederlandse Antillen (oud); en

1:19, 1:20, 1:21, 1:62, 1:74, 1:75, 1:123, 1:133, 1:136, 1:224, 2:107 en 2:404 van het Wetboek van Strafrecht; en

15 en 35 van de Landsverordening op de telecommunicatievoorzieningen.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1, feit 2 cumulatief en feit 3 cumulatief tenlastegelegde zoals in rubriek 4.7 omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot negen (9) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op drie (3) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

onttrekt aan het verkeer:

- de inbeslaggenomen frequency jammers (beslagnummers [beslagnummer Bank] en [beslagnummer Bank]) en afstandsbediening (beslagnummer 33.3.5.5);

gelast de teruggave aan de verdachte van:

  • -

    de audio-jammers (beslagnummers 33.1.5.1-A t/m 33.1.5.1-C)

  • -

    de spy-phone protectors (beslagnummers 33.1.5.1-D en 33.1.5.1-E).

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.H. Lips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 11 maart 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 14 t/m 17 en de daarin genoemde bijlagen

2 Bijlage 148

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] vd [medeverdachte] bij de rechter-commissaris, antwoord op vraag 8

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] vd [medeverdachte] bij de rechter-commissaris, antwoord op vraag 16

5 Bijlage 148

6 Proces-verbaal van verhoor getuige A.[medeverdachte] vd [medeverdachte] bij de rechter-commissaris, antwoord op vraag 24

7 Pleidooi, bijlage 17

8 Bijlage bij het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris

9 De door het Gerecht in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier (zaaksdossier) in Onderzoek Babel d.d. 11 februari 2015

10 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 24 onder 6.2; Geschrift, te weten Uittreksel uit het Handelsregister betreffende [vennootschap], bijlage 7

11 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [MEDEVERDACHTE] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 24 onder 6.2 voor zover het betreft “ de levenspartner van”; Geschrift, te weten een Verklaring van Parlamento di KÓRSOU, bijlage 142

12 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [MEDEVERDACHTE] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 18 onder 6.1

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 20 mei 2014, getuigendossier, p. 50 3e en 6e alinea, p. 51 2e alinea

14 Proces-verbaal van (aanvullend) getuigenverhoor van L. L. d.d. 20 mei 2014, getuigendossier, p. 121 antwoord op de 2e vraag

15 Proces-verbaal van doorzoeking en inbeslagname d.d. 10 november 2011, bijlage 79, p. 276 voor zover het de datum van de doorzoeking en inbeslagname betreft, p. 280 onder nummer 55, p. 283 een na laatste alinea; Proces-verbaal van ontvangst en bevindingen internationaal rechtshulpverzoek Italië d.d. 14 januari 2014, bijlage 86, p. 392 eerste alinea

16 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [MEDEVERDACHTE] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 10 4e alinea

17 Geschrift, te weten Afdruk van Invoice 91210 d.d. 4 mei 2010, bijlage 2, p. 4

18 Geschrift, te weten Afdruk van Invoice 91213 d.d. 7 juni 2010, bijlage 3, p. 6

19 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 23 mei 2014, getuigendossier, p. 13 laatste zin, 14 1e - 3e alinea, 15 antwoord op de 2e vraag; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 29 juli 2015, RC-map, p. 4 een na laatste en laatste alinea, p. 5 1e alinea

20 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 23 mei 2014, getuigendossier, p. 27 antwoord op de 1e vraag tweede alinea de laatste twee zinnen en laatste alinea van het antwoord op de eerste vraag

21 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 31 juli 2015, RC-map, antwoord op vraag 13

22 Proces-verbaal geen omzet [bedrijf] in Quickbooks 2010 [vennootschap] d.d. 20 augustus 2014, bijlage 85, p. 386-387

23 Geschrift, te weten Uittreksel uit het Handelsregister betreffende [vennootschap]], bijlage 7; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 78 paragraaf 9.2.3 en 9.2.3.1

24 Proces-verbaal van (aanvullend) getuigenverhoor van [getuige] d.d. 20 mei 2014, getuigendossier, p. 121 antwoord op de 1e vraag

25 Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige] van het gerechtshof te Rome d.d. 18 november 2015 met de bijbehorende vertaling, los stuk; proces-verbaal van zitting opgemaakt op basis van geluidsopnamen van de zitting van het gerechtshof te Rome d.d. 18 november 2015 (60 pagina’s) en de bijbehorende vertaling, los stuk, p. 39 halverwege, p. 45 bovenaan

26 Proces-verbaal van getuigenverhoor van [getuige] van het gerechtshof te Rome d.d. 18 november 2015 met de bijbehorende vertaling, los stuk; proces-verbaal van zitting opgemaakt op basis van geluidsopnamen van de zitting van het gerechtshof te Rome d.d. 18 november 2015 (60 pagina’s) en de bijbehorende vertaling, los stuk, p. 8 halverwege

27 Proces-verbaal van (aanvullend) getuigenverhoor van [getuige] d.d. 22 mei 2014, getuigendossier, p. 144 antwoord op de laatste vraag, p. 146 antwoord op de 4e en 5e vraag

28 Proces-verbaal van huiszoeking (adres) d.d. 13 december 2013 met bijlagen, beslagdossier, p. 59 SCHOT6.2.G.2.7

29 Proces-verbaal van huiszoeking (adres) d.d. 11 december 2013 met bijlagen, beslagdossier, p. 28 Bank [nummer]

30 Proces-verbaal van onderzoek en bevindingen d.d. 14 juli 2014, Bijlage 81, p. 303 e.[vennootschap], met name p. 311 en 312

31 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2014, bijlage 80 met bijlagen, p. 288 onderaan, p. 289 achter het eerste liggend streepje; Geschrift, te weten Afdruk van het digitale bestand Invoice Ital-01.xlsx, bijlage 59, p. 194; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 40 paragraaf 8.2.1.1

32 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2014, bijlage 80 met bijlagen, p. 287 onderaan (voorgaande versie 1), p. 288 (tot voorgaande versie 2); Geschrift, te weten Afdruk van het digitale bestand Invoice [bedijf].xlsx, bijlage 55, p. 174; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 42 paragraaf 8.3.1

33 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2014, bijlage 80 met bijlagen, p. 287 onder item Bank.33.7.1.1; Geschrift, te weten Afdruk van de e-mail d.d. 3 mei 2010 met als onderwerp FW:PTM, bijlage 54; Geschrift, te weten Afdruk van het bij de e-mail d.d. 3 mei 2010 behorende attachment, bijlage 57

34 Proces-verbaal van onderzoek en bevindingen d.d. 14 juli 2015, Bijlage 81, p. 303 e.[vennootschap], met name p. 311 en 312

35 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [MEDEVERDACHTE] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 44-45 (paragraaf 8.4.1.1); Geschrift, te weten Afdruk van het bij de e-mail d.d. 3 mei 2010 behorende attachment, bijlage 57

36 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 juni 2014, bijlage 96, p. 576 onder het midden met bijbehorende bijlage 1, p. 577 en bijlage 2, p. 578; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 76 paragraaf 9.2

37 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 41 paragraaf 8.2.2 1e alinea

38 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2014, bijlage 80 met bijlagen, p. 286 e.[vennootschap]

39 Proces-verbaal van onderzoek en bevindingen d.d.14 juli 2014, bijlage 81, p. 304 laatste alinea en de bijbehorende bijlage 3, p. 336-337

40 Geschrift, te weten Inventarislijst, bijlage 58, p. 190; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 62 2e alinea 1e zin “zijnde (…) D.”

41 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 juni 2014, bijlage 80 met bijlagen, p. 286 e.[vennootschap]; Geschrift, te weten Afdruk van het van internet gedownloade basisdocument, bijlage 53

42 Vgl. HR 02-12-2014, ECLI:NL:HR:2014:3474

43 Geschrift, te weten een print van de storting door [bedrijf], bijlage 11; Proces-verbaal van bevindingen ontvangst documenten [medeverdachte] Department of Justice d.d. 8 mei 2014, bijlage 91; Geschrift, te weten een print van het mutatieoverzicht van account [account] ten name van [verdachte], bijlage 13

44 Proces-verbaal Onderzoek in digitaal beslag (adres), [vennootschap], document met een bericht van de Banca Popolare di Milano over mislukken overboeking USD 140.000,00 d.d. 17 februari 2014, bijlage 10, p. 34-40; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [MEDEVERDACHTE] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 52 1e alinea laatste zin (vrije vertaling)

45 Geschrift, te weten een print van de storting door B P, bijlage 11

46 Proces-verbaal van bevindingen ontvangst documenten [medeverdachte] Department of Justice d.d. 8 mei 2014, bijlage 91; Geschrift, te weten een print van het mutatieoverzicht van account [account] ten name van [verdachte], bijlage 14

47 vgl. Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 82 laatste zin

48 Geschrift, te weten mutatieoverzicht van Citibank account [account] [verdachte] periode 6 mei tot en met 6 juni 2010, bijlage 13; Geschrift, te weten document met betrekking tot het overmaken van het bedrag van USD 15.000,00, bijlage 15, p. 50; Geschrift, te weten een bankafschrift van UBS AG van account [account] ten name van Nb Ltd. d.d. 1 juni 2010, bijlage 70, p. 247; Geschrift, te weten een swift inbound MSG (ICG), bijlage 71, p. 249; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [MEDEVERDACHTE] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 60 5e alinea na bijlage 71

49 Geschrift, te weten mutatieoverzicht van Citibank account [account] [vennootschap] [verdachte] periode 7 juni tot en met 5 juli 2010, bijlage 14, p. 48; Geschrift, te weten een bankafschrift van UBS AG van account [account] ten name van Nb Ltd. d.d. 1 juli 2010, bijlage 72, p. 251; Geschrift, te weten een swift inbound MSG (ICG), bijlage 73, p. 253; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 60 onder het midden na bijlage 73

50 Proces-verbaal Onderzoek in beslag (adres)naar mailwisselingen tussen verdachte [medeverdachte] en medewerkers van de bank UBS AG te Zwitserland d.d. 17 februari 2014, bijlage 94, p. 448-529; Geschrift, te weten een formulier ‘Verification of the beneficial owner’s identity’ van UBS, bijlage 69, p. 245

51 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 60 1e zin

52 Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 62 een na laatste alinea

53 Geschrift, te weten een Transaction Receipt met betrekking tot de aankoop van drie cheques, bijlage 17; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 63 na bijlage 17 onder toelichting

54 Geschrift, te weten mutatieoverzicht van Citibank account [account] t.n.[vennootschap] [verdachte] periode 7 juni tot en met 5 juli 2010, bijlage 14; Geschrift, te weten een Transaction Receipt van de Citibank, bijlage 17

55 Geschrift, te weten een Official Check van Citibank met nummer [nummer], bijlage 18; Geschrift, te weten een Official Check van Citibank met nummer [nummer], bijlage 19; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [MEDEVERDACHTE] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 64 na bijlage 19 rekeningnummer [rekeningnummer]

56 Geschrift, te weten een Official Check van Citibank met nummer [nummer], bijlage 20

57 Geschrift, te weten een Transaction Receipt met betrekking tot de aankoop van een cheque, bijlage 34

58 Geschrift, te weten mutatieoverzicht van Citibank account [account] t.n.[vennootschap] [verdachte] periode 7 juni tot en met 5 juli 2010, bijlage 14

59 Geschrift, te weten een Official Check van Citibank met nummer [nummer], bijlage 35

60 Geschrift, te weten een Foreign Currency Deposit van MCB met nummer [nummer], bijlage 23, p. 66; Geschrift, te weten een kopie uit de administratie van MCB van de cheque van de Citibank met nummer [nummer], bijlage 24, p. 68; Geschrift, te weten een Foreign Currency Deposit van MCB met nummer [nummer], bijlage 25, p. 70; Geschrift, te weten een kopie uit de administratie van MCB van de cheque van de Citibank met nummer [nummer], bijlage 26, p. 72

61 Geschrift, te weten een Print van de mutatieregels 166 en 184 van de CD-rom mutatieoverzichten van de MCB bankrekening met nummer [rekeningnummer], bijlage 27, p. 74; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 65 paragraaf 8.19.3; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 65 paragraaf 8.20 1e regel

62 Proces-verbaal Quickbooks administratie [vennootschap] 2010 - cheques [vennootschap] komen binnen het bedrijf [vennootschap] ten gunste van verdachte [verdachte] d.d. 14 augustus 2014, bijlage 84, p. 355-358 met de bijbehorende bijlagen

63 Geschrift, te weten de voorzijde van een Official Check nummer [nummer] en een Official Check nummer [nummer], bijlage 38; Geschrift, te weten de achterzijde van een Official Check nummer [nummer] en een Official Check nummer [nummer], bijlage 39; Proces-verbaal Vermoeden valsheid in geschrift en witwassen contra [medeverdachte] en [verdachte] en ambtelijke corruptie contra [medeverdachte] (relaas) d.d. 11 februari 2015, p. 86 paragraaf 9.8.2 onder 1 voor zover inhoudende dat de bijlagen de voorzijde en achterzijde van de cheques betreffen

64 Geschrift, te weten een kasdocument van Orco Bank N.V, bijlage 40; Geschrift, te weten een bankafschrift van rekening [rekening] van de Stichting Fundashon [medeverdachte], bijlage 61, p. 198

65 Geschrift, te weten een Beneficial Owner Declaration, bijlage 37

66 Geschrift, te weten een bankafschrift van rekening [rekening] van de Stichting Fundashon [naam medeverdachte], bijlage 61, p. 198-199

67 Geschrift, te weten Orco Bank cheque nummer 000001, bijlage 43; Geschrift, te weten Orco Bank cheque nummer [cheque no], bijlage 44; Geschrift, te weten een bankafschrift van account [account] bij MCB op naam van [MEDEVERDACHTE], bijlage 45

68 vgl. HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090; HR 7 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:11; HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001

69 De door het Gerecht aangeduide bewijsmiddelen verwijzen naar processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en die ook overigens voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij de bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier “Mantel”, LrC-1305B d.d. 29 juli 2014.

70 Proces-verbaal van bevindingen betreffende het aantreffen van in beslag genomen goederen d.d. 5 mei 2014, p. 017

71 Proces-verbaal van bevindingen betreffende het aantreffen van in beslag genomen goederen d.d. 5 mei 2014, p. 017 2e kolom achter Bank 33.3.5.5 voor zover inhoudende “In de kast van de slaapkamer” en de bijbehorende bijlage op p. 19 voor zover inhoudende “Bank 33.3.5.5”; Een geschrift, te weten een brief van Bureau Telecommunicatie en Post ([bedrijf]) met betrekking tot verzoek informatie jammers, met bijlage, d.d. 18 maart 2014, p. 45 onder 2 1e liggen streepje

72 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2014, p. 025 de laatste twee alinea’s, p. 26 onder Onderzoek goed Bank 33.4.2.50

73 Een geschrift, te weten een brief van Bureau Telecommunicatie en Post ([bedrijf]) met betrekking tot verzoek informatie jammers, met bijlage, d.d. 18 maart 2014, p. 45 onder 1 1e, 2e en 4e liggend streepje, p. 46 onder 3 1e, 2e en 4e liggend streepje

74 Een geschrift, te weten een brief van Bureau Telecommunicatie en Post ([bedrijf]) met betrekking tot beantwoording van aanvullende vragen, met bijlage, p. 51 antwoord op de eerste vraag, 2e en 3e alinea

75 Proces-verbaal van relaas, p. 5 6e en 7e regel, p. 6 3e en 4e regel

76 Proces-verbaal van bevindingen n.a.[vennootschap] onderzoek digitaal beslag (382) d.d. 3 maart 2015, los stuk (aanvulling d.d. 18 maart 2015), gevoegd in ordner 1 (algemeen dossier), tweede pagina 5e alinea, met als bijlage Geschrift, te weten e-mail van 2013-11-28 van New Order-J. <mailto: e-mailadres> aan [verdachte]. <mailto: e-mailadres>, p. 16 onderaan en p. 17

77 Proces-verbaal van bevindingen n.a.[vennootschap] onderzoek digitaal beslag (382) d.d. 3 maart 2015, los stuk (aanvulling d.d. 18 maart 2015), gevoegd in ordner 1 (algemeen dossier), tweede pagina laatste twee alinea’s, derde pagina eerste alinea, met als bijlage Geschrift, te weten E-mail van 2013/12/2 [medeverdachte] (e-mailadres), p. 20 halverwege

78 Proces-verbaal van bevindingen n.a.[vennootschap] onderzoek digitaal beslag (382) d.d. 3 maart 2015, los stuk (aanvulling d.d. 18 maart 2015), gevoegd in ordner 1 (algemeen dossier), met als bijlage Geschrift, te weten e-mail December 4, 2013, van [verdachte]. (e-mailadres) aan [verdachte]. <e-mailadres> p.18

79 Vgl. HR 17-06-2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578

80 Vgl. Hof Amsterdam 27 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:631; GEA SXM 6 maart 2015, ECLI:NL:OGEAM:2015:3