Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:47

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
27-06-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
AR 69638/2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geldlening hypotheek 477a executorial titel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

CENTRALE HYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd in Curaçao,

eiser(es),

gemachtigde: mr. M.W.A. van der Gulik,

tegen

de stichting

STICHTING PARTICULIER FONDS HEALTH CENTER,

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. S.C. Limon,

en

[gevoegde gedaagde],

wonende in Curaçao,

gevoegde

gemachtigde: mr. S.C. Limon.

Partijen zullen hierna CHB en de Stichting en [gevoegde gedaagde] genoemd worden.

1
1. Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het vonnis in het incident d.d. 1 juni 2015;

- de conclusie van antwoord van 7 september 2015;

- de conclusie van repliek van 25 januari 2016;

- de conclusie van dupliek van 16 mei 2016.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

Partijen zijn op 11 april 1997 ten overstaan van een notaris een overeenkomst van geldlening aangegaan, waarbij CHB blijkens de door de notaris opgemaakte akte een bedrag van NAf 135.000,- aan [gevoegde gedaagde] en diens echtgenote, mevrouw [echtgenote van gevoegde gedaagde], heeft geleend. Aan de geldlening is in voornoemde akte een hypotheekstelling verbonden. De hypotheekstelling strekt tot zekerheid van terugbetaling van de geldlening.

2.3.

In de akte van geldlening met hypotheekstelling is, voor zover van belang, het navolgende opgenomen:

“de comparanten sub 1, hierna zowel tezamen als elk afzonderlijk ook genoemd “de schuldenaar”, verklaarden wegens op heden ter leen ontvangen gelden wel en wettig schuldig te zijn aan de vennootschap sub 2 genoemd, hierna ook genoemd “de schuldeiseres, de som van EENHONDERD VIJFENDERTIGDUIZEND GULDEN NEDERLANDS ANTILLIAANS COURANT (NAf. 135.000,--) en dat die geldlening is aangegaan onder de navolgende bedingen:

- dat op deze overeenkomst van geldlening en nader te noemen hypotheekstelling van toepassing zijn de bepalingen – voorzover bij deze akte niet gewijzigd of aangevuld als vermeld in de akte houdende Algemene Voorwaarden van geldlening en hypotheekstelling (…), welke Algemene Voorwaarden geacht worden in deze akte woordelijk te zijn opgenomen,

(…)

- dat de schuldenaar over de ter leen ontvangen gelden rente zal betalen naar reden van (…) 7,5% per jaar gehouden zal zijn (…)

(…)

Tot meerdere zekerheid en waarborg voor de nakoming van al de verplichtingen van de schuldenaar uit deze overeenkomst voortvloeiende en voor de terugbetaling van bovengemelde hoofdsom, de renten als bedoeld in artikel 1209 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, de overige renten en kosten en al hetgeen de schuldeiseres uit kracht van deze akte (…) te vorderen heeft, verklaarde de comparant sub 1a te behoeve van de schuldeiseres recht van hypotheek te verlenen op de aan het slot dezer akte omschreven onroerende zaak,

(…)

het (…) recht van erfpacht op een perceel grond, gelegen in het tweede district van Curaçao, bekend als Blok [letters] kavel nummer [kavel nummer] van het verkavelingsplan “SANTA ROSA HERZIENING EN UITBREIDING”ter grootte van zeshonderd vijfenveertig vierkante meter (645 m2), (…), met het daarop gebouwde, plaatselijk bekend als [adres].

(…)”

2.4. [

gevoegde gedaagde] is in verzuim geraakt met betrekking tot de terugbetalingsverplichtingen uit hoofde van de akte van geldlening met hypotheekstelling. Op 22 juni 2005 is CHB overgegaan tot executie van het recht van hypotheek. Na executoriale verkoop van de woning heeft CHB nog een restvordering van NAf 46.040,59 op [gevoegde gedaagde].

2.5.

Op 1 augustus 2013 heeft CHB onder de Stichting executoriaal derdenbeslag gelegd ter zake van de restschuld vermeerderd met rente en kosten. Voorts is de Stichting aangezegd om verklaring te doen van hetgeen zij uit hoofde van het beslag onder zich heeft. Op 3 september 2013, 25 september 2013, 12 november 2013 en 5 augustus 2014 heeft CHB de Stichting aangemaand c.q. gesommeerd tot het doen van een verklaring dan wel afdracht van de verschuldigde bedragen. Bij verzoekschrift van 13 augustus 2014 heeft CHB het Gerecht verzocht om de Stichting ex artikel 477a RV te veroordelen tot betaling van de restschuld na uitwinning van het hypotheekrecht vermeerderd met rente en kosten en waartoe [gevoegde gedaagde] blijkens de akte van geldlening met hypotheekstelling is gehouden, als ware de Stichting daarvan zelf schuldenaar. [gevoegde gedaagde] heeft zich als bestuurslid van de Stichting in deze procedure gevoegd.

2.6.

Op de verklaring derdenbeslag d.d. 20 augustus 2014 is door [gevoegde gedaagde] aangegeven dat er tussen hem en de Stichting geen rechtsverhouding bestaat met daarbij de toelichting dat de Stichting niet als doel heeft om winst te maken, noch personeel in dienst te hebben.

3 De vordering

3.1.

CHB vordert in deze procedure dat de Stichting bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van NAf 72.058,891, als ware de Stichting daarvan zuiver schuldenaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 augustus 2014, dan wel in het geval alsnog een goedgekeurde schriftelijke verklaring wordt overgelegd afgifte van het bedrag dat CHB van [gevoegde gedaagde] te vorderen heeft, met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding.

3.2.

CHB legt aan haar vordering ten grondslag dat de Stichting in gebreke is gebleven op de voet van artikel 476a Rv verklaring te doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen, zodat zij op grond van artikel 477a, eerste lid Rv dient te worden veroordeeld tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware zij daarvan zelf schuldenaar. Voor zover thans verklaring is gedaan, betwist CHB de juistheid daarvan.

3.3.

De Stichting voert, daarbij gesteund door [gevoegde gedaagde], verweer tegen de vordering van CHB. Zij stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de grosse van de akte van geldlening met hypotheekstelling geen executoriale titel oplevert voor de inning van de restvordering na uitwinning van het hypotheekrecht. Voorts stelt de Stichting dat de vordering van CHB ex artikel 3:307 lid 1 BW is verjaard, omdat de openbare verkoop reeds in 2005 heeft plaatsgevonden. De Stichting betwist ook de omvang van de vordering, alsmede de verschuldigdheid en de omvang van de gevorderde rente en (incasso-)kosten. Tenslotte stelt de Stichting dat zij vrijwillig een verklaring heeft afgelegd, nu zij deze op 20 augustus 2014 aan de toegevoegd-aspirant-deurwaarder P.E. Kirindongo (hierna: deurwaarder Kirindongo) heeft overhandigd.

4 De beoordeling

Executoriale titel

4.1.

Primair is tussen partijen in geschil of een akte van geldlening met hypotheekstelling een executoriale titel vormt voor het beslag. CHB stelt, anders dan de Stichting, dat de akte van geldlening met hypotheekstelling wel een executoriale titel oplevert, omdat uit de akte voldoende duidelijk volgt welke bedragen verschuldigd zijn.

4.2.

Het Gerecht overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat aan de grosse van een authentieke akte slechts executoriale kracht toekomt met betrekking tot op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven vorderingen, alsmede met betrekking tot toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. In geval de akte wel betrekking heeft op één of meer vorderingen, die aan de in de hiervoor bedoelde vereisten voldoen, maar niet de grootte van het verschuldigd bedrag vermeldt, is de grosse van de akte niettemin voor tenuitvoerlegging vatbaar, wanneer deze de weg aangeeft langs welke op voor de schuldenaar bindende wijze de grootte van het verschuldigd bedrag kan worden vastgesteld, behoudens de mogelijkheid van tegenbewijs door de schuldenaar. (zie HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889).

4.3.

Volgens de Hoge Raad zijn de vorderingen in een executoriale titel met voldoende bepaaldheid omschreven wanneer uit de akte blijkt van het bestaan van een concrete vordering of een concrete rechtsverhouding waaruit een vordering kan voortvloeien. Daarvan is naar het oordeel van het Gerecht in het onderhavige geval sprake. Immers, aan de orde is een notariële akte van geldlening met een hypotheekstelling. De geldlening zelf, te weten de ingangsdatum, de partijen en het bedrag is in een akte vastgelegd, waarin eveneens de daaraan verbonden hypotheekstelling en de toepasselijke voorwaarden zijn opgenomen. Aldus kan er geen enkele onduidelijkheid bestaan over de vordering waarvoor zekerheid is verstrekt. De akte van geldlening met hypotheekstelling heeft, anders dan De Stichting stelt, daardoor executoriale kracht. Dat brengt eveneens met zich dat het executoriale beslag ter inning van de restvordering na uitwinning van het hypotheekrecht door betekening van de akte van geldlening met hypotheekstelling rechtsgeldig is en de daarmee gepaard gaande kosten voor rekening van de beslagene dienen te komen.

Verjaring

4.4.

De Stichting heeft voorts een beroep gedaan op verjaring van de vordering (restschuld) waarvoor beslag is gelegd.

4.5.

Vaststaat dat CHB haar hypotheekrecht op 22 juni 2005 middels de openbare verkoop van de woning heeft uitgeoefend. Eveneens staat als onbetwist vast dat er na uitwinning nog een schuld van NAf 46.040,59 resteerde. Nu ter zake deze restschuld pas per 1 augustus 2013 executoriaal derdenbeslag is gelegd, is de vordering ex artikel 3:307 lid 1 BW verjaard, aldus de Stichting.

4.6.

Partijen twisten niet over de toepasselijke verjaringstermijn ex artikel 3:307 lid 1 BW, zodat het Gerecht daarvan uitgaat. Daartegen heeft CHB onder verwijzing naar diverse aanmanings- en sommatiebrieven in de periode 2007 tot en met 2013, gemotiveerd gesteld dat de verjaring tijdig en correct is gestuit. De Stichting heeft dat niet gemotiveerd betwist. Daarmee faalt ook het beroep op verjaring.

Omvang van de vordering

4.7.

De Stichting heeft de omvang van de vordering betwist onder verwijzing naar hetgeen ter zake middels het laste van mevrouw Baerecke gelegde loonbeslag is geïnd. Naar aanleiding daarvan heeft CHB gesteld dat zij, nadat de procedure reeds aanhangig is gemaakt, een bedrag van NAf 15.000,- heeft ontvangen, hetgeen CHB in mindering brengt op de openstaande bedragen. Naar het Gerecht begrijpt resulteert dat in een vordering van NAf 57.058,89 (NAf 72.058,89 – NAf 15.000,-) en waartoe CHB haar eis heeft verminderd.

4.8.

Anders dan de Stichting brengt voornoemde betaling niet mee dat de rente dient te worden herberekend, nu CHB gemotiveerd heeft gesteld dat de betaling ex artikel 6:44 BW eerst in mindering strekt op de kosten, vervolgens respectievelijk op de verschenen rente, de lopende rente en tot slot de hoofdsom en de Stichting dat niet gemotiveerd heeft betwist.

4.9.

Hetzelfde geldt voor de door CHB gevorderde rente, incassokosten en betekening- en executiekosten. Na betwisting heeft CHB deze kosten bij conclusie van repliek gespecifieerd en de Stichting heeft die specificaties niet gemotiveerd betwist. Ten aanzien van de incassokosten merkt het Gerecht nog op dat uit de overgelegde stukken genoegzaam volgt dat CHB kosten heeft moeten maken om haar vordering geïnd te krijgen, eerst door middel van het uitwinnen van het hypotheekrecht en later door het innen van de restschuld, bij gebreke waarvan uiteindelijk executoriaal derdenbeslag is gelegd. De gevorderde incassokosten komen het Gerecht, gelet hierop, niet ongegrond of onrechtmatig voor. Ten aanzien van de betekeningskosten geldt nog dat gevorderd wordt een bedrag van NAf 2.717,04 in plaats van de door CHB daadwerkelijk gemaakte kosten van NAf 4.372,35, hetgeen de discussie over het al dan niet verschuldigd zijn van het voor de tweede keer betekenen van de akte van geldlening met hypotheekstelling en dus het in rekening brengen van die kosten, overbodig maakt en door het Gerecht wordt gepasseerd.

4.10.

Nu geen van de verweren tegen de omvang van de gevorderde hoofdsom inclusief overeengekomen rente en kosten slaagt, staat de omvang van de vordering vast. Resteert de vraag naar de verschuldigdheid van de vordering.

Derdenverklaring

4.11.

Vooropgesteld zij dat CHB stelt de door de Stichting ingebrachte derdenverklaring eerst tijdens de procedure te hebben ontvangen. De vraag is voor wiens rekening dat komt. Uit de derdenverklaring volgt dat deze door de Stichting is overhandigd aan deurwaarder Kirindongo. CHB heeft dat niet betwist. Nu deurwaarder Kirindongo is ingeschakeld door CHB, blijft het niet ontvangen van die derdenverklaring voor rekening en risico van CHB. Ter beoordeling van de vordering gaat het Gerecht er derhalve van uit dat de Stichting wel tijdig een verklaring heeft afgelegd.

4.12.

De kern van geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of, zoals door de Stichting op de verklaring is aangegeven, tussen haar en [gevoegde gedaagde] geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan [gevoegde gedaagde] op de datum van het beslag dan wel nadien nog geld en/of goederen van de Stichting te vorderen had of heeft.

4.13.

In een verklaringsprocedure als de onderhavige dient de derde-beslagene in de verklaring onder meer een met redenen omklede opgave te doen of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden, dan wel of hij al dan niet iets voor deze onder zich heeft (artikel 476a lid 2 onder a Rv). Voorts bepaalt artikel 477a lid 2 Rv dat, indien de derde-beslagene een verklaring heeft afgelegd, de executant deze kan betwisten door de derde te dagvaarden tot het doen van gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executant zal blijken toe te komen. In dat geval dient de derde-beslagene ten overstaan van de rechter (alsnog) een deugdelijke gerechtelijke verklaring af te leggen. Dat kan in een processtuk geschieden, zoals in de conclusie van antwoord. Wordt de juistheid van deze verklaring met recht betwist door de beslaglegger, dan dient het Gerecht de juiste inhoud van de verklaring vast te stellen, waarna de derde-beslagene kan worden veroordeeld tot betaling aan de beslaglegger overeenkomstig de vastgestelde verklaring. In een betwistingsprocedure rusten de stelplicht en de bewijslast bij de beslaglegger die aanvoert dat, niettegenstaande de verklaring, de schuldenaar een vordering heeft op de derde-beslagene. De derde-beslagene dient zijn verklaring wel zoveel mogelijk te staven met gegevens en bescheiden (Hoge Raad 13 februari 2009, NJ 2009/106).

4.14.

Het Gerecht neemt voor de beoordeling van onderhavig geschil tot uitgangspunt de verklaring van de Stichting zoals verwoord in de bij conclusie van antwoord overgelegde derdenverklaring d.d. 20 augustus 2014. Deze verklaring komt er op neer dat er tussen de Stichting en [gevoegde gedaagde] geen rechtsverhouding is omdat de Stichting geen winstoogmerk heeft en geen personeel in dienst heeft. CHB heeft daar tegenover gesteld dat er tussen de Stichting en [gevoegde gedaagde] wel een rechtsverhouding is, omdat [gevoegde gedaagde] directeur is van de Stichting. Bij conclusie van dupliek heeft de Stichting haar stelling nader toegelicht, stellende dat [gevoegde gedaagde] er vanuit ging dat een bestuurder geen werknemer is van de Stichting.

4.15.

Het Gerecht stelt vast dat de Stichting haar verklaring niet met stukken heeft gestaafd. Gelet op de betwisting door CHB, is de verklaring van de Stichting daardoor onvolledig en dient nader te worden onderbouwd, alvorens het Gerecht dan wel de juiste inhoud van de verklaring kan vaststellen, dan wel tot een bewijslastverdeling dient te komen. Immers, vaststaat dat [gevoegde gedaagde] bestuurder is van de Stichting. Ongeacht hoe die relatie juridisch geduid moet worden, is de vraag die beantwoord moet worden of er een rechtsverhouding is uit hoofde waarvan de Stichting nog iets aan [gevoegde gedaagde] verschuldigd is of zal worden. Daarover heeft de Stichting nog niet gemotiveerd en met stukken onderbouwd verklaard, zodat het Gerecht haar daartoe alsnog bij akte in de gelegenheid zal stellen. Aangezien de executant een door de derde-beslagene afgelegde verklaring geheel of ten dele kan betwisten dan wel aanvulling daarvan kan eisen, zal het Gerecht CHB vervolgens in de gelegenheid stellen bij antwoordakte te reageren op (de juistheid van) de nadere verklaring van de Stichting en aan te geven of zij de nadere verklaring accepteert. Wordt (de juistheid van) de verklaring vervolgens alsnog met recht betwist door CHB dan zal het Gerecht de juiste inhoud van de verklaring vaststellen, waarna de Stichting, afhankelijk van de uitkomst daarvan al dan niet kan worden veroordeeld tot betaling aan de beslaglegger overeenkomstig de vastgestelde verklaring.

4.16.

Het Gerecht zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte uitlating zijdens de Stichting, daarbij al dan niet gesteund door [gevoegde gedaagde] teneinde haar verklaring nader te motiveren en met stukken te onderbouwen. Daarna wordt CHB in de gelegenheid gesteld zich bij antwoordakte uit te laten over de juistheid van de verklaring.

4.17.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht,

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 22 augustus 2016 voor akte uitlating zijdens de Stichting en [gevoegde gedaagde]. Daarna dient de naar de rol te worden verwezen voor antwoordakte zijdens CHB;

5.2.

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, rechter in voormeld Gerecht en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2016.

1 In het petitum staat een bedrag van NAf 70.397,77, hetgeen het Gerecht beschouwd als een kennelijke verschrijving nu uit het verzoekschrift en de conclusie van repliek volgt dat een bedrag van NAf 72.058,89 verschuldigd zou zijn.