Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:38

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
25-04-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
500.00132/16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hato, geen medeplegen, geen gehaltebepaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] te Curaçao,

wonende te Curaçao, [adres] 77.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2016. De verdachte is niet verschenen. De raadsvrouw van verdachte mr. M. Gomes is ter terechtzitting verschenen. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

De officier van justitie, mr. R. Celestijn, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake het tenlastegelegde feit te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Voorts is onttrekking aan het verkeer gevorderd van de inbeslaggenomen cocaïne en teruggave verzocht van de onder de verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon.

De raadsvrouw heeft verweer gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op of omstreeks 20 januari 2016, althans in of omstreeks de maand januari 2016, in Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 Opiumlandsverordening 1960, althans vervoerd, althans in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad 925 gram (van een materiaal bevattende) cocaïne, en/of heroïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, althans van enige bereiding van cocaïne en/of heroïne (diacetylmorfine), zijnde telkens een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960, en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no13). (artikel 3 juncto 11 Opiumlandsverordening 1960)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

1. Proces-verbaal d.d. 20 januari 2016, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Op 20 januari 2016 is tijdens een uitvoervisitatie van bagage met bestemming Nederland door de douane te Curaçao de koffer van een passagier, die later opgaf te zijn [verdachte], gecontroleerd. Tijdens de controle werden 3 plastic flessen aangetroffen. De flessen hadden een extra zwaar gewicht. Tijdens de verdere visitatie zijn de 3 flessen opengesneden en elke fles bestond uit een doorzichtig pak inhoudende een vloeistof die een scherpe, prikkelende geur vrij laat. Bij een gehouden proef met de vloeistof waarbij gebruikt werd gemaakt van de “Scott Reagent Systeem Modified” test reageerde de geteste vloeistof positief te zijn. Bij het wegen van de drie (3) plastic flessen inhoudende vloeistof is het brutogewicht vastgesteld op 925 gram.

2. Een proces-verbaal d.d. 27 januari 2016, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant, zakelijk weergegeven:

Uit de onder de verdachte [ ] in beslag genomen glazen flessen zijn drie monsters genomen en voorzien van opschrift nummer 006 code II-B-1 tot en met nummer 006 code ll-B-3 naar het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. gezonden.

3. Een geschrift, te weten een rapport d.d. 13 april 2016 van het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. (ADC), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het onderzochte materiaal met de opschriften no. 006 code ll-B-1 t/m no. 006 code ll-B-3 bevat cocaïne in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.

4B. Bewijsoverwegingen

opzettelijke uitvoer

Als uitgangspunt geldt dat een passagier die per vliegtuig bagage met zich voert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud dan ook (strafrechtelijk) verantwoordelijk is.

Van dat uitgangspunt moet worden afgeweken wanneer aannemelijk wordt dat de passagier met die inhoud niet bekend was. Van dit laatste is in deze zaak niet gebleken.

Het Gerecht acht de verklaring van de verdachte dat hij niet wist dat de cocaïne zich in zijn koffer bevond, niet aannemelijk. De verdachte heeft verklaard dat zijn vriendin en hij de flessen lotion, Olive Oil en Palmolive in een supermarkt hebben gekocht. Het is onwaarschijnlijk dat een organisatie, op de wijze zoals de verdachte verklaart, een hoeveelheid cocaïne laat vervoeren door een onwetende koerier. Dit brengt immers grote risico’s voor de organisatie met zich, zoals het risico van het verlies van de drugs wanneer de koerier later niet meer kan worden achterhaald of wanneer de koerier de drugs voortijdig zelf ontdekt.

Gelet op het voorgaande acht het Gerecht de verklaring van de verdachte met betrekking tot de in zijn koffer aangetroffen cocaïne niet geloofwaardig en stelt het deze terzijde. Nu ook anderszins geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die aanleiding geven om van voormeld uitgangspunt af te wijken, acht het Gerecht bewezen dat de verdachte opzettelijk een hoeveelheid cocaïne heeft uitgevoerd.

medeplegen

De officier van justitie acht het medeplegen bewezen. Het Gerecht volgt hem daarin niet en licht dit als volgt toe.

De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde

- intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het door de medeverdachte gepleegde delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474).

Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het door de medeverdachte gepleegde delict van voldoende gewicht is in de hiervoor bedoelde zin. De enkele omstandigheden dat de verdachte en zijn vriendin de flessen hebben gekocht, dat de vriendin van de verdachte de flessen heeft gekocht voor haarzelf en zeer waarschijnlijk voor haar zus en dat ze samen hebben gereisd, zoals de verdachte heeft verklaard, zijn onvoldoende om tot die slotsom te komen. Het Gerecht acht het tenlastegelegde medeplegen derhalve niet bewezen en zal de verdachte in zoverre

- partieel - vrijspreken.

hoeveelheid cocaïne

De officier van justitie acht bewezen dat de verdachte bruto 925 gram cocaïne heeft uitgevoerd en baseert zijn strafeis op die bruto hoeveelheid. Het Gerecht overweegt in dit verband het volgende.

Volgens de richtlijn voor strafvordering Nr. 2015/03 (opiumdelicten) van het openbaar ministerie wordt de strafeis gebaseerd op het brutogewicht van het object waarin de drugs is verwerkt, omdat op grond van de Opiumwetgeving de voorwerpen of goederen waarin de verdovende middelen zijn verpakt of geborgen eveneens onder de strafbepalingen vallen (art. 1 lid 2 en 3 Opiumlandsverordening 1960). Dit betekent dat ook in het geval de drugs is opgelost in vloeistof of in kleding gedrenkt is dan wel in pastavorm of anderszins is verwerkt, het openbaar ministerie ten aanzien van het bewijs en de strafmaat uitgaat van het brutogewicht van het object waarin de drugs is opgelost.

Het Gerecht is ermee bekend dat er in Nederland in de periode van 1 januari 2015 tot 1 juni 2015 door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderzoek is verricht naar de ervaringen met cocaïnegehaltes in geval van geïmpregneerd textiel, vloeistoffen en pasta’s. Uit dat onderzoek blijkt dat er veel variatie is in de cocaïnegehaltes van geïmpregneerd textiel; dat de marges van de cocaïnegehaltes in vloeistoffen tussen de 40% en 60% met een enkele uitslag onder de 40% liggen; en dat de marges van de cocaïnegehaltes in pasta’s tussen de 80% en 95% met een enkele uitslag onder de 80% liggen. Het Gerecht heeft (vooralsnog) geen reden om aan te nemen dat deze marges op Curaçao anders zijn.

Gezien de resultaten van genoemd onderzoek door het NFI acht het Gerecht in casu bewezen dat “een hoeveelheid cocaïne” is uitgevoerd en zal het Gerecht voor de strafmaat uitgaan van een gemiddeld cocaïnegehalte van 40% van het bruto gewicht, nu het in deze om cocaïne in vloeistof gaat. Het Gerecht acht het disproportioneel om het meerdere bij de strafmaat mee wegen, nu het daadwerkelijke gehalte aan cocaïne niet door het openbaar ministerie is onderzocht.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

dat hij op 20 januari 2016 te Curaçao opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 1960 een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening 1960.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. Het feit is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het uitvoeren van een hoeveelheid cocaïne. Cocaïne is een stof die verslavend en schadelijk voor de gezondheid is, met alle gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij van dien. Gelet op de hoeveelheid moet de cocaïne bestemd zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder het plegen van strafbare feiten van uiteenlopende aard door de gebruikers, ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk uitsluitend laten leiden door het oogmerk van persoonlijk financieel gewin. Aldus heeft de verdachte een ernstig strafbaar feit gepleegd

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf gaat het Gerecht, zoals hiervoor reeds is overwogen, uit van een gemiddeld cocaïnegehalte van 40% van het bruto gewicht van de door de verdachte uitgevoerde hoeveelheid, dat wil zeggen 370 gram.

Ten voordele van de verdachte geldt dat hij nooit eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

Het Gerecht zal een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte in te scherpen zich gedurende de proeftijd niet weer aan misdrijf schuldig te maken.

8 Beslag

8.1

Onttrekking aan het verkeer

Ten aanzien van de in beslaggenomen drie flacons bevattende cocaïne zal onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot deze voorwerpen is begaan. Het bezit van deze voorwerpen is daarom in strijd met de wet en het algemeen belang.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

1:19, 1:20, 1:21, 1:74, 1:75 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht;

3 en 11 van de Opiumlandsverordening 1960.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezenverklaarde feit het in rubriek 5 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op drie (3) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

onttrekt aan het verkeer de in beslaggenomen drie flacons bevattende cocaïne;

gelast de teruggave aan de verdachte van de onder de verdachte inbeslaggenomen mobiele telefoon.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.H. Lips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 25 april 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 1 De door het Gerecht aangeduide bewijsmiddelen verwijzen naar processen-verbaal die in de wettelijke vorm zijn opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en die ook overigens voldoen aan de daaraan bij wet gestelde eisen