Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:20

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
20-06-2016
Zaaknummer
AR 76577/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand, beroep op huurvermindering faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in de zaak van:

de stichting [EISERES],

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. O.A. Martina,

--tegen--

de naamloze vennootschap [GEDAAGDE],

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.K. Kleinmoedig.

Partijen zullen hierna “[eiseres]” en “[gedaagde]”genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 17 november 2015 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van 22 februari 2016;

- de comparitie na antwoord, die plaatsvond op 15 april 2016 alwaar [eiseres] is verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur [directeur van eiseres] en bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Koendjibiharie, die mede namens [eiseres] het woord heeft gevoerd. [gedaagde] is verschenen, vertegenwoordigd door haar directeur mevrouw [directeur van gedaaagde] en bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd die mede namens [gedaagde] het woord heeft gevoerd.

- de akte eis vermeerdering tevens conclusie van antwoord in reconventie van 25 april 2016;

- het proces-verbaal van de voortzetting comparitie na antwoord van 9 mei 2016.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

in conventie en in reconventie

2.1.

De volgende feiten zullen in dit geding als tussen partijen vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten blijken uit overgelegde stukken en/of volgen uit stellingen van partijen voor zover deze door de ene partij zijn aangevoerd en door de andere partij zijn erkend of niet dan wel onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

2.2.

Tussen partijen bestaat een huurovereenkomst voor de duur van twee jaar, met ingang van 1 september 2014, betreffende de huur en verhuur van kantoor- en lesruimtes in een pand aan de Molenplein 1 te Curaçao. [eiseres], een instelling die onderwijs aanbiedt op Curaçao, is de verhuurder. [gedaagde]de huurder, is eveneens een onderwijsinstelling. De overeengekomen huurprijs, inclusief omzetbelasting en kosten voor afval, bedraagt per maand NAf 12.770,00.

2.3.

In de bijlage 1 “Ruimtes” bij de overeenkomst staat onder andere opgenomen:

De volgende ruimtes zijn voor gedeeld gebruikt waarbij huurder het 1e recht voor gebruik heeft tussen 8:00 en 18:00 uur en verhuurder tussen 18:00 en 21:00 uur, indien beschikbaar kunnen partijen onderling buiten de genoemde tijden over de ruimtes beschikken. Door middel van een gezamenlijk te gebruiken roostersysteem zal dit worden bepaald”.

2.4.

In de huurovereenkomst staat onder artikel 4.3. onder andere opgenomen:

De electriciteits- en waterkosten zullen op basis van een verdeelsleutel worden verrekend tussen verhuurder en huurder. Deze verdeelsleutel bestaat eruit dat verhuurder het verschil aan electriciteits- en waterkosten bepaald tussen de rekening van de betreffende maand minus de kosten die verhuurder over dezelfde maand een jaar eerder heeft betaald. Deze regeling blijft voor één jaar van kracht (van 1 september 2014 tot en met 30 augustus 2015), na 30 augustus 2015 zal een nieuwe verdeelsleutel overeen worden gekomen op basis van de verhouding van het verbruik tussen partijen gebaseerd op het afgelopen jaar (van 1 september 2014 tot en met 30 augustus 2015).”.

2.5. [

Gedaagde] heeft vanaf april 2015 een achterstand opgelopen in de betaling van huurpenningen. Aanvankelijk werd deze achterstand nog ingelopen door [gedaagde]. In de maanden juli en augustus 2015 liep [gedaagde] wederom een huurachterstand op. Ondanks daarop herhaaldelijk te zijn gewezen door [eiseres] werd niet betaald door [gedaagde].

2.6.

Partijen zijn in verband met de opgelopen huurachterstand eind augustus / begin september 2015 een betalingsregeling overeengekomen. De eerste betalingstermijn verviel op 15 september 2015. [Gedaagde] heeft zich niet aan de betalingsregeling gehouden.

2.7.

Op 22 september 2015 heeft de directeur van [eiseres] naar [gedaagde] een e-mail verzonden met onder andere de volgende inhoud:

We zijn nu een volledig jaar rond waarbij de berekening van utiliteitsrekening werd gebaseerd op het verschil tussen de maand een jaar eerder en nu.

Voor de komende maanden stel ik voor dat hetzelfde bedrag voor utiliteit in rekening gaan brengen als het jaar ervoor met aanpassing voor gestegen of gedaalde utiliteitstarieven. Bij geen bericht zal ik de rekening als volgt voor de volgende maand op die manier opstellen.

2.8.

Door [gedaagde] is op bovenvermelde e-mail niet gereageerd.

2.9.

Per brief van 29 september 2015 en e-mail van 2 oktober 2015 meldde [gedaagde] aan [eiseres] dat er sprake was van gebreken aan het gehuurde, zoals niet functionerende airco’s en de ontzegging van de toegang tot enkele lokalen. De gebreken dienden volgens [gedaagde] huurvermindering tot gevolg te hebben.

2.10.

Op 2 oktober 2015 heeft de directeur van [eiseres] naar de gemachtigde van [gedaagde] een e-mail verzonden met de volgende inhoud:

1. Airco’s gaan stuk, nergens in de huurovereenkomst staat dat er van compensatie sprake kan zijn indien een airco stuk is. Daarnaast gebruikt [gedaagde] maximaal 5 lokalen, aangezien er 10 voor [gedaagde] beschikbaar zijn (en we er nog 2 achter de hand hebben) kan bij het disfunctioneren van een airco een ander lokaal gebruikt worden. Door het niet functioneren van de airco is er door [gedaagde]geen enkele les gecanceled. Er is hierover ook helemaal geen contact met mij geweest indien er op dit punt problemen waren,

2. Op welke wijze heb ik de toegang tot lokaal 3 en 4 onmogelijk gemaakt? Van lokaal 4 moest het slot worden vervangen en heeft [gedaagde]een nieuwe sleutel ontvangen. En voor zover uw cliënt gemeend heeft dat haar de toegang is ontzegd, heeft ze mij hier op enige wijze van op de hoogte gebracht.

3. Sinds wanneer zijn wij verantwoordelijk voor de lokaal indeling van [gedaagde]? Dus hoe hebben wij de bedrijfsvoering ernstig verstoord?

4. Hoe heeft uw cliënte aan mij medegedeeld en bekendgemaakt dat cliënte niet ten volle kan beschikken over het gehuurde? Hoewel het onzin is zoals ik heb aangegeven, krijg ik het pas in de email van 29 september van uw cliënt te horen. Voor zover er al een probleem mocht zijn, zijn we geenszins in de gelegenheid gesteld hier ook maar iets aan te doen.

Er is dus helemaal niks opgeschort zoals hierboven beschreven, we zijn de huurovereenkomst gewoon nagekomen en we gaan dus helemaal niet akkoord met de door u voorgestelde huurvaststelling over de maand september (…).

2.11.

Op 9 oktober 2015 heeft de directeur van [eiseres] naar de gemachtigde van [gedaagde] een e-mail verzonden met de volgende inhoud:

Bedankt voor het niet reageren. Erg triest.

2.12.

Door [eiseres] is ten laste van [gedaagde] op 4 november 2016 conservatoir derdenbeslag gelegd op door [gedaagde] bij verschillende banken aangehouden rekeningen.

2.13.

De huurachterstand bedraagt thans in ieder geval 9 maanden huur, vanaf augustus 2015 tot en met in ieder geval april 2016.

3 Het geschil

in conventie

3.1. [

Eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

1. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het bedrag van NAf 132.124,28 vermeerderd met 15% incassokosten en de wettelijke rente ingaande 30 september 2015 alsmede de maandelijkse huurpenningen na het uitspreken van het vonnis, derhalve vanaf mei 2016 tot en met augustus 2016 voor de somma van NAf. 12.770,- per maand, inclusief afvalstoffenheffing, alsmede de maandelijkse utiliteitsvergoeding vanaf april 2016 tot en met augustus 2016 voor de somma van NAf 1.000,- per maand, indien [gedaagde] daaraan niet voldoet te vermeerderen met de boete van NAf 375,- per maand bij late betaling van de huurpenningen over de maanden mei 2016 tot en met augustus 2016;

2. veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure en de beslagkosten.

3.2. [

Eiseres] legt aan de vordering onder meer het volgende ten grondslag. Op grond van de huurovereenkomst tussen partijen is [gedaagde] aan [eiseres] huurpenningen verschuldigd. [gedaagde] heeft sedert augustus 2015 geen huurpenningen meer betaald en ook is zij sedert september 2015 in gebreke met de nakoming van utiliteitskosten.

3.3. [

Gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daar zal hierna, voor zover van belang, nader op worden ingegaan.

in reconventie

3.4. [

Gedaagde] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

A. voor recht te verklaren dat de door [eiseres] geëffectueerde opschorting niet in verhouding staat met de tekortkoming van [gedaagde];

B. voor recht te verklaren dat de huursom krachtens de huurovereenkomst over de periode september 2015 tot en met december 2015 verminderd wordt tot een bedrag van NAf 6.875,- per maand, althans een door het gerecht in goede justitie vast te stellen vermindering van de huursom ingevolge de huurovereenkomst;

C. [Eiseres] te gelasten om [gedaagde] in het volle genot te stellen van het gehuurde, onder verbeurte van een dwangsom van NAf 1.000,- per dag of dagdeel dat [eiseres] [gedaagde] niet in de gelegenheid stelt om volledig over het gehuurde te beschikken voor zover dat voor het overeengekomen gebruik (de exploitatie van een opleidingsschool) noodzakelijk is;

D. voor recht te verklaren dat [gedaagde] aan [eiseres] een bedrag van NAf 4.417,61 verschuldigd is ter zake van de utiliteitskosten over de periode september 2015 – december 2015, althans een door het gerecht in goede justitie vast te stellen bedrag aan utiliteitskosten;

E. [Eiseres] te veroordelen om met [gedaagde] op grond van artikel 4.3. van de huurovereenkomst een redelijke verdeelsleutel vast te stellen ter zake van de utiliteitskosten, althans een door het gerecht in goede justitie vast te stellen verdeelsleutel van de utiliteitskosten voor de verdere duur van de huurovereenkomst vanaf januari 2016, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.5. [

Gedaagde] legt aan de vordering onder meer het volgende ten grondslag. [eiseres] heeft haar verplichten jegens [gedaagde] opgeschort, door [gedaagde] de toegang tot het merendeel van het gehuurde te ontzeggen. Die opschorting staat niet in verhouding tot de tekortkoming van [gedaagde]. Het gehuurde vertoonde voorts gebreken, zo werkten de airco’s niet althans gebrekkig, waardoor [gedaagde] niet in het volle genot van het gehuurde is gesteld door [eiseres] en [eiseres] in strijd met artikel 7:203 BW heeft gehandeld. [gedaagde] heeft door het voornoemde handelen van [eiseres] vervangende ruimte moeten huren. Ook is [gedaagde] niet in de gelegenheid gesteld lokalen in de avonduren aan derden te verhuren, waardoor [gedaagde] inkomsten heeft misgelopen.

3.6. [

Eiseres] heeft verweer gevoerd. Daar zal hierna, voor zover nodig, nader op in worden gegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1. [

Gedaagde] heeft niet ontkend dat zij een achterstand heeft in de betaling van huurpenningen en utiliteitskosten. Echter [gedaagde] meent dat zij niet gehouden is tot voldoening van de volledige huurachterstand. Voorts heeft zij een beroep gedaan op huurvermindering in de zin van artikel 7:207 BW. [gedaagde] meent daartoe gerechtigd te zijn, nu [eiseres] haar niet in het volle genot van het gehuurde heeft gesteld.

4.2.

Aan het beroep op huurvermindering heeft [gedaagde], primair, ten grondslag gelegd dat het gehuurde gebreken vertoonde, namelijk dat de airco’s in lokalen 7 en 8 gedurende de maand september 2015 veelvuldig uitvielen en het vervangen van de airco’s traag verliep. [gedaagde] heeft de gebreken bij [eiseres] gemeld, maar dit heeft niet geleid tot verbetering, aldus [gedaagde]. [Eiseres] heeft de stellingen zijdens [gedaagde] betwist en heeft betoogd dat door het stuk gaan van enkele airco’s [gedaagde] niet in haar huurgenot is belemmerd. Er waren immers voldoende lokalen beschikbaar voor gebruik door [gedaagde] bij het uitvallen van airco’s en [gedaagde] heeft geen enkele les hoeven af te blazen wegens het disfunctioneren van een airco. Bovendien heeft [eiseres] er op gewezen dat in de huurovereenkomst geen compensatie is overeengekomen bij het uitvallen van een airco. Het voorgaande heeft [eiseres] in een e-mail van 2 oktober 2015 aan [gedaagde] gecommuniceerd, waarop door [gedaagde] nimmer is gereageerd, aldus nog steeds [eiseres].

4.3.

Nu bovengenoemde stellingen van [eiseres] niet zijn weersproken door [gedaagde] verwerpt het gerecht het verweer van [gedaagde] betreffende de airco’s. Afdoende is immers vast komen te staan dat [gedaagde] door het uitvallen van airco’s niet in het genot van het gehuurde is belemmerd.

4.4. [

Gedaagde] heeft voorts gesteld dat [eiseres] haar de toegang heeft geweigerd tot een aantal van de door [gedaagde] van [eiseres] gehuurde (les) lokalen. Die opschorting door [eiseres] zou disproportioneel zijn en een tekortkoming in de nakoming door [eiseres] opleveren. Zo zou [gedaagde] in de periode september tot en met december 2015 slecht 5 van de 9 lokalen kunnen gebruiken en heeft [eiseres] [gedaagde] verhinderd in de avonduren lokalen aan derden te verhuren teneinde extra inkomsten te verwerven. [eiseres] heeft gemotiveerd weersproken dat zij [gedaagde] de toegang tot leslokalen zou hebben geweigerd.

4.5.

Het verweer van [gedaagde] lijkt te zijn gestoeld op twee verwijten, namelijk het geen toegang hebben tot de lokalen 3 en 4 enerzijds en het anderzijds in de avonduren slechts gebruik kunnen maken van 5 van de 9 leslokalen, mede als gevolg van onduidelijkheid met betrekking tot het roostersysteem.

4.6.

Ten aanzien van de lokalen 3 en 4 heeft [eiseres] er op gewezen dat zij nimmer de toegang tot die lokalen heeft ontzegd. Meer specifiek heeft [eiseres] gewezen op de e-mail van 2 oktober 2015 waarin staat: Op welke wijze heb ik de toegang tot lokaal 3 en 4 onmogelijk gemaakt? Van lokaal 4 moest het slot worden vervangen en heeft [gedaagde] een nieuwe sleutel ontvangen. En voor zover uw client heeft gemeend dat haar de toegang is ontzegd, heeft ze mij hier op enige wijze van op de hoogte gebracht. Op 9 oktober 2015 is van de zijde van [eiseres] als opvolging nog aan [gedaagde] verzonden de opmerking: Bedankt voor het niet reageren. Erg triest. Deze gang van zaken is door [gedaagde] niet weersproken. Hiermee heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht betreffende de lokalen 3 en 4, zodat dit gedeelte van haar verweer niet kan leiden tot huurvermindering.

4.7.

Voor wat betreft het gebruik van lokalen in de avonduren, heeft [eiseres] verwezen naar de tussen partijen geldende huurovereenkomst, waaruit blijkt dat [eiseres] het recht van eerste gebruik heeft van de lokalen in de avonduren, te weten tussen 18:00 uur en 21:00 uur. Nu [gedaagde] geen (eerste) recht van gebruik heeft van de lokalen in de avonduren, kan er geen sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming zijdens [eiseres], waardoor ook dit verweer van [gedaagde] wordt verworpen.

4.8.

Nu geen gronden zijn gebleken die recht geven op huurvermindering, zal het gerecht het beroep van [gedaagde] op huurvermindering verwerpen en de vordering van [eiseres] voor wat betreft de huurachterstand toewijzen. Tevens heeft bovenstaande tot gevolg dat de vorderingen onder A, B en C in reconventie worden afgewezen.

4.9.

Ten aanzien van de utiliteitskosten overweegt het gerecht als volgt. Het gerecht begrijpt de door [gedaagde] in reconventie aangevoerde stellingen als dat zij de door [eiseres] in conventie gevorderde utiliteitskosten betwist.

4.10. [

Gedaagde] heeft gesteld dat op grond van artikel 4.3. van de huurovereenkomst de elektriciteit- en waterkosten op basis van een verdeelsleutel zouden worden verrekend tussen verhuurder en huurder. De huurovereenkomst bepaalt verder dat na 30 augustus 2015 een nieuwe verdeelsleutel moest worden overeengekomen. De bedoeling en intentie van partijen was het werkelijk verbruik door [gedaagde] aan [gedaagde] in rekening te brengen. [eiseres] heeft geweigerd een nieuwe verdeelsleutel met [gedaagde] overeen te komen en voorts heeft [gedaagde] geconstateerd dat de door [eiseres] na 30 augustus 2015 in rekening gebrachte utiliteitskosten niet het feitelijk verbruik door [gedaagde] betreft. [Eiseres] is jegens [gedaagde] tekortgeschoten in haar verplichtingen ingevolge de huurovereenkomst, reden waarom [gedaagde] haar betalingsverplichting heeft opgeschort totdat duidelijkheid komt met betrekking tot de werkelijk door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde utiliteitskosten, aldus nog steeds [gedaagde].

4.11. [

Eiseres] heeft een en ander weersproken. Aangezien verdeling van de utiliteitskosten geen gemakkelijke kwestie is, als gevolg van tussenmeters en verschillende huurders, is tussen partijen overeengekomen dat aan [gedaagde] maandelijks de extra utiliteitskosten ten opzichte van dezelfde maand het jaar ervoor in rekening worden gebracht. Partijen hebben vervolgens ook zo gehandeld. [Gedaagde] heeft de rekeningen nooit betwist en heeft deze gewoon betaald tot en met augustus 2015. [Eiseres] heeft vervolgens voorgesteld, bij e-mail van 22 september 2015, maandelijks hetzelfde bedrag aan utiliteitskosten als het voorafgaande jaar, met aanpassing voor gestegen en gedaalde utiliteitstarieven, aan [gedaagde] in rekening te brengen. Hierop heeft [gedaagde] niet gereageerd. [Gedaagde] heeft op 5 november 2015 bezwaar gemaakt tegen de aan haar in rekening gebrachte utiliteitskosten, waarop [eiseres] heeft aangeboden overleg te plegen over de verdeelsleutel. Daarop is door [gedaagde] nooit ingegaan. Volgens [eiseres] bestaat er al een redelijke verdeelsleutel conform de huurovereenkomst en nu het [gedaagde] was die niet bereid was daarover te overleggen, kan haar verweer geen stand houden.

4.12.

Bovengenoemde stellingen van [eiseres] zijn niet weersproken door [gedaagde]. Dit betekent dat als feit wordt aangenomen dat [eiseres] een nieuwe verdeelsleutel aan [gedaagde] heeft voorgesteld en bij gebrek aan tegenbericht van [gedaagde], is overgegaan tot het toepassen van die verdeelsleutel. Dat die door [eiseres] toegepaste verdeelsleutel naar de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, is door [gedaagde] niet gesteld of gebleken. Ook de door [eiseres] gevorderde utiliteitskosten komen daarom voor toewijzing in aanmerking. De vorderingen van [gedaagde] in reconventie onder D. en E. worden gezien het bovenstaande afgewezen.

4.13. [

Eiseres] heeft voorts gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de toekomstige huurpenningen en de toekomstige utiliteitskosten tot beëindiging van de huurovereenkomst per 31 augustus 2016. Het gerecht zal ook deze vordering toewijzen, nu deze niet is weersproken. Nu [gedaagde] de begroting van de toekomstige utiliteitskosten op NAf 1.000,- per maand niet heeft betwist, zal het gerecht dit als zodanig toewijzen.

4.14.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 15% van de vordering, overweegt het gerecht als volgt. Door [gedaagde] is betwist dat zijdens [eiseres] buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. De kosten verband houdende met het opstellen van een beslagrequest en een inleidend verzoekschrift dienen, aldus [gedaagde] niet gekwalificeerd te worden als kosten in de zin van artikel 6:96 BW. Van belang is dat vast komt te staan dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd zijn aan te merken als verrichtingen anders dan die ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor artikel 63a Rv een voorziening geeft. Onderbouwd gesteld noch gebleken is met name dat zulke werkzaamheden zijn verricht, waardoor de vordering op dit punt zal worden afgewezen.

4.15. [

Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten, waaronder de kosten van beslag, in conventie aan de zijde van [eiseres]. Deze worden begroot op NAf 5.950,- aan gemachtigdensalaris (3,5 punt van liquidatietarief 7 ad NAf 1.700,- per punt) en NAf 4.175,34 aan verschotten ( NAf 750 griffierechten + NAf 1.766,67 beslagkosten + NAf 1.643,67 oproepingskosten + NAf 15,00 uitroepingskosten).

4.16. [

Gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie aan de zijde van [eiseres]. Die worden begroot op NAf 1.700,- (1 punt van liquidatietarief 7 ad NAf 1.700,- per punt).

5 De beslissing

Het Gerecht:

in conventie

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de opeisbaar geworden huurpenningen inclusief afvalstoffenheffing sedert augustus 2015 tot en met de dag van de uitspraak van dit vonnis welke worden begroot op NAf 114.930,- tot april 2016, te vermeerderen met de boete wegens te late betaling van NAf 375,- per maand welke wordt begroot op NAf 2.250,- tot de dag van de uitspraak van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de nog opeisbaar te worden huurpenningen telkens vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van beëindiging van de huurovereenkomst per 31 augustus 2016, welke worden begroot op NAf 12.770,- per maand, te vermeerderen met de boete van NAf 375,- indien volledige betaling na de vervaldatum uitblijft;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de opeisbaar geworden utiliteitskosten sedert september 2015 tot en met de dag van de uitspraak van dit vonnis, welke worden begroot op NAf 14.944,28 tot maart 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de nog opeisbaar te worden utiliteitskosten vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van beëindiging van de huurovereenkomst per 31 augustus 2016, welke worden begroot op NAf 1.000,- per maand;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot op heden begroot op NAf 4.175,34 aan verschotten en NAf 5.950,- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [eiseres], tot op heden begroot op NAf 1.700,- aan gemachtigdensalaris;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma, rechter in dit gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2016.