Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:194

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
08-07-2016
Datum publicatie
31-07-2018
Zaaknummer
500.00123/15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

dood door schuld verkeer, oiv alcohol

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2015, 27 november 2015, 18 maart 2015 en 22 juni 2015. De verdachte is op alle terechtzittingen verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. M.C. Vaders.

De officier van justitie, mr. E. Bos, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1 primair en 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest en de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd de verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van twee jaren en de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot NAf 17.539,05 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft verschillende verweren gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd:

Feit 1, primair (dood door schuld)

dat hij op of omstreeks 26 april 2015, althans in de maand april 2015 te Curaçao, als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Mitsubishi, model Lancer), daarmede rijdende over de Weg naar [locatie 1] (in de richting van de [straat 1]), althans over een weg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door toen aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig hoogst, althans zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of onoplettend te rijden,

immers is/heeft hij, verdachte:

  • -

    terwijl op die weg de duisternis was ingetreden, en/of

  • -

    komende ter hoogte van de kruising met de [straat 1] zijn motorrijtuig niet, althans onvoldoende onder controle gehouden en/of kunnen houden en/of,

  • -

    (vervolgens) het door hem bestuurde motorrijtuig onvoldoende afgeremd en/of tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of

  • -

    vanaf de (linker) uitrijstrook van de Weg naar [locatie 1] met een bocht naar links de kruising met de [straat 1] opgereden zonder de doorgang naast zich vrij te laten en/of

  • -

    terwijl hij afsloeg, geen voorrang verleend aan een hem op dezelfde weg, namelijk op de Weg naar [locatie 1], tegemoet komende bestuurder van een tweewielig motorrijtuig, (althans heeft hij geen voorrang verleend aan een voor hem van rechts komend tweewielig motorrijtuig) en/of

  • -

    niet, althans niet voldoende, althans niet tijdig uitgeweken om een botsing met dit motorrijtuig te voorkomen,

waardoor of mede waardoor (vervolgens) een botsing of aanrijding is ontstaan tussen het door hem verdachte bestuurde motorrijtuig en een op de rijbaan van die weg rijdende bestuurder van een ander (tweewielig) motorrijtuig,

door welke botsing of aanrijding die bestuurder van dat ander motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood, althans zodanig letsel heeft bekomen dat hij onmiddellijk of kort na het ongeval is overleden,

terwijl hij, verdachte, tijdens bovenvermeld ongeval verkeerde onder kennelijke invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank danwel geestverruimende middelen;

(artikel 2:284 lid 1-2/285 lid 1-2 jo art. 286 Wetboek van Strafrecht)

Feit 1, subsidiair (gevaarlijk rijgedrag)

hij op of omstreeks 26 april 2015, althans in of omstreeks de maand april 2015 te Curaçao, als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig (personenauto van het merk Mitsubishi, model Lancer) over de weg, te weten de Weg naar [locatie 1] ( in de richting van de [straat 1]), althans over een weg, heeft gereden, op zodanige wijze dat door verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt of kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd of kon worden gehinderd,

immers is/heeft hij, verdachte:

  • -

    terwijl op die weg de duisternis was ingetreden, en/of

  • -

    komende ter hoogte van de kruising met de [straat 1] zijn motorrijtuig niet, althans onvoldoende onder controle gehouden en/of kunnen houden en/of,

  • -

    (vervolgens) het door hem bestuurde motorrijtuig onvoldoende afgeremd en/of tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was en/of

  • -

    vanaf de (linker) uitrijstrook van de Weg naar [locatie 1] met een bocht naar links de kruising met de [straat 1] opgereden zonder de doorgang naast zich vrij te laten, en/of

  • -

    terwijl hij afsloeg, geen voorrang verleend aan een hem op dezelfde weg, namelijk de Weg naar [locatie 1], tegemoet komende bestuurder van een tweewielig motorrijtuig, (althans heeft hij geen voorrang verleend aan een voor hem van rechts komend tweewielig motorrijtuig) en/of

  • -

    niet, althans niet voldoende, althans niet tijdig uitgeweken om een botsing met dit motorrijtuig te voorkomen;

(artikel 21 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000)

Feit 2: (rijden onder invloed)

dat hij op of omstreeks 26 april 2015, te Curaçao, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof (alcohol) waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat het gebruik ervan, al dan niet in combinatie met een andere stof, de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht; (artikel 22 lid 1 van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000).

3. Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Redengevende feiten en omstandigheden

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.1

 Proces-verbaal inzake verkeersongeval d.d. 27 juni 2015 (einddossier bijlage 1), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 26 april 2015 omstreeks 22.30 uur vond een verkeersongeval plaats op de kruising van de Weg naar [locatie 1], [straat 1] en [straat 2] te Curaçao tussen de door de verdachte bestuurde personenauto van het merk Mitsubishi, type Lancer, en de door [slachtoffer 1] bestuurde motorfiets. Op grond van onderzoek is de volgende toedracht van het ongeval vastgesteld.

Het ongeval heeft plaatsgevonden op de kruising van de Weg naar [locatie 1], [straat 1] en [straat 2]. De Weg naar [locatie 1] en de [straat 1] lopen parallel naast elkaar en worden gescheiden door een verhoogde onverharde berm. De Weg naar [locatie 1] bestaat ter hoogte van de plaats van het ongeval uit drie rijstroken, te weten: twee rijstroken, een linker- en een rechterrijstrook, die bestemd zijn voor het doorgaande verkeer en een linker uitrijstrook, bestemd voor het verkeer dat vanaf de Weg naar [locatie 1] linksaf wenst te slaan teneinde de [straat 2] op te rijden.

De bestuurder van de personenauto reed vanaf de linker uitrijstrook van de Weg naar [locatie 1] met een bocht naar links de kruising gevormd met de [straat 1] en de [straat 2] op, zonder de doorgang naast zich vrij te laten voor de bestuurder van de motorfiets, die over de linkerrijstrook van de [straat 1] als tegenligger kwam aanrijden en die de auto op korte afstand was genaderd. De auto bevond zich dwars op de kruising en verhinderde de vrije doorgang van de motorfiets. De motorfiets raakte in een schuin naar rechts afhellende stand, waardoor de rechterzijde van de staandhouder van de motorfiets in aanraking kwam met het wegdek. Hierdoor werd het wegdek bekrast. Aan de hand hiervan kwamen het voertuig en de bestuurder uit elkaar. Het voertuig botste met forse kracht tegen het rechtervoorspatscherm. De bestuurder kwam van de motor af en sloeg met forse kracht met zijn lichaam tegen het rechtervoorspatscherm en rechtervoorwiel van de auto. Het lichaam sloeg tegen de auto, terwijl zijn hoofd en nek vanuit de hoogte boven tegen de motorkap sloeg. Door de forse kracht waarmee de kin van het slachtoffer tegen de motorkap rand sloeg, bewoog het hoofd in en zwiepende beweging. Hierdoor ontstond een verwonding aan de keel die bloedspatten achterliet op de rand van de motorkap en rechterspatscherm. Omstreeks 23.15 uur is de dood van het slachtoffer geconstateerd door de politiearts. Het stoffelijk overschot is door zijn ouders herkend als dat van wijlen [slachtoffer 1].

 Geschrift, te weten Rapportage forensisch pathologisch onderzoek (gerechtelijke sectie) d.d. 6 mei 2015 (los stuk), p. 7 onder Conclusie, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] wordt het overlijden zonder meer verklaard door verscheuring van de hersenstam, ten gevolge van inwerking van fors uitwendig mechanisch stomp botsend en uitgebreid schavend geweld, zoals goed passend bij een verkeersincident.

 Proces-verbaal betreffende het uitzicht op de plaats delict d.d. 20 juni 2015 met bijbehorende bijlagen (einddossier, bijlage 3):

De plaats delict en omgeving is goed verlicht.

 Proces-verbaal van bevinding (inschatting snelheid) van Bureau Verkeerstoezicht & Techniek d.d. 13 mei 2015 (2e aanvulling, bijlage 15), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Uit de videobeelden van de beveiligingscamera’s van [bedrijf 1] wordt afgeleid dat de bestuurder van de auto (van de verdachte, opm. rechter) zich twee seconden voor de aanrijding op een afstand van ongeveer 8 meter van het conflictpunt bevond. Hieruit wordt afgeleid dat de bestuurder van de auto het conflictpunt met een snelheid van vier meter per seconde heeft benaderd. Omgerekend is dat de bestuurder van de auto het conflictpunt met een snelheid van ongeveer 14 kilometer per uur naderde. Aan de hand van inschattingen kan worden gesteld dat de bestuurder van de personenauto vlak voor de aanrijding met een snelheid van ongeveer 14 km/u heeft gereden.

 Proces-verbaal van plaatselijke schouw door de rechter-commissaris d.d. 3 mei 2016, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 14 april 2016 is een blikveld reconstructie uitgevoerd met een auto van het merk Mitsubishi, model Lancer, gelijk aan de auto waarin de verdachte reed ten tijde van het ongeval. De ooghoogte in de auto van een persoon met de lengte van de verdachte, (volgens [getuige 1] bedraagt deze 1.83 m) is 1.20 m. Met deze auto is de rijroute die de verdachte kort voor en na het ongeluk heeft afgelegd, nagereden.

2. Griffier bestuurt de auto en merkt het volgende op: Vanaf de U-turn gereden op de linkerbaan van de Weg naar [locatie 1], links de uitrijstrook opgereden om aan het einde daarvan links af te slaan en de [straat 2] op te rijden. Op de uitrijstrook wordt gereden met een snelheid van gemiddeld 20 km/uur. Pas aan het einde van de uitrijstrook kun je naar links draaien. Op dat moment is er vrij zicht op de [straat 1].

3. Rechter-commissaris bestuurt de auto en merkt het volgende op: Vanaf de U-turn gereden op de linkerbaan van de Weg naar [locatie 1], links de uitrijstrook opgereden om aan het einde daarvan links af te slaan en de [straat 2] op te rijden. Op de uitrijstrook wordt gereden met een snelheid van gemiddeld 30 km/uur. Vanaf het moment dat ik naar de linkerkant draai heb ik vrij zicht. De auto bevindt zich dan nog niet op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer.

4. Rechter-commissaris bestuurt de auto en merkt het volgende op: Vanaf de U-turn gereden op de linkerbaan van de Weg naar [locatie 1], links de uitrijstrook opgereden om aan het einde daarvan links af te slaan en de [straat 2] op te rijden. Op de uitrijstrook wordt gereden met een snelheid van gemiddeld 20 km/uur. Zodra de auto aan het einde van de uitrijstrook draait, heb je vrij zicht. Zie foto AM8. De foto AM9 geeft het blikveld weer dat je hebt net voordat de auto de weghelft van het tegemoetkomende verkeer op rijdt.

 Eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting van 22 juni 2016, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

De rechter bekijkt de in het proces-verbaal van plaatselijke schouw door de rechter-commissaris d.d. 3 mei 2016 opgenomen foto’s en neemt het volgende waar:

Foto’s AM4, AM5 en AM6: op de uitvoegstrook, voordat de auto de plek nadert waar deze moet stoppen om het doorgaande verkeer op de [straat 1] voor te laten gaan, is er voldoende zicht op dat doorgaande verkeer.

Foto AM7: op de kruising, bij het nog dichter naderen van de plek waar de auto moet stoppen om het doorgaande verkeer op de [straat 1] voor te laten gaan, is er voldoende zicht op dat doorgaande verkeer.

Foto AM8: op de kruising, bij het nog dichter naderen van de plek waar de auto moet stoppen om het doorgaande verkeer op de [straat 1] voor te laten gaan, is er goed zicht op dat doorgaande verkeer.

Foto AM9: op de kruising, bij het maken van de bocht om linksaf te slaan naar de [straat 2], dus voordat de auto op de [straat 1] is, is er zeer goed zicht op het doorgaande verkeer.

Foto AM10: tijdens het linksaf slaan op de kruising, op de plek waar de auto net de middenberm is gepasseerd en nog voor het rijden op de [straat 1], is er zeer goed, vrij zicht op het doorgaande verkeer.

 Eigen waarneming van de rechter ter terechtzitting van 22 juni 2016, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

De rechter bekijkt de videobeelden van [bedrijf 1] en neemt het volgende waar, voor zover van belang. Het eerste video bestand:

Om 22.29.36 komt de auto van de verdachte in beeld. De auto lijkt iets af te remmen ter hoogte van de lantaarnpaal op de Weg naar [locatie 1] (om 22.29.39), neemt dan de bocht naar links en rijdt zonder te stoppen de kruising met de [straat 1] over, waar vervolgens de botsing plaatsvindt. Om 22.29.40 is te zien dat de motorfiets de voorverlichting voert.

 Proces-verbaal Onderzoek naar de geschiktheid om als bestuurder van een voertuig op te treden van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 27 april 2015 (voorgeleiding proces-verbaal onderzoek, p. 13-17)

Bij onderzoek naar de geschiktheid van de verdachte om als bestuurder van een voertuig op te treden, wordt waargenomen: sterke alcohollucht, zwaaiend evenwicht, staan op rechter en linker been onmogelijk, zwaaiend lopen, zwaaiend omdraaien, neusproef rechts onzeker. Op grond van de resultaten van het onderzoek verklaart de verbalisant ten aanzien van de bekwaamheid om ten tijde van de proeven het door hem bestuurde vervoermiddel naar behoren te kunnen besturen: alcoholinvloed ontegenzeggelijk. Bekwaamheid om te rijden: ongeschikt. Gelet op zijn waarnemingen en de resultaten van de door de verdachte afgelegde proeven acht de verbalisant de verdachte ongeschikt om als bestuurder van een motorrijtuig op te treden.

 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris d.d. 24 september 2015 (los stuk), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik kwam na ongeveer 20 à 25 minuten na het ongeval op de plaats delict.

[verdachte] rook sterk naar alcohol, hij sprak met een dikke tong en had een zwaaiende gang, daarmee bedoelde ik dat hij niet rechtop kon lopen. Ik zag ook dat [verdachte] onvast op zijn benen stond.

 Proces-verbaal van bevinding van verbalisant [verbalisant 2], hoofdinspecteur KPC, d.d. 11 mei 2015 (2e aanvulling, bijlage 8), voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Ik kwam om omstreeks 23.05 uur op de plaats delict. Ik zag dat [verdachte] heel traag in zijn handelingen was. Ook riekte zijn adem naar alcoholhoudende drank. Toen hij afgevoerd werd zag ik dat hij amper op eigen benen kon blijven staan.

 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 22 juni 2016 afgelegd, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik op 26 april 2015 als bestuurder van een auto betrokken ben geweest bij een verkeersongeval. Het was donker. Ik reed over de uitvoegstrook en maakte de bocht naar links. Aan het einde van de uitvoegstrook remde ik iets af. Ik maakte de bocht naar links, stak de kruising over en voelde dat er een botsing plaatsvond. Ik had het voertuig, dat van rechts kwam, niet zien aankomen rijden. Het klopt dat in deze situatie het tegemoetkomend verkeer dat op de [straat 1] rijdt, voorrang heeft. Voordat ik de bocht nam, had ik geremd maar de auto niet tot stilstand gebracht. Toen ik langzaam reed, heb ik niet gezien dat er een voertuig kwam aanrijden. Toen keek ik al naar de kant waarheen ik zou gaan, dus richting de [straat 2]. Na het afremmen liet ik het gaspedaal los en ging ik de bocht om. In de bocht gaf ik weer gas. Ik had die dag tussen ongeveer 17.00/18.00 uur en 21.30/22.00 uur ongeveer zes cups whisky met ijs gedronken. Het waren cups van 12 of 10 ounce. Ik heb niet veel gegeten. Het laatste glas whisky heb ik een uur of 30 minuten voor het ongeluk gedronken. Ik ben politieagent. Ik weet wat de invloed van alcohol op het lichaam is. Je wordt er dronken van en reageert traag. Ik begrijp wat u voorhoudt, namelijk dat in het algemeen gesproken (de hoeveelheid van een standaardglas) alcohol na ongeveer 1 à 1,5 uur is afgebroken en dat de alcohol uit bijvoorbeeld vier standaardglazen whisky dus na ongeveer vier à zes uur is afgebroken.

4B. Bewijsoverwegingen

Feitelijke toedracht

Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende. De verdachte heeft, rijdend over de uitvoegstrook op de Weg naar [locatie 1] en voordat hij de bocht naar links richting de [straat 2] nam, zijn auto iets afgeremd. In de bocht, vóór de kruising met de [straat 1], heeft de verdachte weer gas gegeven. Vervolgens is hij zonder te stoppen en zonder nogmaals naar rechts (naar het tegemoetkomend verkeer op de [straat 1]) te kijken, de kruising opgereden met een snelheid van ongeveer 14 km/u, waarna de van rechts komende motorfiets op zijn auto is gebotst. De bestuurder van de motorfiets is als gevolg van de botsing overleden.

Verkeersbord

Door de raadsvrouw is betoogd dat het verkeersbord dat in de middenberm staat, het zicht van de verdachte op de [straat 1] heeft belemmerd en hij daardoor de motorfiets niet heeft kunnen zien komen aanrijden. Ter onderbouwing van het verweer is een rapport van dhr. [getuige 2] overgelegd, welk rapport ter terechtzitting door dhr. [getuige 2] als getuige is toegelicht. De getuige heeft ter zitting verklaard dat de berekeningen in het rapport onder meer zijn gebaseerd op de plaats waar de verdachte de rem van de auto losliet. Het feit dat de verdachte de auto niet langer afremde toont volgens de getuige aan dat de verdachte dacht dat de [straat 1] vrij was. Op basis van dat moment heeft de getuige vastgesteld wat het zicht van de verdachte was en of het verkeersbord in dat gezichtsveld was, aldus de getuige ter terechtzitting. Naar het oordeel van het Gerecht is dit een onjuist uitgangspunt in deze zaak. De door de getuige bedoelde plek is gelegen op de uitvoegstrook. De verdachte heeft immers verklaard dat hij rijdend op de uitvoegstrook, vóór de bocht, heeft afgeremd, hetgeen door de videobeelden wordt bevestigd. Dat het verkeersbord het zicht van het verkeer dat op de uitvoegstrook rijdt, enigszins belemmert, staat niet ter discussie. Het gaat in deze om de vraag of het zicht bij het naderen en oprijden van de kruising met de [straat 1] door het verkeersbord werd belemmerd. Uit het proces-verbaal van de schouw en de eigen waarneming van de rechter met betrekking tot de tijdens de schouw gemaakte foto’s van de situatie ter plaatste, blijkt dat het zicht op de [straat 1] op die plek goed is en niet door het desbetreffende verkeersbord wordt belemmerd. Het verweer op dit onderdeel wordt derhalve verworpen.

Alcohol

De verdachte heeft verklaard dat hij weliswaar zes glazen whisky had genuttigd, maar niet dronken was. Het Gerecht overweegt dat dit laatste niet ter zake doet. Het verwijt dat de verdachte wordt gemaakt, is dat hij ten tijde van het ongeval onder kennelijke invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde (feit 1 primair) en dat hij onder zodanige invloed verkeerde van een stof waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat het gebruik ervan de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht (feit 2).

Onder kennelijke invloed (feit 1 primair)

De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zes (bij de politie: zes à acht) cups whisky heeft genuttigd in een tijdspanne van ongeveer vijf uren. Het laatste glas whisky heeft hij ongeveer 30 à 60 minuten voor het ongeval genuttigd. Nadat hij deze alcoholische dranken had genuttigd, heeft de verdachte zijn auto bestuurd. Het is algemeen bekend dat door de consumptie van zes glazen whisky sprake is van enige invloed van alcohol. De onder feit 1 primair tenlastegelegde strafverzwarende omstandigheid is reeds daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Onder zodanige invloed dat niet tot behoorlijk besturen in staat (feit 2)

Dat de verdachte niet tot behoorlijk besturen van de auto in staat moet worden geacht, blijkt naar het oordeel van het Gerecht reeds uit de hoeveelheid geconsumeerde whisky, te weten minstens zes cups gedurende een tijdspanne van ongeveer vijf uren. Het is algemeen bekend dat door het gebruik van alcoholhoudende drank het reactievermogen en het waarnemingsvermogen afnemen en dat het gebruik van alcohol de rijvaardigheid kan verminderen. De verdachte wist dit ook; hij is als politieagent bekend met de gevolgen. Het is ook algemeen bekend - en zeker een politieagent moet daarmee bekend worden geacht - dat deze invloed op de rijvaardigheid reeds optreedt bij het gebruik van twee (standaard)glazen alcoholhoudende drank. Dat de verdachte niet in staat was tot behoorlijk besturen, wordt bevestigd door de uitslag van de ‘dronkenmanstest’ en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [verbalisant 2]. Het Gerecht acht deze bewijsmiddelen betrouwbaar, reeds omdat deze in lijn zijn met de eigen verklaring van de verdachte dat hij minstens zes glazen whisky had gedronken. Uit genoemde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte niet alleen een alcohollucht verspreidde, maar ook een zwaaiend evenwicht vertoonde, met een dikke tong sprak en niet op zijn benen kon staan. Dit alles vormt het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte onder zodanige invloed van alcohol verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen van de auto in staat moest worden geacht.

Door de raadsvrouw is aangevoerd dat de verdachte suikerziekte patiënt is, dat een dergelijke patiënt in een acute stresssituatie een naar aceton ruikende adem kan vertonen en dat dit kan worden verward met alcohol intoxicatie. Wat hiervan ook zij, dit betoog doet niet af aan het feit dat de verdachte minstens zes cups whisky heeft genuttigd en andere kenmerken vertoonde van het onder invloed van alcohol zijn. Het gestelde alternatieve scenario dat de verdachte een diabetische aanval had, is gelet daarop niet aannemelijk. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Door de raadsvrouw is voorts betoogd dat er geen bloedtest of ademtest is verricht en dat dit wel had gemoeten. Het Gerecht overweegt dat het verweer op een verkeerde lezing van de tenlastelegging en wet is gebaseerd. De verdachte wordt overtreding van artikel 22 lid 1 Wegenverkeersverordening Curaçao 2000 (WVVC) verweten; niet het tweede lid van dat artikel. In de Memorie van Toelichting bij artikel 22 WVVC is uitdrukkelijk bepaald dat het eerste lid een opsporingsmethode en bewijsvoering toelaat zoals tot nu toe gebruikelijk is, dat wil zeggen door middel van de ‘dronkenmanstest’. Het verweer van de raadsvrouw ziet op het tweede lid van artikel 22 WVVC en doet dus niet ter zake.

Schuld

Ter beantwoording staat de vraag of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval en zo ja, in welke mate. Daarbij komt het, volgens vaste rechtspraak, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld. Het Gerecht overweegt in dit verband als volgt.

De verdachte is de kruising met de [straat 1] opgereden, waarbij hij de van rechts komende motorfiets geen voorrang heeft verleend, omdat hij niet nogmaals naar rechts heeft gekeken en zijn auto niet voldoende heeft afgeremd of tot stilstand heeft gebracht, waarna de motorfiets op zijn auto is gebotst.

Het ongeval heeft plaatsgevonden terwijl de duisternis was ingetreden. Het kruispunt met de [straat 1] was echter goed verlicht en, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, werd het zicht op het tegemoetkomend verkeer op de [straat 1] ter hoogte van de kruising niet door het verkeersbord belemmerd. In deze omstandigheden had de verdachte de naderende motorfiets kunnen en moeten waarnemen en daarop moeten anticiperen. Juist in het donker en juist als het zicht van de verdachte op het tegemoetkomend verkeer op de [straat 1] kort daarvoor (rijdend op de uitvoegstrook) nog door het verkeersbord was belemmerd, had de verdachte zijn auto tot stilstand moeten brengen of meer moeten afremmen alvorens de kruising op te rijden, om zich ervan te vergewissen dat er geen tegemoetkomend verkeer op de [straat 1] reed. De verdachte is echter - zonder te stoppen of voldoende af te remmen en zonder nogmaals naar rechts te kijken - de kruising opgereden. Aldus heeft hij bewust het risico genomen dat hij een mogelijk van rechts komend voertuig niet (tijdig) zou zien, welk risico zich ook heeft verwezenlijkt.

Dit alles heeft plaatsgevonden terwijl de verdachte zes glazen whisky had gedronken, onder kennelijke invloed was van het gebruik van alcoholhoudende drank en niet tot het behoorlijk besturen van de auto in staat was.

Gezien het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval heeft de verdachte - naar het oordeel van het Gerecht - hoogst onvoorzichtig en onachtzaam en onoplettend gereden. De aanrijding en de dood van het slachtoffer als gevolg van die aanrijding zijn derhalve aan de schuld van de verdachte te wijten.

Gedragingen slachtoffer

De raadsvrouw heeft betoogd dat het slachtoffer zelf meerdere verkeersovertredingen heeft begaan, namelijk het rijden met een niet gekeurd voertuig, het rijden zonder rijbewijs, het onverzekerd rijden, het rijden terwijl de motorrijtuigenbelasting niet is betaald en het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid. Deze gedragingen dienen volgens de raadsvrouw ook te worden meegewogen bij de beoordeling van de zaak. Naar het Gerecht begrijpt bedoelt de raadsvrouw hiermee een beroep te doen op de eigen schuld of medeschuld van het slachtoffer.

Het Gerecht overweegt dat eigen schuld of medeschuld in beginsel niet relevant is voor het bewijs van de schuld van de verdachte. Dit is slechts anders indien de onvoorzichtigheid van de ander zo groot is geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 2:284 Sr op te leveren.

Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer de maximum snelheid heeft overschreden. Niet kan worden vastgesteld met welke snelheid de motorfiets daadwerkelijk heeft gereden. Uit het rapport van de Verkeersdienst van de politie blijkt dat de motorfiets met een snelheid van ongeveer 71 km/u reed. In het rapport van getuige [getuige 2] wordt gesproken over een snelheid van 106 km/u, waarbij het Gerecht aantekent, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor ten aanzien van dat rapport is overwogen, dat dit rapport niet - zonder meer - als doorslaggevend kan worden aangemerkt. Het dossier is onduidelijk en zelfs tegenstrijdig met betrekking tot de ter plaatste toegestane maximumsnelheid. Volgens getuige [verbalisant 1] (bij de rechter-commissaris) is de snelheidslimiet op de Weg naar [locatie 1] 40 km per uur. Volgens getuige [getuige 1] (bij de rechter-commissaris) is die snelheidslimiet 60 km per uur. Ervan uitgaande dat de toegestane maximumsnelheid op de [straat 1] gelijk is aan die op de Weg naar [locatie 1], dient het Gerecht ermee rekening te houden dat het slachtoffer de toegestane maximumsnelheid met een snelheid van minimaal 11 tot maximaal 66 km/u heeft overschreden. Daarnaast heeft het slachtoffer zonder rijbewijs gereden en waren de vereiste papieren kennelijk niet in orde.

Naar het oordeel van het Gerecht is het verwijt dat het slachtoffer aldus valt te maken, niet dusdanig groot dat niet meer gezegd kan worden dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte is te wijten. Immers, uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat er goed zicht was op de [straat 1] en dat de verdachte de motorrijder, ondanks diens te hoge snelheid, had kunnen en moeten waarnemen. Het Gerecht acht de gedragingen van het slachtoffer ook niet zodanig bepalend voor het ontstaan van het ongeval, dat het niet redelijk is het ongeval aan de verdachte toe te rekenen. Het kennelijke verweer op dit punt wordt derhalve verworpen.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande:

1. primair

dat hij op 26 april 2015 te Curaçao als verkeersdeelnemer, te weten als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto van het merk Mitsubishi, model Lancer), daarmede rijdende over de Weg naar [locatie 1] in de richting van de [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door toen en aldaar als bestuurder van genoemd motorrijtuig hoogst onvoorzichtig en onachtzaam en onoplettend te rijden, immers is/heeft hij, verdachte:

  • -

    terwijl op die weg de duisternis was ingetreden

  • -

    het door hem bestuurde motorrijtuig onvoldoende afgeremd of tot stilstand gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en

  • -

    vanaf de uitrijstrook van de Weg naar [locatie 1] met een bocht naar links de kruising met de [straat 1] opgereden zonder de doorgang naast zich vrij te laten en

  • -

    geen voorrang verleend aan een voor hem van rechts komend tweewielig motorrijtuig en

  • -

    niet uitgeweken om een botsing met dit motorrijtuig te voorkomen,

waardoor een botsing is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een op de rijbaan van die weg rijdende bestuurder van een ander tweewielig motorrijtuig, door welke botsing die bestuurder van dat andere motorrijtuig, genaamd [slachtoffer 1], werd gedood,

terwijl hij, verdachte, tijdens bovenvermeld ongeval verkeerde onder kennelijke invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank.

2.

dat hij op 26 april 2015 te Curaçao als bestuurder van een voertuig (personenauto) daarmee heeft gereden, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof (alcohol), waarvan hij weet of redelijkerwijze moet weten dat het gebruik ervan, al dan niet in combinatie met een andere stof, de rijvaardigheid kan verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair:

aan het verkeer deelnemen en zich daarbij zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige tijdens het ongeval verkeerde onder kennelijke invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 22, eerste lid, van de Wegenverkeersverordening Curaçao 2000.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.1.

Hoofdstraf

De verdachte heeft door hoogst onvoorzichtig, onachtzaam en onoplettend rijgedrag een botsing veroorzaakt met een motorfiets. Op die motorfiets reed [slachtoffer 1], een jongeman van 23 jaar, die door het ongeval is overleden. Het is aan de schuld van de verdachte te wijten dat het slachtoffer is gestorven. De dood van het slachtoffer heeft ernstig en onherstelbaar leed bij de nabestaanden bezorgd. Zij zullen hun leven lang met de gevolgen van dit ongeval geconfronteerd worden. Het is evident dat geen enkele straf het leed van de nabestaanden zal kunnen verzachten.

Het Gerecht is van oordeel dat de verdachte een hoge mate van schuld heeft aan het verkeersongeval. Hij heeft onder invloed van alcohol als bestuurder van een auto over de weg gereden en geen voorrang aan de motorfiets verleend. Rijden onder invloed is levensgevaarlijk. De verdachte had, na zes cups whisky te hebben gedronken, de auto nooit mogen besturen. Dat hij zich hiervan ook bewust was, blijkt uit het feit dat hij na het ongeval eerst een whiskyfles heeft verstopt en pas daarna naar de plaats van het ongeval is gegaan.

Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan en is op grond van de aard en de ernst daarvan van oordeel dat slechts een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf weegt het Gerecht, als strafverzwarend, mee dat de verdachte als politieman een voorbeeldfunctie in het verkeer heeft te vervullen.

Hoewel het niet in verhouding staat tot het gemis bij de nabestaanden, neemt het Gerecht ook in aanmerking dat de verdachte de psychische last zal moeten dragen van het feit dat door zijn hoogst onvoorzichtige gedrag het slachtoffer is komen te overlijden. Voorts houdt het Gerecht er rekening mee dat de verdachte zijn baan bij de politie waarschijnlijk zal verliezen.

Het Gerecht heeft verder acht geslagen op de rapportages die omtrent de persoon van de verdachte zijn opgemaakt. Uit het psychologisch en reclasseringsrapport blijkt dat de verdachte een gebrek aan zelfinzicht heeft, omdat hij weigert toe te geven dat zijn alcoholgebruik een rol zou kunnen hebben gespeeld bij de aanrijding. Ook ter terechtzitting heeft de verdachte geen blijk gegeven van enig inzicht in zijn handelen en in de ernst daarvan. Het Gerecht acht dit zorgelijk en ziet daarin - net als de psycholoog - een gevaar voor herhaling.

De mate van schuld van de verdachte en de ernst van de gevolgen van het verkeersongeval brengen het Gerecht tot de slotsom dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere straf dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 12 maanden.

Het Gerecht zal, zoals ook is gevorderd, de helft van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijk gedeelte dient als duidelijke waarschuwing aan de verdachte om zich gedurende de proeftijd niet weer aan een misdrijf schuldig te maken. Daarnaast acht het Gerecht verplichte begeleiding door de reclassering noodzakelijk, ook als die inhoudt dat hij zich onder behandeling moet stellen bij de FMA en/of een psycholoog. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Alles afwegende acht het Gerecht de hierna te noemen straf passend en geboden.

7.2.

Bijkomende straf

Gelet op het gebrek aan inzicht bij de verdachte en ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het Gerecht tevens aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren, zoals ook is gevorderd.

8 Vordering benadeelde partij

Namens de benadeelde partij, dhr. [benadeelde 1] en mw. [benadeelde 2], is een vordering tot schadevergoeding van NAf 50.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het onder 1 tenlastegelegde feit zou hebben geleden.

Het Gerecht is van oordeel, gelet op het kennelijke beroep op eigen schuld of medeschuld van het slachtoffer, dat de vordering van de benadeelde partij niet van zodanige aard is dat zij zich leent voor een beslissing in de strafzaak. De benadeelde partij zal daarom niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:136 en 2:286 van het Wetboek van Strafrecht en op artikel 3 van de Verordening van de 20ste april 1932, houdende enige regelingen van burgerrechtelijke aard bij botsing, aan- of overrijding met motorrijtuigen en houdende regeling van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (P.B. 1957, no. 48).

10 Beslissing

Het Gerecht:

- verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

- verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

- verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

- veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

- beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Gerecht later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 3 (drie) jaren, één of meer van de na te melden voorwaarden overtreedt;

- stelt als algemene voorwaarde:

o dat de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

o dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens U.O. Reclassering Curaçao (thans gevestigd op het adres: Scharlooweg 154/156 Unit B (oud Kranshi gebouw), telefoonnummer 461-1832) instelling, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, ook als dat inhoudt dat hij zich gedurende die proeftijd onder behandeling stelt bij Fundashon Maneho di Adikshon (FMA) en/of een psycholoog;

- bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

- verklaart de benadeelde partij dhr. [benadeelde 1] en mw. [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering.

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twee (2) jaren;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.H. Lips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 8 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.