Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:192

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
500.00262/15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/317
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2016, 24 juni 2016 en 9 augustus 2016. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.S.M. Blonk.

De officier van justitie, mr. S.A. van de Vliet, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1 (impliciet primair) en 2 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft verweer gevoerd.

Als benadeelde partijen hebben zich ter zaken van het onder 1 ten laste gelegde feit in het geding gevoegd mevrouw [benadeelde 1] en de heer [benadeelde 2].

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd:

Feit 1 : Moord c.q doodslag op [slachtoffer]

dat hij op of omstreeks 20 mei 2015, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] bij zijn woning en/of erf opgezocht en/of achtervolgd en/of een (vuist) vuurwapen gericht op en/of in die richting (van het lichaam) van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) een of meerdere malen geschoten op die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (als gevolg van een schotverwonding in het hoofd) is overleden;

(artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2: Vuurwapenbezit

hij op of omstreeks 20 mei 2015, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad, te weten een revolver kaliber .38 special met bijbehorende munitie, te weten één of meer patronen van het kaliber .38 special;

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1 (impliciet primair) en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

Ten aanzien van feit 1 (impliciet primair) en feit 2:

1. Proces-verbaal van onderzoek plaats delict, p. 234 en 235, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 1], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven:

Op 20 mei 2015 heeft er op het adres [locatie 1] te Curaçao een schietpartij plaatsgevonden waarbij een persoon om het leven is gekomen. Het lichaam van het slachtoffer vertoonde een schotwond ter hoogte van het achterhoofd. Door dr. E.A. Winklaar werd ter plaatse de dood geconstateerd van het slachtoffer.

2. Proces-verbaal van lijkherkenning, p. 239 en 240, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1], brigadier van politie, bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven:

Op 20 mei 2015 vond een schietpartij plaats met dodelijke afloop te [locatie 1]. Ter plaatse in de nachtelijke uren van 21 mei 2015, omstreeks 2:15 uur, heb ik lijkherkenning verricht met de vrouw en man die opgaven te zijn respectievelijk

[benadeelde 1] en [benadeelde 2]. Beiden herkenden het aan hen getoonde lijk als dat van hun zoon, in leven genaamd [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats].

3. Proces-verbaal onderzoek Scooter (proces-verbaalnummer 201604102233), p.6, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 2], hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven:

Algemene opmerking: in diverse in het procesdossier gevoegde processtukken wordt gerelateerd naar de woonadressen [locatie 1] of [locatie 1] als de plaats waar de schietpartij heeft plaatsgevonden. Dit betreft een en hetzelfde adres.

4. Proces-verbaal van forensisch onderzoek in verband met een op 20 mei 2015 te [locatie 1] plaatsgehad hebbend schietincident, p. 871 , voor zover inhoudende als de verklaring van [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5], allen brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven:

Het slachtoffer lag ongeveer 6 meter van de ingang van het erf. De kogel die is verwijderd uit het hoofd van het slachtoffer is van het kaliber.38 special en is verschoten door een revolver van het kaliber .38 special.

5. Geschrift, te weten Sectierapport # S-5-26 (rapport van gerechtelijke sectie), p. 243 t/m 248, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:

Op 27 mei 2015 heeft autopsie plaatsgevonden op het lichaam van [slachtoffer]. De doodsoorzaak is een schotwond in de nek. Aan de linker bovenkant van zijn hals (haargrens) bevindt zich een inschot, met een diameter van 9 mm. De kogelbaan is van links naar rechts, van achter naar voren en neerwaarts. Aan de rechter bovenkant van het gezicht kan de kogel aangeraakt worden. Het slachtoffer is overleden aan een hersenstamcontusie ontstaan door de schokgolven van de kogel en een hersenstambloeding.

6. Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1], p. 001 t/m 004, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Op 20 mei 2015 klopte mijn zoon [slachtoffer] hard op de deur van onze woning in Curaçao. Hij zei dat hij een gevecht had gehad met drie mannen. Net nadat hij mij over het voorval had verteld, zag ik drie mannen bij onze achterdeur staan. Ik vroeg hen wat er aan de hand was. Een van hen zei dat er een probleem was over een scooter. Mijn man zei tegen hen dat ze binnen konden komen om te kijken naar een scooter die we in huis hadden staan. Ze gaven hier geen gehoor aan, maar ze bleven problemen zoeken met [slachtoffer]. Ik besloot de politie te bellen. Toen de mannen mij met de politie hoorden praten, renden ze weg. Terwijl ze wegrenden bekogelden ze ons huis met stenen. Ik zei tegen [slachtoffer] dat hij binnen in huis op de politie moest wachten. Kort daarna hoorde ik iemand een paar keer schreeuwen. Ik liep naar de achterdeur en zag een auto buiten de woning staan. [slachtoffer] kwam ook bij de achterdeur staan. Dezelfde drie mannen die eerder bij mijn huis waren, stapten uit de auto. Ze begonnen weer met [slachtoffer] te discussiëren. Eén van hen had de witte blackberry van [slachtoffer] in zijn handen; [slachtoffer] vroeg deze aan hem terug te geven. Tijdens de woordenwisseling zag ik dat één van de mannen zijn rechterhand in zijn broek deed, ter hoogte van zijn buik, en een vuurwapen tevoorschijn haalde. Een andere man riep “Tira, tira, ban tira” (vrije vertaling verbalisant: schiet, schiet, laten wij schieten). Ik zag dat mijn zoon wegrende.

7. Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 1], p. 005 t/m 009, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

De mannen betichtten [slachtoffer] ervan dat hij een scooter had gestolen. Ik heb tegen de mannen gezegd dat ze binnen konden komen om te kijken of de scooter die bij ons binnen stond misschien van hun was. Geen van de drie mannen wilde dat. [slachtoffer] zei tegen hen dat ze naar een man bijgenaamd “[persoon 1]” moesten gaan, maar ze bleven problemen zoeken met [slachtoffer]. Pas toen ze merkten dat ik echt de politie ging bellen, renden ze weg. [slachtoffer] vertelde ons dat hij een handgemeen had gehad met die mannen en dat één van hen een pistool op hem had gericht.

8. Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde 2], p. 053 t/m 055, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Toen mijn zoon thuis kwam, waren er nog drie andere jongens bij hem. Ze betichtten hem ervan dat hij een scooter van hun had weggenomen. We stonden toen op de achterporch. Ik zei tegen hen dat ze binnen mochten komen om te kijken of ze de scooter die ze zochten konden vinden. Ze zijn niet naar binnen gegaan. Toen de politie werd gebeld, zijn ze weggegaan. Nadat de jongens waren vertrokken vertelde mijn zoon ons dat dat de jongens bij de snack met hem hadden gevochten, dat een van de jongens een vuurwapen tegen zijn hoofd had gezet en dat ze zijn mobiele telefoon van hem hadden weggenomen. Even later kwam er een auto aanrijden. Wij zijn gaan kijken wie er was. Mijn zoon heeft de mannen herkend en rende weg. De jongens zijn hem achterna gegaan. Eén van de jongens riep om op hem te schieten. De auto reed achteruit toen de jongens mijn zoon achterna zijn gegaan. Ik heb schoten gehoord.

9. Proces-verbaal van bevinding, p. 229 t/m 233, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 6], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven:

Op 20 mei 2015 zijn onder meer de volgende gesprekken bij de Centrale Meldkamer van de politie binnengekomen. De in het Papiaments opgenomen gesprekken werden in het Nederlands vertaald:

20 mei 2015 om 22:28 uur:

Burger (vrouwenstem): ik heb een probleem bij [locatie 1]. Er zijn drie mannen gekomen om mij, mijn echtgenoot en mijn zoon dood te maken. Ze begonnen ook dingen op ons huis te gooien. Jullie moeten vlug de politie sturen.

Centrale meldkamer: wij zullen de politie daarheen sturen.

20 mei 2015 om 22:55 uur:

Burger (vrouwenstem): zij hebben op mijn zoon geschoten. Ze zijn in de mondi achter hem aan gegaan. [locatie 1].
Burger (mannenstem): kunt u de politie hierheen sturen? [locatie 1]. De mannen zijn teruggekeerd en hebben verschillende kogels op het erf op het kind gelost.

Burger (mannenstem): ze hebben op mijn zoon in de mondi geschoten. Hij is weggerend. Veel mannen waren hier gekomen en hebben op hem geschoten. Jullie hadden allang de politie moeten sturen, want ik wist dat zij terug zouden komen.

10. Proces-verbaal van bevinding, p. 253 en 254, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 7], brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

Op 21 mei 2015 werd ik ’s morgens om 07:25 uur gebeld door de man die ik ken als [persoon 2]. “[persoon 2]” zei tegen mij dat hij buiten mijn woning stond en dat hij mij met spoed nodig had. Ik ging naar buiten. “[persoon 2]” verklaarde dat drie mannen in een donkerkleurige auto zijn zoon genaamd [getuige 1] thuis waren komen opzoeken. Hij verklaarde tevens dat een van deze mannen, de eigenaar van de auto waarmee ze waren gekomen, “[verdachte]” wordt genoemd en in de wijk [locatie 2] woont.

11. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (Gerecht begrijpt: [getuige 1]), p. 076 t/m 079, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Mijn vader heet [persoon 2]. Op de avond van 20 mei 2015 rond 22:00 uur was ik onderweg naar huis, omdat mijn moeder mij enkele minuten daarvoor had opgebeld. Ze had me verteld dat drie mannen mij thuis waren komen opzoeken en dat ze het erf hadden betreden. Thuis aangekomen vertelde mijn vader mij dat er zonet drie mannen mij thuis waren komen opzoeken voor een scooter.

12. Proces-verbaal van verdenking, p. 436, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 2], hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

Bij het Bureau Roofovervallen Bestrijding van het Korps Politie Curaçao is ambtshalve bekend dat met “[verdachte]” uit [locatie 2] wordt bedoeld: [verdachte].

13. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] (Gerecht begrijpt: [getuige 1]), p. 080 t/m 082, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Mijn vader had één van de mannen herkend als de man bijgenaamd “[verdachte]”. Ik ken “[verdachte]” ook.

14. Proces-verbaal van fotoconfrontatie met de getuige [getuige 1], met bijlage, p. 087 en 088, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

U toont mij een fotokaart aangeduid met letter “C”. De man op de foto onder nummer 3 is de man die ik als “[verdachte]” ken.

15. Proces-verbaal van bevinding bij fotoconfrontatie met de getuige [getuige 1], p. 090, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 6], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

De foto onder nummer 3 op de fotokaart aangeduid met letter “C” betreft de foto van [verdachte], bekend als “[verdachte]”, geboren op 28 augustus 1994 te Curaçao.

16. Proces-verbaal van nader verhoor getuige [getuige 1] (Het Gerecht begrijpt: [getuige 1]), p. 107 t/m 110, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Ik reed op 20 mei 2015 op mijn scooter. Op een gegeven moment zag ik “[verdachte]” en [medeverdachte 1] vanaf een erf naar me toe komen rennen. Ze zeiden tegen me dat ik moest stoppen. Dat deed ik. Ik wilde vragen wat ze even tevoren bij mijn woning waren komen doen. Toen zag ik [medeverdachte 2] en de man bijgenaamd “[medeverdachte 3]” ook van dat erf komen rennen. Ze begonnen allemaal tegen mij te zeggen dat ik op de hoogte was van die dingen. Ik zei dat ik niet wist wat ze bedoelden. Ze begonnen druk uit te oefenen. “[verdachte]” bleef aanhoudend tegen mij zeggen: “Bo sa di e scooter” (vrije vertaling van de verbalisanten: Je weet van de scooter). “[verdachte]” werd agressief. Hij bleef maar schreeuwen en gebaren maken met zijn armen om mij te intimideren.

[medeverdachte 1] zei steeds tegen mij: “Bo sa di e kosnan” (vrije vertaling van de verbalisanten: je weet van de gebeurtenis). [medeverdachte 1] was agressief. Hij bleef maar schreeuwen en maakte gebaren met zijn armen. [medeverdachte 1] was van hen de enige persoon die wist waar ik woonde. Hij had de anderen de rij route naar mijn woning gewezen. Hij was ook de enige die wist waar “[slachtoffer]” woonde. [medeverdachte 2] zei steeds tegen mij: “Rabia, rabia mi ta, bo sa di e kosnan bon bon” (vrije vertaling van de verbalisanten: Ik ben kwaad, je weet verdomme goed van de gebeurtenis). [medeverdachte 2] was agressief. Hij schreeuwde net als de anderen en maakte gebaren met zijn armen. “[medeverdachte 3]” bleef de hele tijd tegen mij zeggen: “Ruman bo sa bon bon di e kosnan, rabia rabia mi ta” (vrij vertaald door de verbalisanten: Broer je weet verdomme goed van de gebeurtenis, ik ben kwaad). [medeverdachte 3] was ook agressief. Hij schreeuwde net als de anderen en maakte gebaren met zijn armen. “[verdachte]”, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en “[medeverdachte 3]” waren allemaal agressief en op zoek naar de scooter. Ze waren allemaal samen.

17. Proces-verbaal van fotoconfrontatie met de getuige [getuige 1], met bijlage, p. 083 en 084, voor zover inhoudend als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

U toont mij een fotokaart aangeduid met letter “B”. De man op de foto onder nummer 10 is de man die ik ken als “[medeverdachte 1]”.

18. Proces-verbaal van bevinding bij fotoconfrontatie met de getuige [getuige 1], p. 086, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 6], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

De foto onder nummer 10 op de fotokaart aangeduid met letter “B” betreft de foto van [medeverdachte 1], bekend als “[medeverdachte 1]”, geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats].

19. Proces-verbaal van fotoconfrontatie met de getuige [getuige 1], met bijlage, p. 103 en 104, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

U toont mij een fotokaart aangeduid met letter “C”. De man op de foto onder nummer 5 is de man die ik op de dag van het gebeurde samen met “[verdachte]”, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij een woning zag.

20. Proces-verbaal van bevinding bij fotoconfrontatie met de getuige [getuige 1], p. 106, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 8] en [verbalisant 7], beiden hoofdagent bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

De foto onder nummer 5 op de fotokaart aangeduid met letter “C” betreft de foto van [medeverdachte 3], geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats].

21. Proces-verbaal van getuige verhoor [getuige 1] (Het Gerecht begrijpt: [getuige 1]), p.092,

- voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9], respectievelijk brigadier en hoofdagent van politie, bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven:

wij tonen de getuige een foto van [medeverdachte 2];

- voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

U toont mij een foto van een man. Ik herken hem. Hij is de man die ik in mijn verklaringen [medeverdachte 2] noem.

22. Proces-verbaal van getuige verhoor [getuige 2], p. 111 t/m 113, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige zakelijk weergegeven:

[getuige 1] vertelde mij op 22 mei 2015 dat een aantal mannen hem op 20 mei 2015 heeft gezocht bij zijn woning. Hij heeft mij ook verteld dat “[verdachte]” een vuistvuurwapen tegen zijn hoofd heeft gezet.

23. Proces-verbaal bevinding omtrent weggenomen “Scooter”, p. 266 en 267, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant 10], inspecteur bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

Op 20 mei 2015 omstreeks 20:00 uur werd ik benaderd door mijn buurvrouw wonende te [locatie 3]. Zij vertelde mij dat er bij haar was ingebroken en dat er een scooter uit haar woning was weggenomen. Op dat moment zag ik een jongeman die ook in die woning verblijft, aankomen in zijn roodgelakte Toyota Yaris. Hij verklaarde dat het zijn scooter was die was weggenomen, dat hij geen aangifte zou doen en zelf het een en ander zou gaan regelen.

24. Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2], p. 535 en 537, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik word ook “[medeverdachte 2]” genoemd. Ik heb een roodgelakte Toyota Yaris.

25. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], p. 167 t/m 169, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Mijn dochter en haar vriend verbleven samen met hun zoontje in een kamer achter in mijn woning. De vriend van mijn dochter wordt “[medeverdachte 2]” of “[medeverdachte 2]” genoemd. Op de dag dat er in mijn woning was ingebroken stond ik met mijn buurman die politieagent is te praten toen “[medeverdachte 2]” thuis kwam. Hij ging naar hun kamer en kwam gelijk weer buiten. Hij zei dat de scooter was weggenomen en dat de scooter van zijn neef is. Ik zag dat “[medeverdachte 2]” iemand belde. Na enkele minuten kwamen er twee mannen in een blauwgelakte personenauto. De mannen waren heel boos. Beide mannen zeiden tegen “[medeverdachte 2]”: “Bo a faja” (vertaling van de tolk ter terechtzitting van 24 juni 2016: “Je hebt gefaald”).

26. Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 464, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Ik leen soms de auto van mijn moeder. Mijn moeder heeft een blauwgelakte Toyota Yaris.

27. Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], p. 463, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte [verdachte], zakelijk weergegeven:

Mijn neef [medeverdachte 2] is een vriend van mij.

28. Proces-verbaal van fotoconfrontatie met de getuige [getuige 3], met bijlage, p. 170 en 171, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

U toont mij een fotokaart aangeduid met letter “A”. De man op de foto onder nummer 2 is de man die ik als “[medeverdachte 2]” ken.

29. Proces-verbaal van bevinding bij fotoconfrontatie met de getuige [getuige 3], p. 173, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 11], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

De foto onder nummer 2 op de fotokaart aangeduid met letter “A” betreft de foto van [medeverdachte 2], geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats].

30. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4], p. 132 t/m 135, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

In de avond van 20 mei 2015 omstreeks 22:30 uur hoorde ik dat een glazen raam van mijn woning kapot werd geslagen en dat de kamerdeur van mijn zoon [getuige 5] met kracht werd opengedaan. [getuige 5] was niet thuis, hij was die avond op Bonaire. [getuige 5] wordt ook wel “[getuige 5]” genoemd. Buiten zag ik drie mannen staan. Twee stonden op het erf van mijn woning en een stond naast het portier van de bestuurder van een roodgelakte auto lijkend op een Yaris die voor mijn woning stond. Ik vroeg wat er gaande was. Eén van de mannen antwoordde dat ze “[getuige 5]” nodig hadden. Eén van de andere mannen kwam dichter bij mijn slaapkamerraam staan. Ik schat hem vrij jong, hij had een klein afrokapsel. Hij zei dat zijn scooter gestolen was. Hij haalde een Blackberry uit zijn broekzak en toonde mij een foto. Op dat moment zag ik nog twee mannen uit mijn woning komen. De man die voorop liep hield zijn linker arm gestrekt langs zijn lichaam, terwijl hij een donkerkleurig voorwerp in zijn linkerhand hield. De wijze waarop deze man zijn arm langs zijn lichaam had en het voorwerp in zijn hand hield, vermoedde ik dat hij een vuurwapen bij zich had. Hij keek mij aan en zei tegen mij: “Bisa [getuige 5] e ta morto” (vrije vertaling verbalisanten: zeg tegen [getuige 5] dat hij dood is). De mannen gingen weg. Mijn zoon [persoon 3] zei tegen mij dat de mannen tegen hem hadden gezegd dat hij naar binnen moest gaan omdat zijn broer ten dode opgeschreven is.

31. Proces-verbaal van fotoconfrontatie met de getuige [getuige 4], met bijlage, p. 138 en139, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

U toont mij een fotokaart aangeduid met letter “E”. De man op de foto onder nummer 7 herken ik als een van de mannen die op 20 mei 2015 mijn woning was binnengedrongen. Hij is de man die zijn linker arm gestrekt langs zijn lichaam had, terwijl hij een donkerkleurig voorwerp in zijn linkerhand hield.

32. Proces-verbaal van bevinding bij fotoconfrontatie, p. 141, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 7], beiden brigadier bij het Korps Politie Curaçao, zakelijk weergegeven(vul geboortedatum in):

De foto onder nummer 7 op de fotokaart aangeduid met letter “E” betreft de foto van [medeverdachte 1], bekend als “[medeverdachte 1]”, geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats].

33. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5], p. 154 t/m 157, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige, zakelijk weergegeven:

Op 20 mei 2015 heeft mijn vriend [slachtoffer], bijgenaamd “[slachtoffer]”, mij in de ochtenduren, omstreeks 11:00 uur, via de telefoon enkele tekstberichten gestuurd waarin hij zei dat hij een scooter had gestolen. Hij heeft mij ook een paar foto’s van die scooter gestuurd. Op het moment dat ik de foto’s zag wist ik om welke scooter het ging. Ik heb die scooter zien staan op een erf bij een woning in de wijk [locatie 3]. “[slachtoffer]” wist ook van die scooter af. De tekstberichten en de foto’s heb ik opgeslagen in mijn telefoon. ’s Avonds ontving ik vanuit de telefoon van “[slachtoffer]” een aantal berichten. In de tekstgesprekken vroeg de gebruiker van de telefoon van “[slachtoffer]” waar ik mij op dat moment bevond. Ik wist dat de tekstgesprekken niet van “[slachtoffer]” konden zijn, omdat “[slachtoffer]” wist dat ik op Bonaire was. Ik stuurde een tekstbericht terug waarin ik zei dat ik op dat moment thuis was.

34. Proces-verbaal van nader verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 698 t/m 702 voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Op 20 mei 2015 werd ik opgehaald door “[verdachte]” en “[medeverdachte 3]”. “[verdachte]” had een nikkelkleurige revolver bij zich. “[verdachte]” zat achter het stuur. Hij overhandigde de revolver aan “[medeverdachte 3]”. Wij zijn naar het huis van [getuige 1] gereden in verband met een gestolen scooter. Ik wist waar [getuige 1] woonde en heb zijn huis aangewezen. “[medeverdachte 3]” zei dat hij een bedrag van NAf 10,000,00 aan de scooter had besteed en dat hij niet van plan was dit op te geven. Bij het huis van [getuige 1] aangekomen, zijn wij uitgestapt. Wij hebben daar niemand aangetroffen. Wij stapten weer in de auto. “[verdachte]” werd door iemand opgebeld die zei dat het om “[slachtoffer]” ging. Ik wist waar [slachtoffer] woonde en heb het huis van “[slachtoffer]” aangewezen. Toen we bij het huis van “[slachtoffer]” waren aangekomen, stond “[slachtoffer]” bij een snack dicht bij zijn woning. “[verdachte]” stopte de auto. Er ontstond een woordenwisseling en een handgemeen met [slachtoffer]. [medeverdachte 3] pakte een telefoon van “[slachtoffer]” af en doorzocht de telefoon. “[slachtoffer]” rende in de richting van zijn huis. Wij gingen ook naar het huis van “[slachtoffer]”. De vader en moeder van “[slachtoffer]” kwamen naar buiten. De moeder van “[slachtoffer]” deelde mede dat zij de politie zou bellen. Wij zijn toen weggegaan. Hierna reden we naar het huis van [medeverdachte 2] te [locatie 3]. Even later kwam daar [medeverdachte 2] in zijn rode Toyota model Yaris aan en [getuige 1] kwam op een scooter aanrijden. Er ontstond een woordenwisseling met [getuige 1]. “[verdachte]” plaatste het nikkelkleurig vuurwapen tegen het hoofd van [getuige 1]. [getuige 1] zag kans om weg te rijden. Wij stapten hierna in de auto van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] trad toen op als bestuurder van zijn roodgelakte Toyota Yaris. “[verdachte]” ging naast [medeverdachte 2] zitten, ik nam plaats achter [medeverdachte 2] en “[medeverdachte 3]” zat naast mij. “[medeverdachte 3]” had de revolver in zijn handen. Wij reden naar een andere woning. “[medeverdachte 3]”, “[verdachte]” en ik stapten uit de auto. [medeverdachte 2] bleef in de auto zitten. Van die woning is een ruit vernield om zo toegang tot de woning te krijgen. “[verdachte]” voerde een gesprek met iemand via het raam van de woning. Wij stapten weer in de auto en gingen op dezelfde plek als daarvoor zitten. We reden wederom naar de woning van “[slachtoffer]”. Daar aangekomen bleven we in de auto zitten. [medeverdachte 2] riep heel hard. Hij deed alsof hij iemand was met wie “[slachtoffer]” heel goed bevriend was, zodat “[slachtoffer]” naar buiten zou komen. “[slachtoffer]” kwam naar buiten. Toen hij zag wie het waren, rende hij terug naar zijn moeder. “[slachtoffer]” rende weg achter zijn woning. Er werd geschoten. [medeverdachte 2] draaide de auto met gierende banden in de andere richting. [medeverdachte 2] reed met hoge snelheid weg. Wij reden naar [locatie 4].

35. Proces-verbaal van nader verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 706 en 707, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Toen we bij de woning van “[medeverdachte 2]” kwamen bleef “[medeverdachte 3]” de telefoon van [slachtoffer] doorzoeken. Op een gegeven moment kwam “[medeverdachte 3]” een naam tegen. Toen “[medeverdachte 2]” die naam hoorde zei hij dat hij wist waar die persoon woonachtig is en we zijn naar die woning gegaan. Ik heb de inhoud van het gesprek dat “[verdachte]” via het raam van de woning voerde niet gehoord, maar ik zag dat “[verdachte]” de mobiele telefoon van [slachtoffer] in zijn handen had en aan de persoon het scherm liet zien. Toen we daarna weer in de auto waren gestapt zei “[medeverdachte 3]” dat we weer naar de woning van “[slachtoffer]” moesten gaan. “[verdachte]” had de revolver en overhandigde deze aan “[medeverdachte 3]”.

36. Proces-verbaal van nader verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 713, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

“[verdachte]” had destijds een afro kapsel.

37. Proces-verbaal van nader verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 717, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

Bij het doorzoeken van de telefoon van “[slachtoffer]” is er een chatgesprek tussen “[slachtoffer]” en “[getuige 5]” gevonden. Toen wij de tweede keer bij de woning van “[slachtoffer]” waren heeft [medeverdachte 2] de naam “[getuige 5]” genoemd om ”[slachtoffer]” naar buiten te lokken.

38. Proces-verbaal van nader verhoor verdachte [medeverdachte 1], p. 677 t/m 681, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte, zakelijk weergegeven:

U toont mij een foto van de man genaamd [verdachte], bijgenaamd “[verdachte]”. Ja, ik ken hem.

U toont mij een foto van de man genaamd [medeverdachte 2]. Ja, ik ken hem. Hij wordt ook “[medeverdachte 2]” genoemd.

U toont mij een foto van de man genaamd [medeverdachte 3]. Ik herken hem. Ik heb hem bij de woning van “[verdachte]” gezien. Hij wordt ook “[medeverdachte 3]” genoemd.

4B. Bewijsoverwegingen

De feiten

Het Gerecht stelt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feitelijke gang van zaken vast.

De verdachte had een scooter geparkeerd staan bij medeverdachte [medeverdachte 2]. Deze scooter werd op 20 mei 2015 in de loop van de dag gestolen. Na de ontdekking van de diefstal sprak [medeverdachte 2] omstreeks 20:00 uur op straat met zijn buurman, een politieagent. [medeverdachte 2] zei hem dat hij niet van plan was aangifte te doen en dat hij een en ander wel zelf zou regelen. Vlak hierna kwamen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 3], die geld in de scooter van de verdachte had gestoken, bij [medeverdachte 2] langs. Zij waren boos en zeiden tegen hem dat hij had gefaald. Hierna gingen de verdachte en [medeverdachte 3] weg waarna zij een andere medeverdachte, [medeverdachte 1], ophaalden. Laatstgenoemde was goed bekend met de buurt waarin de diefstal was gepleegd. Zij reden gedrieën verder en waren op dat moment in het bezit van een revolver. De verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] reden eerst naar de woning van getuige [getuige 1], kennelijk omdat het vermoeden bij hen was gerezen dat hij wetenschap had van de (dader van de) diefstal. [medeverdachte 1] wist waar [getuige 1] woonde en kon zijn huis aanwijzen. Alle drie de verdachten zijn bij voornoemde woning uitgestapt en hebben daar naar de getuige gezocht. Hij bleek niet thuis te zijn. Vervolgens kwam bij hen telefonisch informatie binnen dat ze voor meer informatie bij een man bijgenaamd [slachtoffer] moesten zijn. Op aanwijzen van [medeverdachte 1] reden zij richting de woning van deze [slachtoffer] wiens echte naam [slachtoffer] is, het latere slachtoffer. Bij de naast zijn woning gelegen snack zagen zij [slachtoffer] al staan. Alle drie de verdachten zijn uitgestapt. Zij hebben hem beschuldigd van de diefstal, met hem gevochten en zijn telefoon van hem afgepakt. Tevens werd de revolver door een van hen op zijn hoofd gericht. [slachtoffer] is vervolgens weggerend en, achtervolgd door de drie verdachten, zijn nabij gelegen huis binnengestormd, waar zijn ouders zich bevonden. Beide ouders hebben buiten gesproken met de drie verdachten. De drie verdachten hebben daarbij [slachtoffer] van de diefstal van de scooter beticht en bedreigende taal geuit naar zijn ouders. De ouders van [slachtoffer] boden hen de gelegenheid een scooter te bekijken die ze bij hun huis hadden staan om te bezien of dit de gestolen scooter betrof waarover zij spraken, maar hierop gingen de drie verdachten niet in. Zij waren nog steeds op zoek naar [slachtoffer]. [slachtoffer] heeft hen gezegd dat ze bij ene ‘[persoon 1]’ moesten zijn. De moeder van [slachtoffer] zei hen vervolgens dat zij de politie zou bellen, waarop de verdachten besloten weg te gaan. Het huis werd door hen bekogeld met stenen. De moeder van [slachtoffer] belde hierop de centrale meldkamer en zei dat er drie mannen waren gekomen om hen dood te maken en vroeg om onmiddellijke politieassistentie. De medewerker van de meldkamer deelde daarop mede een patrouille te zullen sturen. De moeder van [slachtoffer] zei tegen [slachtoffer] dat hij binnen moest blijven wachten. De verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] besloten naar het huis van [medeverdachte 2] te rijden. De verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] troffen vervolgens [medeverdachte 2]. Daarna kwam getuige [getuige 1] aanrijden. Door alle vier de verdachten werd hij vervolgens op agressieve en bedreigende wijze aangesproken over de gestolen scooter. Zij beschuldigden hem ervan meer te weten van de diefstal. De verdachte plaatste daarbij de revolver tegen het hoofd van [getuige 1], die uiteindelijk wist te ontkomen door weg te rijden. Hierop werd besloten om gezamenlijk in één auto, de rode Toyota Yaris van [medeverdachte 2], de zoektocht naar de scooterdief te vervolgen. Uit de berichten in de telefoon van [slachtoffer], die door [medeverdachte 3] werd uitgelezen, bleek hen dat [slachtoffer] wel degelijk betrokken was bij de scooterdiefstal en dat hij daarover contact had gehad met zijn vriend [getuige 5], bijgenaamd ‘[getuige 5]’, aan wie foto’s van de scooter waren verzonden. Via de telefoon van [slachtoffer] werd contact gezocht met [getuige 5] om te achterhalen waar laatstgenoemde zich bevond. [getuige 5], die zich op dat moment te Bonaire bevond en in de gaten kreeg dat [slachtoffer] niet degene was die hem deze berichten stuurde, antwoordde dat hij thuis was. De zoektocht zette zich daarna voort en besloten werd om naar [getuige 5] te gaan. [medeverdachte 2] bestuurde vanaf dat moment de auto en wist waar [getuige 5] woonde. Aangekomen bij het huis van [getuige 5] bleef [medeverdachte 2] in de auto wachten. De verdachte liet de moeder van [getuige 5] (getuige [getuige 4]), die inmiddels wakker was geworden, door haar geopende slaapkamerraam een foto van zijn scooter zien op de telefoon van [slachtoffer]. Hij zei haar dat zijn scooter was gestolen. Tevens werd tegen haar gezegd dat ze [getuige 5] nodig hadden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] waren ondertussen haar woning binnengegaan door een raam in te slaan. Zij gooiden de slaapkamerdeur van [getuige 5] met kracht open, maar [getuige 5] werd niet aangetroffen. Tegen diens broer [persoon 3] die zich wel thuis bevond, werd gezegd dat “zijn broer ten dode opgeschreven is”. Toen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] het huis weer verlieten, zei [medeverdachte 1] tegen de moeder van [getuige 5] dat “haar zoon [getuige 5] dood is”. [medeverdachte 1] hield op dat moment de revolver in zijn hand. Vervolgens werd besloten weer terug te keren naar het huis van [slachtoffer]. Daar aangekomen lokte [medeverdachte 2] [slachtoffer] naar buiten door een naam te roepen van iemand die [slachtoffer] goed kende. [slachtoffer] kwam naar buiten en rende bij het zien van de verdachten meteen terug naar zijn huis. De verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] stapten uit. Zij liepen in de richting van [slachtoffer] terwijl een van hen de mobiele telefoon van [slachtoffer] in de hand had. Zij begonnen met [slachtoffer] te discussiëren waarop [slachtoffer] zijn telefoon terugvroeg. Tijdens deze woordenwisseling trok een van de drie verdachten de revolver. [slachtoffer] rende weg. De drie verdachten renden achter hem aan. Er werd geschreeuwd “laten wij schieten”. Met de revolver is [slachtoffer] vervolgens éénmaal door zijn hoofd geschoten vlakbij de uitgang van zijn erf. De kogel werd van achteren door zijn nek geschoten. Daaraan overleed hij ter plaatse. De drie verdachten zijn teruggerend naar [medeverdachte 2], die hen weer in liet stappen en weg reed. De moeder van [slachtoffer] belde om 22:55 uur opnieuw de centrale meldkamer dat zojuist op haar zoon was geschoten.

Medeplegen

Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Dit is slechts dan het geval indien de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is (het Gerecht verwijst naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 2 december 2014 ECLI:NL:HR:2014:3474).

Blijkens voornoemde feiten en omstandigheden hebben de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bewust en nauw samengewerkt bij het doodschieten van het slachtoffer. Zij hebben gezamenlijk en welbewust een ongeveer drie uur durende gewelddadige klopjacht ingezet op de vermeende scooterdief. Gedurende deze klopjacht hebben zij geen enkel middel geschuwd. Verschillende personen, van wie zij meenden dat deze te maken hadden met de scooterdiefstal dan wel wetenschap hadden van de verblijfplaats van de dader, werden geïntimideerd, geslagen, bestolen, achtervolgd en/of bedreigd met een vuurwapen tegen het hoofd. Een woning werd met geweld binnengedrongen. Dit alles om de uiteindelijke dief van de scooter op te sporen. De revolver is daarbij steeds van hand tot hand (ook van de verdachte) gegaan. De zoektocht heeft uiteindelijk tot de conclusie geleid dat [slachtoffer] (een van) de dader(s) moest zijn. Toen dat duidelijk was, werd hij opnieuw opgezocht, vervolgens door de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] achtervolgd en gedurende deze achtervolging met één nekschot doodgeschoten. Nu vast is komen te staan dat voornoemde verdachten dit feit in nauwe en bewuste samenwerking hebben gepleegd, kan in het midden blijven wie van hen uiteindelijk het fatale schot met de revolver heeft gelost.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachten rade" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachten rade gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachten rade is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Gedurende een tijdspanne van ongeveer drie uur zijn de verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bezig geweest met de hiervoor beschreven gewelddadige klopjacht naar de scooterdief. Dat het hen te doen was om de dader zelf en niet zozeer om het terugvinden van de scooter blijkt uit het feit dat zij de gelegenheid die hen door de ouders van het latere slachtoffer werd geboden om een scooter te bekijken zonder aarzelen lieten passeren. Dat de dader het er niet levend vanaf zou brengen die avond volgt uit de uitlatingen die gedaan zijn tegenover getuige [getuige 4] en haar zoon [persoon 3], alsook uit het verschillende malen plaatsen van de revolver tegen de hoofden van - toen nog - mogelijke (andere) betrokkenen en het uiteindelijk afgevuurde nekschot, dat past bij een beoogde afrekening. Het Gerecht leidt uit de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden af dat voornoemde verdachten niet alleen met een vooropgezet plan naar de dief op zoek waren, maar tevens dat zij gedurende de vastgestelde tijdspanne voldoende de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van hun voorgenomen daad en dat zij zich daarvan rekenschap hebben kunnen geven. Van contra-indicaties is het Gerecht niet gebleken. Het Gerecht is derhalve van oordeel dat voornoemde verdachten aldus met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven hebben beroofd.

Alibi

Het door de verdachte opgegeven alibi dat hij op 20 mei 2015 de hele dag en avond bij zijn vriendin was, acht het Gerecht niet geloofwaardig, nu zijn verklaringen hierover bij de politie niet stroken met de verklaringen die zijn vriendin en zijn broer vervolgens hebben afgelegd bij de rechter-commissaris en de verklaringen van laatstgenoemden bovendien tegenstrijdig aan elkaar zijn. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting is bovendien weer van gedeeltelijk andere strekking dan zijn verklaringen bij de politie en lijkt afgestemd op de verklaringen van zijn vriendin en zijn broer bij de rechter-commissaris. Het opgegeven alibi schuift het Gerecht dan ook terzijde.

4C. Bewijsmiddeloverwegingen

Verklaringen getuige [benadeelde 1]

Het Gerecht is van oordeel dat de verklaringen van getuige [benadeelde 1] zich met het voortgaan van het onderzoek en het verstrijken van de tijd op zodanige wijze zijn gaan ontwikkelen dat deze zich, met uitzondering van de hierna te noemen verklaringen, niet lenen als bewijsmiddel in deze strafzaak. Het Gerecht bezigt daarom alleen de verklaringen van deze getuige van 21 en 24 mei 2015 tot het bewijs. Deze verklaringen acht het Gerecht betrouwbaar en geloofwaardig omdat zij vrijwel meteen respectievelijk 3 ½ dag na de fatale schietpartij zijn afgelegd, op elkaar aansluiten en steun vinden in zowel de verklaring van getuige [benadeelde 2] als in de gesprekken die de bewuste nacht door beide getuigen zijn gevoerd met de centrale meldkamer.

Verklaring medeverdachte [medeverdachte 1]

De verdediging heeft bepleit dat de reeks van verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] waarin hij de verdachte belast niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat hij ten tijde van het afleggen van deze verklaringen reeds kennis had van de inhoud van het dossier. Er zat voor [medeverdachte 1] niets anders op toen hij werd aangehouden dan zijn eigen aanwezigheid te [locatie 1] te verklaren door de verdachte en andere medeverdachten te belasten, aldus nog steeds de raadsvrouw.

Het Gerecht overweegt als volgt. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft - na aanvankelijk ontkend te hebben - een reeks van verklaringen afgelegd ten overstaan van de politie en de officier van justitie, waarin hij heeft bekend van begin tot eind aanwezig en betrokken te zijn geweest bij de zoektocht naar de scooterdief. Met deze verklaringen heeft hij de verdachte in grote mate belast en zichzelf de rol toebedeeld van de ondergeschikte, met een vuurwapen bedreigde, vierde man die niet anders kon dan zijn medewerking aan de verdachte en diens medeverdachten verlenen bij het zoeken naar de dief door tweemaal een woning aan te wijzen.

Voor wat betreft het beoordelen van de betrouwbaarheid van deze verklaringen maakt het Gerecht onderscheid tussen enerzijds het gedeelte van [medeverdachte 1]’s verklaringen dat ziet op de gevolgde route en de ingezette methoden bij het vinden van de dief en anderzijds het gedeelte van zijn verklaringen dat ziet op zijn eigen rol daarbij.

a. de route en de gehanteerde methoden

De verklaringen van [medeverdachte 1] vinden steun in de verklaringen van de getuigen [benadeelde 1], [benadeelde 2], [getuige 4], [getuige 2] en [getuige 1] daar waar het betreft:
a. de bezochte plaatsen, te weten: het erf van getuige [getuige 1], de snack van [slachtoffer], voor de eerste maal het huis van [slachtoffer], het huis van verdachte [medeverdachte 2], het huis van getuige [getuige 4] en voor de tweede maal het huis van [slachtoffer]; en

b. de aangesproken (mogelijk) betrokkenen bij de scooterdiefstal en de daarbij gehanteerde middelen/methoden, te weten: het betreden van en zoeken op het erf van getuige [getuige 1], het vechten en met een vuurwapen bedreigen van [slachtoffer] en het afnemen van diens telefoon, de woordenwisseling met de ouders van [slachtoffer], het belagen van en bedreigen met een vuurwapen van de getuige [getuige 1], het binnentreden van de woning van getuige [getuige 4] middels het verbreken van een raam, het bevragen van getuige [getuige 4] bij haar slaapkamerraam terwijl haar foto’s worden getoond op een telefoon, het naar buiten lokken van [slachtoffer] en het vervolgens achtervolgen en neerschieten van [slachtoffer].

De verklaringen van [medeverdachte 1] acht het Gerecht daarom - in zoverre - betrouwbaar en geloofwaardig. Er zijn geen aanwijzingen die de stelling van de raadsvrouw ondersteunen dat [medeverdachte 1] ten tijde van zijn verhoren beschikte over uitgebreide dossierkennis op al deze punten. Voorts blijkt niet uit de verschillende processen-verbaal van verhoor dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan dan wel tijdens zijn verhoren door politie en/of justitie tot in detail in kennis is gesteld van onderzoeksresultaten. Het openbaar ministerie heeft dit laatste ter terechtzitting ook gemotiveerd weersproken.

Het Gerecht acht de verklaringen van [medeverdachte 1] eveneens betrouwbaar en geloofwaardig daar waar zijn verklaringen de verdachte belasten. Immers, de betrokkenheid van de verdachte volgt niet alleen maar uit de verklaringen van [medeverdachte 1]. Zijn betrokkenheid volgt eveneens uit de verklaringen van getuige [getuige 1] en de uitlatingen van diens vader tegenover een verbalisant. Tenslotte geldt dat de verdachte geen geloofwaardig alibi heeft.

De verklaringen van [medeverdachte 1] worden in zoverre dan ook gebezigd tot het bewijs.

de rol van [medeverdachte 1]

Het gedeelte van de verklaringen van [medeverdachte 1] echter, waarin hij zichzelf positioneert als de ondergeschikte vierde man die door de verdachte en zijn medeverdachten gedurende de zoektocht bedreigd werd met een vuurwapen zodat hij niet anders kon dan uiteindelijk twee huizen aanwijzen, acht het Gerecht ongeloofwaardig en onbetrouwbaar. Dit deel van zijn verklaringen is immers lijnrecht in strijd met:

  • -

    i) de melding van de vader van getuige [getuige 1] aan een verbalisant dat drie mannen op zijn erf waren, op zoek naar zijn zoon;

  • -

    ii) de verklaring van getuige [getuige 1] dat [medeverdachte 1] hem op dezelfde agressieve en intimiderende wijze als de medeverdachten benaderde over de gestolen scooter en op geen enkele wijze ondergeschikt aan hen was;

  • -

    iii) de verklaring van getuige [getuige 4] dat [medeverdachte 1] degene was die met een vuurwapen haar woning is binnengedrongen, een slaapkamer heeft doorzocht en haar zoon [getuige 5] met de dood heeft bedreigd;

  • -

    iv) de verklaringen van de getuige [benadeelde 1] dat de drie mannen die eerder met [slachtoffer] hebben gevochten bij de snack en met wie zij heeft gesproken bij haar woning terwijl zij [slachtoffer] betichtten van een scooterdiefstal, dezelfde drie mannen waren die even later bij haar woning terugkwamen voor [slachtoffer] en die hem daarna achtervolgden terwijl er op hem werd geschoten.

Uit voornoemde getuigenverklaringen volgt dat [medeverdachte 1] op geen enkele wijze een kleinere rol heeft gespeeld dan zijn medeverdachten. Van enige bedreiging van [medeverdachte 1] of ondergeschiktheid van [medeverdachte 1] ten opzichte van zijn medeverdachten blijkt geenszins uit deze verklaringen. Integendeel, uit deze verklaringen volgt dat [medeverdachte 1] een aan de medeverdachten gelijkwaardige rol heeft gespeeld die nacht. De enige getuigen die (een vorm van) bedreiging van [medeverdachte 1] door de medeverdachten bevestigen zijn familieleden van [medeverdachte 1] die, in tegenstelling tot voornoemde opgesomde getuigen, geen getuige zijn geweest van de schietpartij noch de daaraan voorafgegane klopjacht. Het Gerecht kan daaraan dan ook geen waarde hechten.

Gelet op het voorgaande kan het dan ook niet anders zijn dan dat [medeverdachte 1] met dit gedeelte van zijn verklaringen slechts heeft gepoogd zichzelf een geheel andere rol toe te bedelen dan die hij in werkelijkheid heeft gespeeld. Het Gerecht schuift dit gedeelte van zijn verklaringen dan ook als ongeloofwaardig terzijde.

4D. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 (impliciet primair) en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Feit 1 (impliciet primair):

dat hij op of omstreeks 20 mei 2015, te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] bij zijn woning en/of erf opgezocht en/of achtervolgd en/of een (vuist) vuurwapen gericht op en/of in die richting (van het lichaam) van die [slachtoffer] en/of (vervolgens) een of meerdere malen geschoten op die [slachtoffer], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (als gevolg van een schotverwonding in het hoofd) is overleden.;

Feit 2:

dat hij op of omstreeks 20 mei 2015, in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer vuurwapen(s), in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad, te weten een revolver kaliber .38 special met bijbehorende munitie, te weten één patroon of meer patronen van het kaliber .38 special.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1: (impliciet primair):

medeplegen van moord;

Feit 2:

medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de meest ernstige vorm van eigenrichting. Immers heeft hij samen met zijn medeverdachten op gewelddadige wijze het leven genomen van iemand die zij verantwoordelijk hielden voor de diefstal van een scooter. Zij hebben daartoe welbewust een klopjacht ingezet op het slachtoffer, waarbij zij geen enkel middel hebben geschuwd en personen, van wie zij meenden dat deze te maken hadden met de scooterdiefstal dan wel wetenschap hadden van de verblijfplaats van de dader geïntimideerd, geslagen, bestolen, achtervolgd en bedreigd met een vuurwapen. Een woning werd gewelddadig binnengedrongen. Nadat de verdachte en zijn medeverdachten hadden vastgesteld dat het slachtoffer (een van de) dader(s) moest zijn van de diefstal - een mogelijke mededader troffen zij na binnendringen in diens huis niet aan - zijn zij teruggekeerd naar de woning van het slachtoffer. Dat het slachtoffer en diens ouders zich angstig hebben gevoeld blijkt evident uit de telefoongesprekken die de ouders van het slachtoffer hebben gevoerd vlak voor en tijdens de schietpartij met de centrale meldkamer. Hulp van de gealarmeerde politie kwam niet op tijd. Het slachtoffer is door de verdachte en zijn medeverdachten achtervolgd en uiteindelijk met één gericht nekschot doodgeschoten, als gevolg waarvan hij vrijwel direct is overleden. Dit afschuwelijke feit heeft de rechtsorde ernstig geschokt. Deze vorm van eigenrichting is absoluut onacceptabel in een beschaafde samenleving en een rechtsstaat zoals deze. Daarnaast is aan de nabestaanden en andere naasten van het slachtoffer een verschrikkelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen het verlies van hun zoon en vriend die slechts 22 jaar was en nog een heel leven voor zich had, elke dag moeten dragen.

Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan en is op grond van de aard en de ernst daarvan van oordeel dat slechts een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

Bij het vaststellen van de duur van de op te leggen straf houdt het Gerecht rekening met het feit dat de onderhavige moord de meest ernstige vorm van eigenrichting betreft. Voorts neemt het Gerecht in aanmerking dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven. Hij heeft, gelet op zijn proceshouding, geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daad genomen, laat staan berouw getoond. In strafverzwarende zin weegt het Gerecht voorts mee dat de verdachte eerder voor een geweldsdelict en overtreding van de Vuurwapenverordening is veroordeeld. Daartegenover staat echter in strafverminderende zin dat het Gerecht de verdachte op grond van de over hem uitgebrachte rapporten van de psycholoog en de psychiater en mede gelet op de indruk die de verdachte ter terechtzitting heeft gemaakt redenen ziet om hem enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Tenslotte heeft het Gerecht kennis genomen van de over de verdachte opgemaakte rapporten van de U.O. Reclassering Curaçao.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

8 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen, [benadeelde 1] en [benadeelde 2], hebben gezamenlijk een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de schade die zij als gevolg van het onder feit 1 tenlastegelegde zouden hebben geleden. Zij vorderen een schadevergoeding van NAf 5.048,57 aan materiële schade, bestaande uit begrafeniskosten.

De gevorderde materiële schade van de benadeelde partijen bestaat uit de kosten van lijkbezorging. Deze kosten komen op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit onder 1 en de verdachte is daarvoor aansprakelijk. Het Gerecht acht vergoeding van het gevorderde bedrag redelijk en billijk. Deze vordering zal derhalve, hoofdelijk, worden toegewezen.

Het Gerecht ziet voorts aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel van artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:62, 1:123, 1:136, 1:224, 2:262 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1 (impliciet primair) en feit 2 tenlastegelegde zoals in rubriek 4D omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van

16 (zestien) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geleden schade tot een bedrag van NAf 5.048,57 (zegge: vijfduizend achtenveertig gulden en zevenenvijftig cent), tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachte(n) is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van

NAf 5.048,57, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover voornoemd bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de mededaders aan de benadeelde partij en/of het Land is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land en dat betalingen aan het Land in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 26 augustus 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het onderzoek “Scooter”, gesloten en ondertekend op 19 april 2016.