Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:172

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
18-11-2016
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
Lar: 2016/80903 en -04
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De brief van 18 augustus 2015, waarbij verweerder aan eiseres heeft bericht dat het aankomende referendum bij Aqualectra Distribution het gehele personeel zal betreffen, met dien verstande dat het personeel wordt beschouwd als één categorie van werknemers welke voor deelname aan het referendum in aanmerking komen, is een appellabele beschikking.

De schriftelijk aan betrokkenen medegedeelde constatering van verweerder dat deze of gene aan een bij het Arbeidsvredebesluit III (Avb) gesteld vereiste heeft voldaan, is niet gericht op het in het leven roepen van enig rechtsgevolg, net zo min als de brief waarbij de uitslag van het referendum aan hen is meegedeeld. De brief van 21 augustus 2015 is dan ook geen beschikking waartegen beroep openstaat bij het Gerecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar)

Uitspraak: 18 november 2016

Zaaknrs. Lar: 2016/80903 en -04

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

Uitspraak

In het geding tussen:

de vereniging Sindikato di Empleadonan den Utilidat (SEU),

gevestigd in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. D.I.E.I. Lichtenberg, advocaat,

en

de Landsbemiddelaar,

verweerder,

gemachtigde: mr. I. Narain, advocaat,

met als derde-belanghebbende:

Kompania di Distribushon di Awa i Elektrisidat di Korsou (Kodela) N.V. (Aqualectra Distribution),

gevestigd in Curaçao,

gemachtigde: mr. L.N. Asjes, advocaat.

Procesverloop

Bij brief van 18 augustus 2015 heeft verweerder aan eiseres bericht dat het aankomende referendum bij Aqualectra Distribution het gehele personeel zal betreffen, met dien verstande dat het personeel wordt beschouwd als één categorie van werknemers welke voor deelname aan het referendum in aanmerking komen.

Bij brief van 21 augustus 2015 heeft verweerder aan eiseres bericht dat zij en STKo de vakbonden zijn die gerechtigd zijn deel te nemen aan het op 4 september 2015 te houden referendum onder het personeel van Aqualectra Distribution.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 4 november 2016, ingediend bij het Gerecht op 7 november 2016, beroep ingesteld met het verzoek om versnelde behandeling daarvan. Op diezelfde dag heeft zij een verzoek om schorsing bij het Gerecht ingediend (het schorsingsverzoek).

Partijen hebben op 14 november 2016 (nadere) stukken ingediend.

De behandeling van het schorsingsverzoek en het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 15 november 2016 plaatsgevonden. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door de bestuursleden F. d’Abreu de Poulo en D. Josepa. Verweerder was daar aanwezig in de persoon van A. Obispo, bijgestaan door zijn gemachtigde, en vergezeld door J. Legito, werkzaam bij het bureau van verweerder. Voor Aqualectra Distribution was daar aanwezig haar gemachtigde, vergezeld door C. Belfort en R. Maduro, beiden werkzaam bij haar.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 14 van de Arbeidsgeschillenlandsverordening 1946 (de Alv) kan verweerder op verzoek van werkgevers en werknemers dezen bijstaan bij het treffen van overeenkomsten, welke de arbeidsvrede kunnen bevorderen.

Op grond van artikel 14a, eerste lid, kan de bemiddelaar op verzoek van de werkgever of van het bestuur van een vakvereniging van werknemers (vvw) een referendum onder één of meerder door hem te bepalen categorieën van werknemers in een bedrijf houden teneinde vast te stellen welke vvw’s door de meerderheid van die werknemers wordt aangewezen om hen bij de behartiging van hun arbeidsaangelegen-heden te vertegenwoordigen. Aan het referendum kunnen slechts deelnemen vvw’s, die ten genoege van verweerder stukken hebben overgelegd waaruit blijkt dat de meerderheid van de desbetreffende categorie of categorieën van werknemers lid van die vereniging is. Op grond van het derde lid deelt verweerder de werkgever en de desbetreffende vvw’s de uitslag van het referendum zo spoedig mogelijk schriftelijk mede. Op grond van het vierde lid is de werkgever verplicht, omtrent het aangaan van een collectieve arbeidsovereenkomst (cao) te onderhandelen met het bestuur van de vvw die bij het referendum door de meerderheid van de werknemers werd aangewezen om hen bij de behartiging van hun arbeidsaangelegenheden te vertegenwoordigen.

Op grond van artikel 21 worden bij landsbesluit houdende algemene maatregelen nadere voorschriften gegeven.

Op grond van artikel 2, derde lid, van het Arbeidsvredebesluit III (het Avb, waarbij uitvoering is gegeven aan artikel 21 van de Alv) deelt verweerder de werkgever en de in het eerste lid bedoelde vvw’s zo spoedig mogelijk mee de door hem bepaalde categorie of categorieën werknemers welke voor deelname aan het referendum in aanmerking komen. Op grond van het vierde lid legt een vvw als bedoeld in het eerste lid uiterlijk binnen zeven dagen na de in het derde lid bedoeld mededeling, teneinde voor deelname aan het referendum in aanmerking te komen, aan verweerder stukken over waaruit ten genoege van verweerder blijkt dat de meerderheid van de desbetreffende categorie of categorieën werknemers lid van die vakvereniging is.

Op grond van artikel 3, eerste lid aanhef, deelt verweerder, indien één of meer vvw’s naar zijn oordeel aan het bepaalde in artikel 2, vierde lid, hebben voldaan, binnen 48 uren, de op een zaterdag, zondag of wettelijk erkende feestdag vallende uren niet meegerekend, na afloop van de in artikel 2, vierde lid, genoemde periode aan de betrokken werkgever en die vvw’s schriftelijk mede:

a. (…);

b. de vvw’s, die bevoegd zijn aan het referendum deel te nemen; en

c. de namen en functie van de werknemers, die bevoegd zijn aan de stemming deel te nemen.

Op grond van het derde lid doet verweerder de inhoud van de in het eerste lid bedoelde mededeling binnen drie maal 24 uur bekend maken in alle plaatselijk dagbladen. Op grond van het vierde lid is werkgever verplicht de in het eerste lid bedoelde mededeling dan wel een afschrift daarvan onverwijld zodanig te doen ophangen op een voor de werknemer gemakkelijk toegankelijke plaats, zo mogelijk in het arbeidslokaal, dat zij duidelijk leesbaar is.

Op grond van artikel 4 zendt verweerder gelijktijdig met de in artikel 3, eerste lid, bedoelde mededeling oproepingsbrieven aan de in artikel 3, eerste lid, onder c, bedoelde werknemers.

2. Op 3 maart 2016 heeft Aqualectra Distribution met STKo een cao afgesloten voor al het bij haar werkzame personeel. STKo was de bij het referendum van 4 september 2015 (het referendum) door de meerderheid van het personeel aangewezen vvw waarmee Aqualectra Distribution op grond van artikel 14, vierde lid, van de Alv verplicht was daarover te onderhandelen.

Eiseres betwist thans in het kader van deze procedure de rechtsgeldigheid het referendum en beoogt daarmee (uiteindelijk) te bereiken dat de vermelde cao voor zover die betrekking heeft op de stafleden onder het personeel, werking wordt ontzegd, omdat zij als gevolg van het referendum ten onrechte niet voor de stafleden heeft kunnen onderhandelen, waarvoor zij bij de voorgaande cao wél de aangewezen vvw was. Volgens haar heeft verweerder bij de beslissing tot het houden van het referendum ten onrechte aangenomen dat de meerderheid van de werknemers van Aqualectra Distribution lid van haar is, zodat hij op onjuiste gronden tot het oordeel is gekomen dat zij voldeed aan het bepaalde bij artikel 2, vierde lid, van het Avb. Volgens eiseres, zo begrijpt het Gerecht haar, zou bij een juist oordeel van verweerder over de toepassing van die bepaling, de noodzaak voor een referendum zijn vervallen en had dat dus niet gehouden moeten worden. Dan zou zij hebben kunnen blijven optreden als vertegenwoordiger van de stafleden bij de cao-onderhandelingen.

3. Aqualectra Distribution heeft als verweer aangevoerd dat het Gerecht niet bevoegd is te oordelen over het beroep (en dus evenmin over het schorsingsverzoek), omdat de brief waartegen dat gericht is geen beschikking is in de zin van de Lar.

3.1

Het Gerecht wijst allereerst op de uitspraak van het Hof Lar van 15 december 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:94, waaruit valt af te leiden dat een brief van verweerder, waarbij hij betrokkenen in kennis stelt van zijn beslissing op grond van artikel 2, derde lid, van het Avb over de door hem bepaalde categorie of categorieën werknemers welke voor deelname aan een referendum in aanmerking komen op het in het leven roepen van enig rechtsgevolg is gericht en daarmee een beschikking is, waartegen beroep bij de Lar-rechter openstaat. Dat geldt volgens deze uitspraak niet voor een brief waarbij verweerder mededeling doet van de uitslag van een referendum.

3.2

Vervolgens is het Gerecht met Aqualectra Distribution van oordeel dat de brief van 21 augustus 2015 dat karakter ontbeert. Wanneer verweerder eenmaal de categorie(ën) van werknemers binnen het betrokken bedrijf heeft bepaald dat is in dit geval gebeurd bij beschikking van 18 augustus 2015 is de daarop volgende procedure gebaseerd op de verstrekking door betrokkenen van feitelijke gegevens, waaraan het Avb gevolgen verbindt waarvan verweerder betrokkenen in kennis stelt. De schriftelijk aan betrokkenen medegedeelde constatering van verweerder dat deze of gene aan een bij het Avb gesteld vereiste heeft voldaan, is net zomin gericht op het in het leven roepen van enig rechtsgevolg als de brief waarbij de uitslag van het referendum aan hen is meegedeeld. De brief van 21 augustus 2015 is dan ook geen beschikking waartegen beroep openstaat bij het Gerecht.

3.3

Niettemin acht het Gerecht zich bevoegd kennis te nemen van het beroep (en het schorsingsverzoek), omdat het beroep redelijkerwijs geacht moet worden mede te zijn gericht tegen de dus wél als beschikking aan te merken brief van 18 augustus 2015. Overigens ligt in die brief ook besloten dat verweerder een referendum aangewezen achtte.

4. Verweerder en Aqualectra Distribution voeren met succes het verweer dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het buiten de beroepstermijn is ingediend, terwijl eiseres niet heeft aangetoond dat de termijnoverschrijding het gevolg is geweest van niet aan haar toe te rekenen bijzondere omstandigheden.

4.1

Eiseres heeft uitdrukkelijk erkend dat zij de brief van 18 augustus 2015 heeft ontvangen, zodat de beroepstermijn de dag daarna is gaan lopen en eindigde op 30 september 2015. Het beroepschrift is meer dan een jaar na afloop van die dag bij het Gerecht binnengekomen.

4.2

Bij hetgeen eiseres heeft aangevoerd als verontschuldiging voor de termijnoverschrijding, ziet zij eraan voorbij dat daarvoor niet relevant is welke feiten/aannames aan de beschikking ten grondslag liggen. Waar het om gaat is of zij bekend kon worden verondersteld met het rechtsgevolg dat die beschikking deed intreden en of zij moest weten dat, indien zij niet gebonden wilde worden aan dat rechtsgevolg, zij daartegen binnen een welbepaalde termijn beroep diende in te stellen.

De stellingen van eiseres over het pas later ontdekken van de onjuistheid van feitelijke aannames die verweerder aan zijn beslissingen in zake het referendum ten grondslag zou hebben gelegd, kunnen hier derhalve, wat daar verder ook van zij, niet tot het door haar beoogde oordeel leiden.

Nu eiseres verder niets ter verontschuldiging van de overschrijding van de beroepstermijn heeft aangevoerd, is er geen grond voor toepassing van artikel 16, derde lid, van de Lar.

Hetzelfde zou overigens gelden als de brief van 21 augustus 2015 wél als beroepbare beschikking zou zijn aan te merken. Daartoe overweegt het Gerecht nog dat uit de door verweerder overgelegde e-mail van die datum genoegzaam blijkt dat die brief daarbij aan eiseres is verzonden. Ter zitting heeft eiseres ook erkend dat het daarbij gebruikte e‑mailadres juist is.

5. De slotsom is dat het beroep van eiseres wegens termijnoverschrijding niet‑ontvankelijk moet worden verklaard. Het schorsingsverzoek deelt in dat lot.

6. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep en het schorsingsverzoek niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 18 november 2016 te Curaçao, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de Lar.