Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:158

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
29-07-2016
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. 72110 en 72324 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het ABP-pensioen kwalificeert ingevolge artikel 6 van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 in verbinding met artikel 2 van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976, als inkomsten uit vroegere arbeid en dient daarom in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken. Het recht inkomstenbelasting te heffen over het ABP-pensioen komt ingevolge artikel 17 van de BRK toe aan Nederland. Dit laat onverlet dat Curaçao de ABP-pensioen in de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting kan begrijpen. Om dubbele belasting te voorkomen moet van de zijde van Curaçao een tegemoetkoming (belastingvermindering) worden verleend. De wijze van tegemoetkoming wordt geregeld in artikel 24, eerste lid, van de BRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 juli 2016

BBZ nrs. 72110 en 72324 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, wonende te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 1 augustus 2014 en 8 augustus 2014 aanslagen in de inkomstenbelasting (IB) en premie AVBZ voor het jaar 2010 opgelegd. Gelijktijdig met de aanslag in de inkomstenbelasting is een verzuimboete van Naf. 250 opgelegd.

1.2

Belanghebbende is tijdig op 20 augustus 2014 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen. Bij uitspraken op bezwaar van 2 januari 2015 heeft de Inspecteur de aanslagen verminderd. De boete is gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar op 26 januari 2015 (AVBZ) en 6 februari 2015 (IB) in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 17 juni 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A en belanghebbende samen met zijn gemachtigde B. Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaken.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken.

2.2

Belanghebbende (geboren op 16 januari 1950) is ingezetene van Curaçao en heeft in het onderhavige jaar uit Nederland een pensioenuitkering ten bedrage van Euro 28.500 (Naf. 67.346) van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) genoten. Dit pensioen houdt verband met de vroegere dienstbetrekking van belanghebbende als militair bij het Nederlandse Ministerie van Defensie. Door ABP is voor een bedrag van Naf. 1.390 aan loonheffing ingehouden. Belanghebbende heeft in het onderhavige jaar ook een uitkering van de SVB Curaçao genoten ten bedrage van Naf. 6.576.

2.3

Belanghebbende heeft in de bezwaarfase een aangiftebiljet ingediend. Daarin zijn de in 2.2 vermelde inkomsten aangegeven. In zijn bezwaarschrift en het aangiftebiljet heeft hij vermeld dat het genoten ABP pensioen vrijgesteld is.

2.4

De Inspecteur heeft voor het onderhavige jaar het belastbaar/premie inkomen vastgesteld op Naf. 97.276. Naar aanleiding van het bezwaar is het belastbaar/premie inkomen verminderd tot op Naf. 73.474. In de uitspraken op bezwaar is vermeld dat volledig aan de bezwaren is tegemoet gekomen. De aanslagen zijn vastgesteld op

Naf. 1.176 (IB) en Naf. 1.132 (AVBZ)

2.5

Het belastbaar/premie inkomen is door de Inspecteur als volgt vastgesteld:

Inkomen Naf. 73.921 (Naf. 6.576 (SVB) +/+ Naf. 67.346 (ABP))

Persoonlijke last Naf. 448

Belastbaar inkomen Naf. 73.473

2.6

Bij het vaststellen van de verschuldigde belasting heeft de Inspecteur voorkoming van dubbele belasting toegepast op basis van artikel 17 in verbinding met artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK). De verschuldigde belasting is als volgt berekend:

Belasting over het inkomen Naf. 16.798

Basiskorting Naf. 2.708 -/-

Naf. 14.090

Belastingreductie (Naf.67.346/Naf.73.474) x 14.090 = Naf.12.914

Verschuldigde belasting: Naf. 14.090 minus Naf. 12.914 = Naf. 1.175

2.6

De verschuldigde premie AVBZ is door de Inspecteur op basis van een premie-inkomen van Naf. 73.474 vastgesteld op Naf. 1.132.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de aanslagen naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. De verzuimboete is niet in geschil.

3.2

Belanghebbende voert – samengevat – aan dat hij inkomstenbelasting noch premies in Curaçao verschuldigd is over zijn ABP pensioen omdat hij in Nederland (het bronland) reeds belasting en premies volksverzekering over zijn ABP pensioen heeft betaald. Voorts voert hij aan dat de uitspraken op bezwaar niet gemotiveerd zijn en innerlijk tegenstrijdig zijn en daarom moeten worden vernietigd. Uit de uitspraken op bezwaar wordt immers niet duidelijk hoe de verschuldigde belasting en premies zijn berekend. Bovendien wordt in de uitspraak op bezwaar vermeld dat volledig aan de bezwaren wordt tegemoetgekomen terwijl de volledige kwijting van belasting en premies zoals door belanghebbende is verzocht, achterwege blijft.

3.3

De Inspecteur voert aan dat er geen gronden zijn om de aanslagen te vernietigen en dat de aanslagen tot op de juiste bedragen zijn vastgesteld.

3.4

Voor de overige standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Gerecht naar de gedingstukken.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Ten aanzien van de aanslag in de inkomstenbelasting oordeelt het Gerecht als volgt. Op grond van artikel 1 in verbinding met artikel 3 van de Landsverordening op de Inkomstenbelasting 1943 (LvIB) worden natuurlijke personen, die in Curaçao wonen, belast voor hun totale wereldinkomen. Het is daarbij niet van belang, waar ter wereld dat inkomen is verkregen. Het ABP-pensioen kwalificeert ingevolge artikel 6 van de LvIB in verbinding met artikel 2 van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 (LvLB), als inkomsten uit vroegere arbeid van belanghebbende en dient daarom in de heffing van inkomstenbelasting te worden betrokken.

4.2

In het onderhavige geval is het ABP-pensioen ook in Nederland belast zodat een situatie ontstaat van dubbele belasting. De Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) bevat regels voor de voorkoming van dubbele belasting. Het recht inkomstenbelasting te heffen over het ABP-pensioen komt ingevolge artikel 17 van de BRK toe aan Nederland. Dit laat onverlet dat Curaçao de ABP-pensioen in de heffingsgrondslag van de inkomstenbelasting (zie hiervoor) kan begrijpen. Om dubbele belasting te voorkomen moet van de zijde van Curaçao een tegemoetkoming (belastingvermindering) worden verleend. De wijze van tegemoetkoming wordt geregeld in artikel 24, eerste lid, van de BRK. Deze bepaling luidt als volgt:

“1. Het land van inwoning kan in het inkomen of vermogen begrijpen de bestanddelen welke ingevolge de voorgaande artikelen van deze afdeling mogen worden belast in een van de andere landen met dien verstande, dat op de berekende belasting een vermindering wordt toegepast welke gelijk is aan het bedrag dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het totaal van de bestanddelen, welke in laatstbedoeld land – anders dan uitsluitend ingevolge artikel 11, tweede en derde lid, artikel 12, tweede lid, en artikel 13, tweede lid – mogen worden belast, staat tot het totale belastbare inkomen of vermogen. Artikel 23 wordt daarbij in aanmerking genomen.”

4.3

Op grond van artikel 24, eerste lid, van de BRK verleent Curaçao op de over het totale wereldinkomen berekende belasting een vermindering voor het ABP-pensioen die gelijk is aan het bedrag, dat tot die belasting in dezelfde verhouding staat als het ABP-pensioen staat tot het totale wereldinkomen (het belastbare inkomen). De BRK verplicht Curaçao niet een verdergaande vermindering te verlenen dan in artikel 24, eerste lid, van de BRK is voorgeschreven.

4.4

De Inspecteur heeft de aanslag op de juiste wijze volgens de in artikel 24, eerste lid, van de BRK neergelegde systematiek berekend (zie 2.6) en de vermindering becijferd op Naf. 12.914. Nu over de hoogte van de door de Inspecteur gehanteerde bedragen geen geschil bestaat, is de conclusie dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

4.5

Met betrekking tot de aanslag premie AVBZ oordeelt het Gerecht als volgt. Het staat vast dat belanghebbende ingezetene is van Curaçao. Hieruit volgt dat, nu gesteld noch gebleken is dat het Landsbesluit houdende algemene maatregelen, van de 27ste december 2001 ter uitvoering van artikel 4, tweede lid van de Landsverordening AVBZ (Besluit beperking kring verzekerden) op hem van toepassing is, hij tot de kring van verzekerden voor de AVBZ behoort en premieplichtig is in Curaçao (artikel 4 in verbinding met artikel 22 van de Landsverordening algemene verzekering bijzondere ziektekosten (Lv AVBZ)). Zoals de Inspecteur terecht heeft aangevoerd blijft de heffing van AVBZ niet achterwege in het geval belanghebbende over het ABP pensioen in Nederland reeds premies volksverzekeringen heeft betaald. Anders dan belanghebbende kennelijk meent houdt de verwijzing in artikel 22 Lv AVBZ naar artikel 41B van de LvIB niet in dat een aanslag AVBZ achterwege moet blijven. Het door het ABP ingehouden bedrag aan loonheffing is immers geen voorheffing als bedoeld in artikel 41B van de LvIB. Nu over de hoogte van de door de Inspecteur gehanteerde bedragen geen geschil bestaat, is de conclusie dat de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld.

4.6

Het Gerecht volgt belanghebbende in zijn betoog dat de uitspraken op bezwaar onduidelijk zijn en niet (voldoende) zijn gemotiveerd. De uitspraken op bezwaar in samenhang met de verminderingsaanslagen bieden immers onvoldoende inzicht in de gronden waarop de uitspraken berusten. Hoewel de uitspraken op bezwaar niet naar de eis der wet (artikel 30, vijfde lid van de Algemene landsverordening Landsverordening) zijn gemotiveerd, kan dit niet leiden tot vernietiging van de aanslagen. Wel zou dit een reden kunnen zijn om de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als de gerechtelijke procedure bij een behoorlijke motivering van de uitspraak vermeden had kunnen worden. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is zodat de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten achterwege moet blijven.

4.7

Voor zover belanghebbende in dit geschil een beroep doet op het verbod van willekeur of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur faalt dit bij gebrek aan feitelijke grondslag.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

5.1

Het Gerecht acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

5.2

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

6 BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.J Noordhuizen en mr. D.J. Jansen, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).