Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:152

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
BBZ nr. 71130 van 2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding beroepsfase: Met ingang van het jaar 2016 is in artikel 15 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken de wettelijke grondslag voor de kostenvergoeding in de beroepsfase geregeld. Volgens het overgangsrecht heeft belanghebbende recht op toepassing van het voor hem gunstiger recht. Het Gerecht is gelet op het vorenstaande bevoegd om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van beroep. Voor de bepaling van de hoogte van de proceskosten wordt aangesloten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 juni 2016

BBZ nr. 71130 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

Na vereenvoudigde behandeling van het beroep in de zin van artikel 7a van de

Landsverordening op het beroep in Belastingzaken in het geding tussen:

X N.V., gevestigd in Curaçao,

Belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

De Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 28 februari 2014 voor het jaar 2012 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd.

1.2

Belanghebbende is op 11 maart 2014 tijdig hiertegen in bezwaar gekomen.

1.3

De Inspecteur heeft op 19 september 2014 uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is op 18 november 2014 tijdig in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar.

1.5

Abusievelijk zijn partijen opgeroepen tot het bijwonen van een reguliere zitting. Ter zitting is aan partijen medegedeeld dat door de griffie per ongeluk een verkeerde oproeping is verstuurd en dat partijen overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd zijn tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 14 april 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A. Belanghebbende is met bericht van verhindering niet verschenen.

1.6

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven (e-mailbericht van 24 mei 2016 en 25 mei 2016) om de mondelinge behandeling van de zaak achterwege te laten.

2 BEOORDELING VAN HET BEROEP

2.1

Ingevolge artikel 7a, onderdeel b LBB kan het Gerecht onmiddellijk uitspraak doen indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is.

2.2.

De Inspecteur is in de beroepsfase tegemoet gekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft de aanslag vernietigd. Het beroep is in zoverre bij gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk.

2.3

Belanghebbende verzoekt om vergoeding van de proceskosten van de beroepsfase. Zij voert aan dat zij niet belastingplichtig is voor de omzetbelasting omdat zij ingevolge artikel 1, derde lid van de Landsverordening Omzetbelasting 1999 geen ondernemer is. Door het bezwaar te handhaven heeft de Inspecteur daarom uiterst onzorgvuldig gehandeld. Zij is hierdoor gedwongen om in beroep te gaan en daarbij een deskundige in te schakelen hetgeen Naf.1.575 heeft gekost. Zij bepleit een kostenvergoeding ter grootte van dit bedrag.

2.4

Met ingang van het jaar 2016 is in de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) de wettelijke grondslag voor de kostenvergoeding in beroepsfase in artikel 15 LBB geregeld. Volgens het overgangsrecht heeft belanghebbende recht op toepassing van het voor hem gunstiger recht. Het Gerecht is gelet op het vorenstaande bevoegd om de Inspecteur te veroordelen in de kosten van beroep die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.5

Het Gerecht acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De regels over de kosten en de wijze van de berekening van de hoogte daarvan, zoals is bedoeld in het tweede lid van artikel 15 LBB, zijn echter nog niet vastgesteld. Het Gerecht zal de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken daarom zelf bepalen en zal hiervoor aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (hierna: Besluit). Ingevolge artikel 2, eerste lid, sub a van het Besluit en de daarbij behorende bijlage worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op forfaitaire wijze berekend. In bijzondere omstandigheden kan ingevolge het derde lid van artikel 2 van het Besluit worden afgeweken van de forfaitaire berekeningswijze. In het onderhavige geval zijn, anders dan door belanghebbende wordt gesteld, geen bijzondere omstandigheden aan te wijzen die moeten leiden tot afwijking van de forfaitaire berekeningswijze. Het Gerecht neemt hierbij het volgende in aanmerking.

2.6

Aan belanghebbende is een aangiftebiljet uitgereikt zodat zij ingevolge artikel 6, vierde lid van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) gehouden is aangifte te doen. De aangifteplicht is anders dan belanghebbende stelt, niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of belanghebbende belastingplichtig is. De Inspecteur stelt terecht dat de lichamen genoemd in artikel 1, derde lid van de Lv Omzetbelasting alleen voor zover zij op het buitenland gerichte activiteiten verrichten, geen ondernemer zijn. De Inspecteur beoordeelt aan de hand van de aangifte of aan deze voorwaarde wordt voldaan.

2.7

Het Gerecht stelt de proceskosten, op de voet van artikel 15 LBB in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, vast op Naf. 700 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van Naf. 700, een wegingsfactor van 1). Het Gerecht is van oordeel dat het gewicht van de zaak als gemiddeld moet worden gekwalificeerd en bepaalt de wegingsfactor op 1. Voor de toekenning van een hoger bedrag acht het Gerecht geen termen aanwezig.

3 DE BESLISSING

Het Gerecht:

-verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van de beroepsfase vastgesteld op

Naf. 700.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. W.C.E. Winfield en mr. P.A.H. Lemaire, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen partijen schriftelijk verzet doen bij het Gerecht in eerste aanleg (artikel 7b, lid 1 LBB).

De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt overeenkomstig art. 7b, lid 2 LBB twee maanden genomen vanaf de datum van toezending van de uitspraak aan partijen.

Is het Gerecht in eerste aanleg van oordeel dat het verzet gegrond is, dan vervalt deze uitspraak en wordt de zaak alsnog in behandeling genomen.