Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:144

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-10-2016
Datum publicatie
13-01-2017
Zaaknummer
BBZ nrs. CUR201500822 en CUR201500823
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende woont in Curaçao en geniet een deel van zijn inkomen vanuit Nederland. De in Nederland genoten inkomsten zijn voor de heffing toegewezen aan Nederland. Curaçao mag op basis van artikel 24 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) deze inkomsten ook in het belastbaar inkomen begrijpen, maar moet dan wel aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen.

In geschil is op welke wijze bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting in Curaçao rekening gehouden moet worden met de heffingskortingen. Tot het volledige bedrag of beperkt.

De uitleg van de term ‘berekende belasting’ van artikel 24 BRK brengt naar het oordeel van het Gerecht met zich dat in een situatie als onderhavige de aftrek van heffingskortingen beperkt wordt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 24 oktober 2016

BBZ nrs. CUR201500822 en CUR201500823

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X, woonachtig in Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 12 september 2014 aanslagen inkomstenbelasting en premie AVBZ opgelegd over het jaar 2012.

1.2

Belanghebbende is op 22 september 2014 tegen de aanslagen in bezwaar gekomen.

1.3

Belanghebbende is op 25 juni 2015 tijdig in beroep gekomen tegen het niet (tijdig) doen van uitspraak op bezwaar met betrekking tot bovenvermelde aanslagen.

1.4

Met dagtekening 9 oktober 2015 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslagen verminderd.

1.5

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 17 juni 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen mr. A en belanghebbende. Belanghebbende heeft een pleitnota ingediend. Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaken.

2 FEITEN

2.1

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.2

Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar en premie-inkomen van Naf. 195.781. Bij het opleggen van de aanslagen is de Inspecteur van de aangifte afgeweken en heeft zij het belastbaar en premie-inkomen vastgesteld op Naf. 199.805. In bezwaar heeft belanghebbende verzocht het belastbaar en premie-inkomen te verlagen naar Naf. 194.819. In de uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur het belastbaar en premie-inkomen overeenkomstig de aangifte verminderd tot Naf. 195.781. Inmiddels heeft de Inspecteur toegezegd het belastbaar en premie-inkomen te zullen verlagen tot Naf. 194.819. Van dit inkomen is een bedrag van Naf.136.066 voor heffing aan Nederland toegewezen.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Partijen zijn het erover eens geworden dat het te betalen bedrag aan premieheffing AVBZ Naf. 3.216 bedraagt. De Inspecteur heeft toegezegd de aanslag premieheffing overeenkomstig dat bedrag te verminderen. In zoverre is er geen geschil meer.

3.2

Voor wat betreft de inkomstenbelasting is in geschil op welke wijze bij de berekening van de verschuldigde belasting rekening gehouden moet worden met de heffingskortingen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingskortingen tot het volledige bedrag van Naf. 3.321 in mindering komen op de verschuldigde belasting. Dit leidt dan tot de volgende berekening (afgerond, bedragen in Naf.):

Belastbaar inkomen 194.819

Bedrag van de belasting 68.602

Aftrek ter voorkoming dubbele belasting

(136.066/194.819) x 68.602 47.913 -/-

Belasting 20.689

Heffingskortingen 3.321 -/-

Verschuldigde inkomstenbelasting 17.367

De Inspecteur is van mening dat de heffingskortingen deels niet in aanmerking genomen mogen worden omdat een deel van het inkomen ter heffing aan Nederland is toegewezen.

De berekening van de Inspecteur luidt als volgt (bedragen in Naf.):

Belastbaar inkomen 194.819

Bedrag van de belasting 68.602

Heffingskortingen 3.321 -/-

Belasting 65.281 Aftrek ter voorkoming dubbele belasting

(136.066/194.819) x 65.281 45.593 -/-

Verschuldigde inkomstenbelasting 19.688

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat de inkomsten van belanghebbende tot een bedrag van Naf.136.066 voor heffing zijn toegewezen aan Nederland. Op grond van artikel 24, lid 1 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK) mag Curaçao die inkomsten ook in het belastbaar inkomen begrijpen maar moet zij ter zake van die inkomsten wel aftrek ter voorkoming van dubbele belasting verlenen. Dat gebeurt door op de over het totale (wereld-) inkomen ‘berekende belasting’ een vermindering toe te passen op basis van de volgende formule: (inkomen belast in Nederland/wereldinkomen) vermenigvuldigd met de berekende belasting (vrijstellingsmethode).

4.2

Volgens de Inspecteur dient onder de ‘berekende belasting’ te worden verstaan de verschuldigde belasting in de zin van artikel 24A van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (LIB 1943), dat is de belasting nadat de heffingskortingen in mindering zijn gebracht. Vervolgens wordt op die belasting een belastingreductie toegepast. Dit heeft tot gevolg dat de heffingskortingen, door de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, per saldo maar deels effect sorteren. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat met het begrip ‘berekende belasting’ de verschuldigde belasting in de zin van artikel 24 LIB 1943, dat is de belasting die verschuldigd is vóórdat heffingskortingen in mindering zijn gebracht, wordt bedoeld. Daarop wordt volgens belanghebbende de belastingreductie toegepast en vervolgens wordt op die uitkomst het volledige bedrag van de heffingskortingen in mindering gebracht. Hij beroept zich daarbij op de tekst van artikel 24A, lid 1, LIB 1943. Die tekst luidt, voor zover van belang: ‘De verschuldigde belasting is de belasting berekend volgens artikel 24, eerste lid, minus de basiskorting, …alleenverdienertoeslag….’.

4.3

Het Gerecht verwerpt het standpunt van belanghebbende. In de BRK heeft men met de term ‘berekende belasting’ niet willen verwijzen naar de terminologie in artikel 24A LIB 1943, alleen al niet omdat de betreffende bepaling in de BRK reeds bestond vóórdat in 2001 het geldende artikel 24A LIB 1943 werd ingevoerd. Daar komt bij dat artikel 24A LIB 1943, in tegenstelling tot artikel 24 BRK, niet spreekt over ‘berekende belasting’ maar over ‘de belasting berekend volgens artikel 24’ hetgeen niet hetzelfde is. Het Gerecht is van oordeel dat de term ‘berekende belasting’ in artikel 24 BRK uitgelegd moet worden naar het spraakgebruik. In het spraakgebruik wordt naar het oordeel van het Gerecht onder de ‘berekende belasting’ verstaan de uiteindelijk verschuldigde belasting, dus na aftrek van de heffingskortingen (uiteraard voor toepassing van de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting). Het gevolg hiervan is dat in de situatie waarin niet alle inkomsten in Curaçao verworven zijn de aftrek van heffingskortingen beperkt wordt. Het Gerecht merkt daarbij op dat noch de LIB 1943 (anders dan de Nederlandse regeling van artikel 2.7, lid 1 van de Wet inkomstenbelasting 2001) noch de wetsgeschiedenis aanknopingspunten bieden voor een andere uitleg. Belanghebbende heeft een aantal voorbeelden genoemd waarin de “methode” van de Inspecteur onvoordelig uitpakt voor de belastingplichtige. Naar het oordeel van het Gerecht zijn die onvoordelige uitkomsten niet zozeer een gevolg van de wijze waarop de heffingskortingen worden behandeld maar vloeien zij voort uit toepassing van de vrijstellingsmethode. Indien namelijk heffingskortingen niet zouden bestaan dan zouden de door belanghebbende genoemde rekenvoorbeelden net zo onvoordelig uitpakken. Het gelijk is aan de Inspecteur.

4.4

Gelet op hetgeen is overwogen in 3.1 en 4.3 is het beroep met betrekking tot de aanslag premieheffing AVBZ gegrond en het beroep met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting ongegrond.

5 BESLISSING

Het Gerecht

  • -

    verklaart het beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep tegen de aanslag premieheffing AVBZ gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag premieheffing AVBZ;

  • -

    vermindert de aanslag premieheffing AVBZ tot naar een te betalen bedrag van Naf. 3.216.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen en mr. W.C.E. Winfield, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).