Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:140

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
KG 81002/2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Uitlevering. Toetsingskader. Taakverdeling uitleveringsrechter en gouverneur. Taak burgerlijke rechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in het kort geding van:

[EISER],

woonplaats gekozen hebbende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. E.F. Sulvaran,

tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,

zetelend te Curaçao,

gedaagde,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigde: mr. T.E. Matroos.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het Gerecht heeft wederom kennis genomen van de stukken die zich in het

griffiedossier bevinden, waaronder thans ook:

- het tussenvonnis van 29 november 2016;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 2 december 2016;

- de op 5 december 2016 ontvangen producties aan de zijde van het Land;

- de aantekeningen van de griffier van de zitting van 6 december 2016 en de tijdens de zitting overgelegde pleitnotities van de gemachtigden.

1.2.

Het vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Op 11 september 2013 hebben de autoriteiten van Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) een verzoek tot de voorlopige aanhouding van eiser aan Curaçao gericht met het oog op diens uitlevering vanwege de verdenking van, kort samengevat, de handel in verdovende middelen.

2.3.

Eiser is op 1 oktober 2013 aangehouden te Curaçao.

2.4.

Op 29 oktober 2013 hebben de VS een verzoek strekkende tot uitlevering van eiser aan Curaçao gericht (hierna: het uitleveringsverzoek).

2.5.

Op vordering van de procureur-generaal heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) bij advies aan de Gouverneur van Curaçao van 6 februari 2014 de uitlevering ontoelaatbaar geacht. Tegen dit advies is cassatieberoep ingesteld.

2.6.

Bij arrest van 9 december 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld, zakelijk weergegeven, dat het Hof in zijn advies van 6 februari 2014 heeft miskend dat “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat” en dat het hierover klagende cassatiemiddel terecht was voorgesteld. De Hoge Raad heeft het advies van het hof van 6 februari 2014 vernietigd en de zaak teruggewezen naar het Hof teneinde de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering opnieuw te beoordelen.

2.7.

Bij advies aan de Gouverneur van Curaçao van 3 september 2015 heeft het Hof geconcludeerd, kort gezegd, dat de uitlevering van eiser toelaatbaar is. In het advies heeft het Hof onder meer het volgende geoordeeld, voor zover in deze van belang:

“6.1 De raadsman stelt zich op het standpunt dat het verzoek om uitlevering ontoelaatbaar is aangezien er sprake is van een reeds voltooide, niet te repareren schending van artikel 6 EVRM. Daarnaast is er volgens hem tevens sprake van een dreigende flagrante schending van deze bepaling en voert hij aan dat er voor de opgeëiste persoon na een mogelijke uitlevering geen effectief rechtsmiddel voorhanden is. Subsidiair heeft de raadsman het Hof verzocht nader onderzoek te gelasten.

Ter onderbouwing heeft de raadsman –zakelijk weergegeven- gesteld dat er sprake is geweest van een undercoveractie door de Amerikaanse autoriteiten waarbij gebruik is gemaakt van infiltratie en uitlokking. Het is volgens de raadsman een reëel risico dat de opgeëiste persoon in de Verenigde Staten wordt veroordeeld op grond van bewijsmateriaal dat naar Curaçaose criteria onrechtmatig verkregen is.

6.2 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 april 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV8326) de volgende maatstaf geformuleerd: “De bevoegdheidsverdeling tussen de rechter die over de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering moet oordelen en de Minister van Justitie die, indien de rechter de uitlevering toelaatbaar heeft geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja onder welke condities daadwerkelijk tot uitlevering zal worden overgegaan, brengt mee dat de rechter op grond van zijn toetsing aan art. 6 (https://www.navigator.nl/) EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge art. 1 (https://www.navigator.nl/) EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering.”

Het hof komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verweer van de raadsman, dat sprake is van een voltooide inbreuk op artikel 6 EVRM, aangezien die beoordeling ingevolge de uitspraak van de Hoge Raad aan de Gouverneur van Curaçao is.

6.3 De onderbouwing door de raadsman van zijn standpunt dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 6 EVRM stoelt op de vrees dat het verkregen bewijsmateriaal tot een berechting leidt waarbij niet de waarborgen in acht worden genomen die in Curaçao gelden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 december 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:2257 en 2258), waarbij de eerdere uitspraak van dit Hof in deze zaak is vernietigd, uitdrukkelijk overwogen dat: “aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de bewijsgaring ten behoeve van de strafzaak in de verzoekende staat”. Het standpunt van de raadsman komt er op neer dat hij andermaal een appel doet op het Hof zich uit te laten over de rechtmatigheid van de bewijsgaring. Gezien de uitspraak van de Hoge Raad is daarvoor geen ruimte, en het Hof zal zich dienaangaande dan ook van een oordeel onthouden. De raadsman heeft voor het overige geen argumenten naar voren gebracht waaruit kan worden opgemaakt dat sprake zou zijn van het risico van een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM, zodat het Hof tot het oordeel komt dat van een dergelijke dreigende inbreuk niet is gebleken.

6.4 Nu het Hof een inbreuk, als hiervoor uiteengezet in 6.3, niet heeft aangenomen komt het, ingevolge het arrest van HR 11 maart 2003 (ECLI:NLHR:2003:AF3312, NJ 2004/42 r.o. 3.4) niet toe aan de beoordeling van de vraag of is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen effectief rechtsmiddel ten dienste zou staan ter zake van die inbreuk, zodat ook dat verweer van de raadsman faalt.

6.5 Tot slot is het Hof van oordeel dat de verzoeken die de raadsman heeft gedaan tot het horen van getuigen en het overleggen van stukken dienen te worden afgewezen aangezien deze naar het oordeel van het hof eveneens vallen binnen het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewijsgaring.”

Tegen dit advies is cassatieberoep ingesteld.

2.8.

Bij arrest van 15 november 2016 heeft de Hoge Raad, zakelijk weergegeven, het advies van het hof d.d. 3 september 2015 vernietigd maar uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan genoegzaam te vermelden, en de uitlevering van eiser toelaatbaar verklaard voor de in het arrest nader omschreven feiten.

2.9.

Eiser is op 15 november 2016 aangehouden en bevindt zich thans in uitleveringsdetentie.

3 De verdere beoordeling van het geschil

Belang

3.1.

Het Land heeft primair het verweer gevoerd dat het kort geding prematuur is, omdat de Gouverneur nog geen beslissing over het toestaan van de uitlevering heeft genomen en het nog onduidelijk is wat deze beslissing zal inhouden.

3.2.

Het Gerecht is van oordeel dat het belang voortvloeit uit de aard van het verzoek. Voor een verbod, zoals door eiser verzocht, is het niet nodig dat er reeds (onrechtmatig) gehandeld is. Voldoende is dat wordt gesteld en aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een reële dreiging van toekomstig (onrechtmatig) handelen door of namens het Land. Eiser heeft gesteld, en het Land heeft dit erkend, dat hij in verband met de onderhavige uitleveringszaak - meteen na het door de Hoge Raad gewezen arrest van 15 november 2016 - is aangehouden en thans gedetineerd is. Daarmee is de dreiging dat eiser daadwerkelijk op basis van een nog door de Gouverneur te nemen beslissing zal worden uitgezet, reëel. Eiser heeft in zoverre belang bij zijn verzoek. Het Gerecht komt derhalve toe aan de beoordeling daarvan.

3.3.

Ter beoordeling staat of het mogelijke (toekomstige) besluit van de Gouverneur om eiser aan de VS uit te leveren onrechtmatig is. Het Gerecht stelt in dit verband het volgende voorop.

Toetsingskader

3.4.

Uit de parlementaire geschiedenis van de Cassatieregeling in uitleveringszaken voor de Nederlandse Antillen en Aruba volgt dat de rijkswetgever zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij het systeem van het Nederlandse uitleveringsrecht en met name ook bij de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 25 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2698). De in het Nederlandse recht ontwikkelde jurisprudentie is in de onderhavige zaak derhalve van toepassing. Uit de rechtspraak wordt het volgende toetsingskader voor de Curaçaose praktijk afgeleid.

3.5.

Op grond van het Uitleveringsbesluit van Aruba, Curaçao en Sint Maarten (hierna: het Uitleveringsbesluit) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens (namens het Land) door de Gouverneur bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Gouverneur toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Gouverneur en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Gouverneur, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

3.6.

Uit (het systeem van) het Uitleveringsbesluit en het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag), waaronder het aan artikel 8 van de Nederlandse Uitleveringswet vergelijkbare artikel 7 van het Uitleveringsverdrag, volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Gouverneur is voorbehouden aan de Gouverneur namens het Land (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533). Indien tegen een besluit van de Gouverneur om de uitlevering toe te staan wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007/277).

3.7.

De hiervoor omschreven taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Gouverneur betekent dat de opgeëiste persoon die bij de Gouverneur aanvoert dat zijn uitlevering een schending van fundamentele rechten oplevert of zal opleveren, het besluit van de Gouverneur (althans, zoals in casu, het dreigende besluit) ter toetsing kan voorleggen aan de burgerlijke rechter. Beroept de opgeëiste persoon zich op feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal waarover de uitleveringsrechter reeds heeft geoordeeld, dan kan aan dat beroep voorbij worden gegaan indien daaraan niet (ook) andere feiten, omstandigheden of bewijsmateriaal ten grondslag worden gelegd. Hetgeen in de uitleveringsprocedure niet aan de orde is gesteld en in de civiele procedure wel naar voren wordt gebracht, zal door de burgerlijke rechter in de beoordeling moeten worden betrokken. In voorkomend geval kan dit ook ertoe leiden dat in de civiele procedure op grond van deze nieuwe omstandigheden anders moet worden geoordeeld dan in de uitleveringsprocedure (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680).

Standpunt eiser

3.8.

Eiser heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat er in deze sprake is van een (voltooide of dreigende) flagrante schending van artikel 6 EVRM. Volgens eiser dient om die reden een uitzondering te worden gemaakt op het vertrouwensbeginsel, dat ervan uitgaat dat in geval van uitlevering de verzoekende staat (in dit geval de VS) de fundamentele rechten van de door haar opgeëiste persoon, die zijn neergelegd in het EVRM, zal respecteren. Eiser heeft dit onderbouwd met de volgende feitelijke stellingen, kort en zakelijk weergegeven:

a) de Amerikaanse autoriteiten hebben in Curaçao, zonder de hier te lande geldende wettelijke voorschriften na te leven en onder schending van de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden, bijzondere opsporingsmethoden gebruikt en dwangmiddelen aangewend, zoals observatie, infiltratie en pseudokoop. Niet kan worden getoetst of is gehandeld overeenkomstig het Talloncriterium;

b) eiser zal zich, na zijn uitlevering aan de VS, niet op behoorlijke wijze kunnen verweren tegen de begane onrechtmatigheden, omdat hij zich als buitenlander niet zal kunnen beroepen op schending van de in de amendments in de Amerikaanse Grondwet neergelegde fundamentele rechten, het moeilijk zal zijn de schending voldoende hard te maken omdat hem de informatie daaromtrent wordt onthouden, de bewijslast anders ligt dan het EHRM juist acht en in de VS een andere maatstaf ten aanzien van een beroep op entrapment wordt gehanteerd;

c) de Amerikaanse autoriteiten hebben eiser, terwijl hij was gedetineerd, onder schending van de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder cautie verhoord en zonder dat hij daaromtrent met zijn raadsman overleg kon plegen, terwijl van de verhoren geen processen-verbaal zijn opgemaakt;

d) eiser is door derden, die kennelijk door Amerikaanse opsporingsambtenaren werden aangestuurd (criminele burgerinfiltranten), uitgelokt om de feiten, ter zake waarvan zijn uitlevering wordt gevraagd, te begaan;

e) de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering is beoordeeld en daarop is beslist zonder dat was gewaarborgd dat de opgeëiste persoon zich hiertegen op behoorlijke wijze kon verdedigen. De Curaçaose uitleveringsprocedure is zo summier dat deze niet kan worden gekwalificeerd als een “wettelijk voorgeschreven procedure’ in de zin van artikel 5 lid 1 EVRM;

f) in de VS zal eiser geen effectief rechtsmiddel tegen entrapment, in de betekenis die het EHRM daaraan heeft gegeven, ter beschikking staan, omdat de rechtsgang naar het EHRM niet open staat.

Ten aanzien van de stellingen zoals vermeld onder 3.8. sub a, b, c, d en f

3.9.

In het licht van bovenstaand toetsingskader bezien behoeven de hiervoor onder 3.8. sub a, b, c, d en f vermelde argumenten geen bespreking. Deze argumenten zijn, zoals het Land onweersproken heeft aangevoerd, reeds door eiser aan de uitleveringsrechter voorgelegd en ook door de uitleveringsrechter beoordeeld. Het Hof heeft bij zijn advies van 3 september 2015, kort samengevat, de op die argumenten gegronde flagrante schending van artikel 6 EVRM, niet aangenomen. Dit oordeel is vervolgens in cassatie aan de Hoge Raad voorgelegd, welk cassatieberoep bij arrest van 15 november 2016 is verworpen. Gelet op deze rechterlijke oordelen zou de (dreigende) beslissing van de Gouverneur om de uitlevering van eiser toe te staan slechts als onrechtmatig kunnen worden aangemerkt, als er sinds deze rechterlijke oordelen sprake is van andere feiten of omstandigheden, of als deze op kennelijke fouten of vergissingen berusten. Eiser heeft dergelijke feiten of omstandigheden of kennelijke fouten of vergissingen niet gesteld. Nu deze ook anderszins niet zijn gebleken, is er voor de burgerlijke rechter geen ruimte om op dezelfde gronden wel te komen tot een verbod aan de Gouverneur om tot uitlevering over te gaan.

Ten aanzien van de stelling zoals vermeld onder 3.8. sub e

3.10.

Eiser heeft gesteld dat de Curaçaose uitleveringsprocedure niet kan worden gekwalificeerd als een “wettelijk voorgeschreven procedure’ in de zin van artikel 5 lid 1 EVRM. Het Gerecht verwijst allereerst naar hetgeen hiervoor onder 3.4. ten aanzien van het toetsingskader is overwogen. Het Gerecht is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat de door artikel 5 of 6 EVRM beschermde belangen van eiser in de uitleveringsprocedure op enigerlei wijze zijn geschonden (vgl. Parket bij de Hoge Raad d.d. 11 november 2016, ECLI:NL:PHR:2016:1136 onder 5). Eiser heeft op dit onderdeel onvoldoende gesteld om tot het oordeel te komen dat sprake is van een (dreigend) onrechtmatig handelen van de Gouverneur.

Ten overvloede - vertrouwensbeginsel

3.11.

Gezien het voorgaande komt het Gerecht niet toe aan de vraag of er daadwerkelijk sprake is van onrechtmatigheden en/of vormverzuimen. Ten overvloede overweegt het Gerecht hieromtrent dat er in deze geen aanleiding bestaat om af te wijken van het vertrouwensbeginsel. De VS zijn partij bij het IVBPR. Evenals artikel 6 EVM verzekert artikel 14 IVBPR het recht van eenieder op een eerlijk proces. Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het uitleveringsverdrag moet in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en IVBPR, zal respecteren (vgl. HR van 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4110). In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet het Gerecht geen aanleiding om in deze af te wijken van de vaste rechtspraak die het vertrouwensbeginsel tot uitgangspunt neemt. Dit beginsel brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de rechtsgang in de VS de in artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR genoemde beginselen waarborgt.

3.12.

Het Gerecht heeft voorts - ten overvloede - geen aanleiding om een uitzondering op het vertrouwensbeginsel te maken. Het vertrouwensbeginsel kan uitzondering lijden, voor wat betreft artikel 6 EVRM, indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge dat artikel toekomend recht dat de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland (in casu: het Land) rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan de nakoming van de uit het vermelde uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting in de weg staat (vgl. HR 8 juli 2003, LJN AE5288). Van een risico op een flagrante inbreuk op enig ingevolge artikel 6 EVRM aan de opgeëiste persoon toekomend recht is echter pas sprake als de opgeëiste persoon na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel tot zijn beschikking heeft een dergelijke schending af te wenden (vgl. HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441). Eiser heeft gesteld dat hem in de VS geen effectief rechtsmiddel tegen entrapment in de betekenis die het EHRM daaraan heeft gegeven, ter beschikking zal staan. Gebleken is echter niet dat in de Verenigde Staten een rechtsmiddel ontbreekt om een schending van een inbreuk op artikel 6 EVRM (of artikel 14 IVBPR) af te wenden. De gestelde onrechtmatigheden en vormverzuimen kunnen ook in een Amerikaanse strafprocedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, aan de orde worden gesteld. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat de rechtsgang naar het EHRM niet openstaat, doet daar niet aan af.

Overigens

3.13.

De stelling van eiser dat de Gouverneur in deze niet onafhankelijk zal oordelen, omdat zij samen heult met de procureur-generaal die een spilfunctie heeft gehad in deze uitleveringszaak, snijdt geen hout en wordt reeds daarom gepasseerd. Gezien de grondslag van het verzochte behoeven de stellingen van eiser met betrekking tot zijn “wederrechtelijke vrijheidsberoving” geen bespreking.

Conclusie

3.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is gebleken van een (toekomstig) onrechtmatig handelen van de Gouverneur, namens het Land. Het primair en subsidiair verzochte zal derhalve worden afgewezen.

3.15.

Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het Land (en de Gouverneur) gevallen, tot aan deze uitspraak bepaald op NAf 500,00 aan salaris van de gemachtigde.

4 De beslissing in kort geding

Het Gerecht:

- wijst af het primair en subsidiair verzochte;

- veroordeelt eiser in de proceskosten aan de zijde van het Land tot op heden begroot op NAf 500,00 aan gemachtigdensalaris;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.H. Lips, rechter in voormeld Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.