Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:14

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
23-05-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
AR 72740/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

letsel schadebegroting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0161 met annotatie van M.R. Hebly

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

wonende in Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. A.V.G. Rooijer,

tegen

de naamloze vennootschap

[DE VERZEKERAAR/GEDAAGDE],

gevestigd in Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.R. Hammoud en B.L.J. Zending.

Partijen zullen hierna [eiser] en [de verzekeraar/gedaagde] genoemd worden.

1
Het procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties, op 12 maart 2015 ter griffie ingediend;

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie 14 december 2015;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 26 februari 2016.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Op 20 maart 2012 was [eiser] als bestuurder van een motorfiets betrokken bij een verkeersongeval (hierna: het ongeval). Het ongeval was te wijten aan een verkeersfout van een derde, die tegen aansprakelijkheid was verzekerd bij [de verzekeraar/gedaagde]. [de verzekeraar/gedaagde] heeft aansprakelijkheid voor de door het ongeval veroorzaakte schade van [eiser] erkend.

2.2. [

eiser] is van 20 maart 2012 tot 17 april 2012 opgenomen geweest in het Sehos. Uit het ontslagbericht van het Sehos volgt dat er bij [eiser] onder meer het volgende letsel werd geconstateerd: hersenschudding, ribfracturen, longcontusie, hemathorax, fracturen van de rechter onderarm en de linkerknie, darmruptuur, respiratoire insufficiëntie, fluctuerende zwelling rechter schouder en een dropping hand.

2.3.

In 2008 is [eiser] eveneens betrokken geweest bij een motorongeluk. [eiser] liep toen een bekken- en dijbeenfractuur op. Daarvoor is hij van 29 juni 2008 tot en met 30 juli 2008 opgenomen geweest in het Sehos.

2.4.

Ten tijde van het ongeval in 2012 was [eiser] op vakantie op Curaçao. Hij was kort daarvoor naar Nederland verhuisd en was terug op Curaçao om zich uit te schrijven. [eiser] had ten tijde van het ongeval geen betaald werk. [eiser] beschikt sedert 31 maart 2011 over een vergunning voor bus nummer [bus nummer]. Na het ongeval in 2012 heeft [eiser] geen loonvormende arbeid meer verricht.

2.5.

Uit een rapport van Cunningham & Lindsey van 3 februari 2014 volgt dat sprake is van blijvende invaliditeit van de rechterarm als gevolg van het ongeval en dat het de verwachting is dat hij zijn werk als lasser niet meer zal kunnen uitvoeren. Wat betreft de uitvoering van zijn werk als buschauffeur is het de vraag of [eiser] met de huidige beperkingen van de rechterhand langdurig achter het stuur kan zitten.

2.6.

Op 17 april 2014 is [eiser] in het kader van de schadeafwikkeling op gezamenlijk verzoek van partijen onderzocht door revalidatiearts B.A.A. Zahavi, die in zijn rapport van 26 mei 2014 onder meer het volgende vermeld (hierna: het rapport):

“(…)

Huidige klachten zijn last van lage rug pijnklachten, wisselende buikklachten, pijn ter hoogte van de rechterschouder en de linkerknie. Er is ook een zwaar gevoel van de gehele rechterarm en hand die ook stijf aanvoelt.

Betrokkene krijgt op dit moment fysiotherapie in de eerste lijn. Maakt ook gebruik van een steunzool links in verband met beenlengte verschil ten nadele links. Voor de pijnklachten maakt betrokkenen gebruik van Fastum gel evenals een pijnstiller.

(…)

Mobiliteit

Betrokkene verplaatst zich zelfstandig zonder loophulpmiddelen. Tempo is volgens betrokkene nu verminderd. Traplopen zelfstandig. Heeft een geldig rijbewijs en rijdt auto met automatische transmissie.

(…)

Arbeidsverleden: was werkzaam als lasser. Is nu arbeidsongeschikt vanwege het niet kunnen uitvoeren van zijn werkzaamheden als lasser.

(…)

Berekening percentage functionele invaliditeit volgens 5de editie van de American Medical Association Guide:

Voor de berekening van de percentage functionele invaliditeit worden de bewegingsbeperkingen van de rechterelleboog en pols, de atrofie van het linkeronderbeen, avulsiefractuur laterale begrenzing tibiaplateau links en discrete geheugenstoornissen meegenomen, gezien deze duidelijk gerelateerd zijn aan het ongeval van 20 maart 2012. De buikklachten en nervus radialis letsel rechts zijn nagenoeg hersteld. De rechterschouderklachten, rugklachten en linkerbeen klachten zijn grotendeels gerelateerd aan het eerdere ongeval van 29 juni 2008.

(…)

Het totale invaliditeitspercentage van de gehele persoon wordt verkregen door bovengenoemd het invaliditeitspercentage van de gehele persoon te combineren volgens de Combined Values Chart. Deze bedraagt 9%.

(…)

Conclusie en bespreking

(…)

Als gevolg van deze trauma heeft betrokkene me name last van zijn rechterelleboog, onderarm en –hand die moeilijk ingezet kan worden bij activiteiten en linkerknie klachten. (…). Er zijn mogelijke geheugenstoornissen als gevolg van de opgelopen commotio cerebri.

De huidige schouderklachten en bewegingsbeperkingen zijn hoogstwaarschijnlijk ten gevolge van het eerdere trauma van 29 juni 2008 met als gevolg forse degeneratieve afwijkingen. De huidige rugklachten zijn hoogstwaarschijnlijk ten gevolge van het beenlengte verschil ten nadele van links als gevolg van een eerdere femurfractuur links opgelopen bij een eerdere trauma op 29 juni 2008.

Als gevolg van de opgelopen letsels ondervindt betrokkene duidelijke beperkingen in het uitvoeren van loonvormend arbeid (werkzaamheden als lasser), zwaardere huishoudelijke werkzaamheden en vrijetijdbestedingsactiviteiten (voetballen, paardrijden, fietsen en hardlopen).

Er is sprake van een medische eindtoestand (Maximam Medical Improvement) en er wordt nauwelijks verbetering of verslechtering verwacht voor wat betreft de geconstateerde letsels met ongewijzigde mate van functieverlies.

(…)

m. Zijn er van u zijde nog therapeutische suggesties?

Begeleiding door een arbeidsdeskundige is gewenst voor het evalueren van de mogelijkheden voor het uitvoeren van loonvormende werkzaamheden. Gezien de geheugenstoornissen is evaluatie door een neuropsycholoog ook gewenst.

(…)

c. Kunt u aangeven welke mate van functieverlies (als bedoeld in vraag 1h) uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?

De mate van functieverlies voortvloeiend uit het eerdere ongeval zou grotendeels gelijk zijn geweest met alleen een verergering met betrekking tot de functie van de rechterelleboog, onderarm en pols.

(…).”

2.7.

De verzekerde som op de aansprakelijke polis betreft NAf 150.000,-. [de verzekeraar/gedaagde] heeft in totaal een bedrag van NAf 50.939,- aan [eiser] uitgekeerd. Deze uitkering is als volgt opgebouwd:

  • -

    NAf 5.850,-: schade aan de motor

  • -

    NAf 14.550,- voorschot onder algemene titel

  • -

    NAf 24.000,- voorschot onder algemene titel en verlies arbeidsvermogen

  • -

    NAf 1.539,- reiskosten

  • -

    NAf 5.000,- smartengeld

3 Het geschil in conventie en in reconventie

3.1. [

eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [de verzekeraar/gedaagde] tot betaling van een bedrag van NAf 905.850,46 ten titel van schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum indiening verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening, althans een bedrag aan schadevergoeding vast te stellen door het Gerecht naar redelijkheid en billijkheid en in goede justitie, kosten rechtens.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser], verkort weergegeven, ten grondslag dat hij als gevolg van het auto-ongeval blijvende klachten en beperkingen ondervindt waardoor hij zijn werk als buschauffeur niet meer kan uitoefenen. Daardoor lijdt hij schade. [de verzekeraar/gedaagde] is in haar hoedanigheid van LAM-verzekeraar aansprakelijk voor de (letsel)schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt.

3.3. [

de verzekeraar/gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Kort gezegd voert zij aan dat niet is gebleken dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt is als gevolg van het ongeval in 2012. Voorts heeft [eiser] niet aan zijn schadebeperkingsplicht voldaan. Ten slotte heeft [eiser] de zijn inkomen voor het ongeval onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Voorts heeft [de verzekeraar/gedaagde] een reconventionele vordering ingediend, namelijk (terug-)betaling door [eiser] van de reeds betaalde voorschotten onder algemene titel en verlies arbeidsvermogen ten bedrage van NAf 38.550,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.4.

Voor zover van belang wordt hierna nader ingegaan op de stellingen van partijen.

4 De beoordeling

4.1.

Het onvermogen van [eiser] om proceskosten te dragen is uit de overgelegde stukken genoegzaam gebleken. Aan [eiser] zal toelating worden verleend om kosteloos te procederen.

4.2.

Vaststaat dat [de verzekeraar/gedaagde] aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het ongeval. [eiser] heeft derhalve een vordering tot schadevergoeding op [de verzekeraar/gedaagde].

4.3. [

de verzekeraar/gedaagde] betwist niet dat [eiser] letsel heeft opgelopen als gevolg van het ongeval en dat hij daarvoor medisch is behandeld. Gelet op de medische berichtgeving ingebracht door [eiser] en het rapport van dr. Zahavi ingebracht door [de verzekeraar/gedaagde], staat naar het oordeel van het Gerecht vast dat [eiser] klachten en beperkingen heeft die als ongevalsgevolg zijn aan te merken en waardoor hij schade lijdt en heeft geleden. Het geschil spitst zich toe op de omvang van de schade.

4.4.

De belangrijkste schadepost – en daarmee het belangrijkste geschilpunt – betreft het verlies aan verdienvermogen. Daarbij gaat het erom het verschil vast te stellen tussen wat feitelijk sinds het ongeval aan inkomsten is en zal (kunnen) worden ontvangen en wat dat zou zijn geweest als het ongeval niet was geschied. Hiertoe zal een vergelijking moeten worden gemaakt van de hypothetische arbeids- en inkomenssituatie van [eiser] zoals die zich zonder het ongeval van 20 maart 2012 redelijkerwijs zou hebben ontwikkeld en de situatie waarin hij door het ongeval is komen te verkeren. Ter beoordeling van deze laatste situatie is, onder meer, van belang wat nu precies de ongevalsgevolgen zijn, welke beperkingen [eiser] daardoor ondervindt en in hoeverre deze van invloed zijn op zijn verdienvermogen. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of bij [eiser] restcapaciteit tot het verwerven van inkomen bestaat en zo ja, vanaf welk moment en in welke mate. Op al deze punten zijn de partijen het met elkaar oneens. In het navolgende zal daarop worden ingegaan.

4.5.

Over de vraag naar de aard en de omvang van het (rest-)letsel van [eiser] ten gevolge van het ongeval van 20 maart 2012 is het rapport van dr. Zahavi voorhanden. Partijen hebben dr. Zahavi gezamenlijk de opdracht gegeven dit te onderzoeken, maar verschillen van mening over waarde van het rapport voor zover dat ziet op de ongevalsgevolgen en de daaruit voortvloeiende (mate van) arbeidsongeschiktheid.

4.6.

Volgens het rapport is er sprake van restverschijnselen aan de rechterelleboog, de onderarm en –hand, de linkerknie en zijn er geheugenstoornissen, die alle volledig zijn toe te rekenen aan het ongeval in 2012. De huidige schouderklachten en bewegingsbeperkingen en de rugklachten zijn hoogstwaarschijnlijk ten gevolge van het eerdere trauma van 29 juni 2008, aldus dr. Zahavi. Het Gerecht is van oordeel dat het rapport op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Dr. Zahavi baseert zijn conclusie dat bepaalde restverschijnselen “hoogstwaarschijnlijk” een gevolg zijn van het ongeval uit 2008 op medische berichten kort na het ongeval. Van een medische onderbouwing over het verloop van het letsel uit 2008 en de daaruit voortvloeiende klachten en restverschijnselen is niet gebleken. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [eiser] tijdens de comparitie, namelijk dat hij ná het ongeval in 2008, maar vóór het ongeval in 2012 werkzaam was eerst als lasser en daarna als buschauffeur, had dr. Zahavi zijn conclusies ter zake nader moeten motiveren. Nader onderzoek ligt daarom voor de hand.

4.7.

Voorts acht het Gerecht het rapport van dr. Zahavi onvolledig voor zover niet is onderzocht of [eiser] arbeidsongeschikt is voor het werk als buschauffeur. Dat onderzoek had wel voor de hand gelegen nu [eiser], mede onder verwijzing naar een vergunning, stelt dat hij voor het ongeval werkzaam was (ook) als buschauffeur, hetgeen door [de verzekeraar/gedaagde] wordt betwist. Ter comparitie is namens [eiser] benadrukt dat hij met name problemen ondervindt bij het aannemen van geld in de bus en door zijn wisselende stemmingen en geheugenstoornissen. Voorts heeft hij moeite met zijn rug, hetgeen hij voor het ongeval in 2012 niet had. In het rapport wordt daaraan geen aandacht besteed, zodat ook ter zake nader onderzoek voor de hand ligt.

4.8.

Nader onderzoek wordt echter bemoeilijkt door het feit dat [eiser] recent slachtoffer is geworden van een schietpartij waardoor hij wederom ernstig letsel heeft opgelopen. Het Gerecht acht het hierom niet meer zinvol [eiser] opnieuw te laten onderzoeken door een of meer deskundigen. Voorts verschillen partijen van mening over de wijze van uitvoering van het nadere onderzoek. Het Gerecht is van oordeel dat de zaak ook beslecht kan worden zonder tijdrovend en kostbaar onderzoek. Gelet op de punten waarover partijen het wel eens zijn enerzijds en op de beperkte verzekerde som anderzijds, zijn partijen er naar het oordeel van het Gerecht, zowel uit kostenoverwegingen als uit proceseconomisch oogpunt, bij gebaat dat de schade wordt geschat. Het Gerecht overweegt daartoe het navolgende.

4.9.

Ten aanzien van de restverschijnselen en de (mate van) arbeidsongeschiktheid staat als onbetwist tussen partijen vast dat [eiser] als gevolg van het ongeval in 2012 restverschijnselen heeft aan de rechterelleboog, de onderarm en –hand en de linkerknie en dat er geheugenstoornissen zijn die hem beperken in het verrichten van loonvormende arbeid. Voorts volgt uit het rapport dat deze restverschijnselen resulteren in een invaliditeitspercentage van de gehele persoon van 9%. Beperkingen die samen zouden hangen met het ongeval uit 2008 zijn, anders dan [de verzekeraar/gedaagde] stelt, bij deze berekening niet meegenomen. Uit de omstandigheid dat sprake is van 9% invaliditeit van de gehele mens volgt dat aannemelijk is dat bij [eiser] sprake is van verlies aan verdiencapaciteit. [de verzekeraar/gedaagde] heeft dat ook niet betwist. Voorts heeft [de verzekeraar/gedaagde] niet betwist dat [eiser] voor het ongeval werkzaamheden als lasser heeft verricht. Hij was daartoe ook gediplomeerd. Naar het oordeel van het Gerecht volgt zowel uit het rapport van Cunningham & Lindsey als uit het rapport van dr. Zahavi dat [eiser] door de beperkingen als gevolg van het ongeval zijn werkzaamheden als lasser niet meer kan uitoefenen.

4.10.

Door [eiser] is geen bewijs van inkomen als lasser van voor het ongeval geleverd. Ten tijde van het ongeval had hij geen baan en was hij net naar Nederland verhuisd. Dat betekent echter nog niet dat er van uit moet worden gegaan dat [eiser] in het geheel geen inkomensschade heeft geleden. Mede op grond van hetgeen ter comparitie naar voren is gebracht over het (gezins-)leven van [eiser] en het gestelde inkomen uit zijn werk als buschauffeur, kan en zal het Gerecht deze schade ex artikel 6:97 BW schatten. Het Gerecht sluit ter zake aan bij het minimumloon op Curaçao, te weten NAf 1.350,- per maand.

4.11.

Met betrekking tot het inkomen na ongeval stelt het Gerecht vast dat er inmiddels vier jaar na het ongeval is verstreken en gesteld noch gebleken is dat [eiser] inkomsten uit arbeid heeft verworven, dan wel dat [eiser] daartoe in staat was enerzijds, dan wel dat hij pogingen heeft ondernomen om restverdiencapaciteit – zo daar van sprake is – om te zetten in loonvormende arbeid anderzijds. Uit het rapport van dr. Zahavi volgt dat [eiser] zich op zijn zachts gezegd niet actief heeft opgesteld om te revalideren en eventuele restverdiencapaciteit te benutten. Naar het oordeel van het Gerecht dient dat door te werken in de looptijd van schade. [eiser] was ten tijde van het ongeval 43 jaar. Indien hij tot zijn zestigste zou hebben doorgewerkt heeft de schade een looptijd van 17 jaar. Indien zeven jaar daarvan voor zijn eigen rekening blijft in verband met het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht, resteert een looptijd van 10 jaar. Het Gerecht acht een looptijd van de schade van 10 jaar gelet op het voorgaande redelijk en houdt daarbij rekening met het feit dat de geheugenstoornissen eventuele re-integratiemogelijkheden bemoeilijken. Uitgaande van het minimumloon resulteert dat in een schade verlies verdienvermogen van NAf 139.550,04 (NAf 16.200,- per jaar vermenigvuldigd met kapitalisatiefactor 8,6142).

4.12.

Het Gerecht heeft hiervoor aan de hand van goede en kwade kansen de inkomensschade geschat op NAf 139.550,04. Mede in aanmerking nemende de overige schadeposten waar [de verzekeraar/gedaagde] reeds voorschotten voor heeft verstrekt, wordt de verzekerde som ad NAf 150.000,- reeds overschreden. Het Gerecht sluit niet uit dat een afweging van goede en kwade kansen op punten tot een andere uitkomst zou kunnen leiden, echter de kans dat de inkomensschade daarmee onder de verzekerde som blijft is, gelet op de feiten en omstandigheden die wel bekend zijn in deze zaak, nihil. Nu het bedrag tot betaling waarvan [de verzekeraar/gedaagde] kan worden veroordeeld de verzekerde som niet kan overschrijden, zal het Gerecht haar veroordelen tot betaling van de verzekerde som onder aftrek van de reeds betaalde voorschotten, hetgeen resulteert in een nabetaling van NAf 99.061,-.

4.13.

Gelet op hetgeen het Gerecht hiervoor heeft overwogen wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de reconventionele vordering van [de verzekeraar/gedaagde]. De vordering in reconventie ligt daarmee voor afwijzing gereed.

4.14. [

de verzekeraar/gedaagde] wordt als de in conventie en in reconventie in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot aan de uitspraak begroot in conventie op een bedrag van (2 punten x tarief 7) NAf 3.400,- aan gemachtigdensalaris, NAf 201,50 aan verschotten en NAf 7.500,- aan griffierecht en in reconventie op nihil.

5 De beslissing

Het Gerecht:

In conventie

5.1.

staat [eiser] toe kosteloos te procederen;

5.2.

veroordeelt [de verzekeraar/gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van

Naf. 99.061,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 maart 2015;

5.3

veroordeelt [de verzekeraar/gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op NAf 3.400,- aan gemachtigdensalaris, NAf 201,50 aan verschotten en NAf 7.500,- aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie

5.5.

wijst de vordering af;

5.6.

veroordeelt [de verzekeraar/gedaagde] in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan, lid van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2016, in aanwezigheid van de griffier.