Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:123

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
AR 79989/2016
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres niet-ontvankelijk in kort geding nu tegen de weigering tot afgifte van een NVT-verklaring bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[EISERES],

wonende in Curaçao,

eiseres,

gemachtigde: mr. S.H.M. Helder,

--tegen--

de openbare rechtspersoon HET LAND CURAÇAO,

zetelend te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.M. Isenia.

Partijen zullen hierna [eiseres] en het Land worden genoemd.

1 Verloop van de procedure

1.1.

[Eiseres] heeft op 24 augustus 2016 een verzoekschrift in kort geding, met producties ingediend. Bij e-mailbericht van 16 september 2016 heeft [eiseres] een akte wijziging c.q. vermeerdering van eis toegezonden aan het Gerecht. De zaak is behandeld ter zitting van 16 september 2016. [eiseres] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens het Land is verschenen mr. J. Suares, werkzaam bij de Toelatingsorganisatie Curaçao bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van overgelegde pleitnotities.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

In dit kort geding wordt uitgegaan van het volgende:

2.1.

[Eiseres], geboren op 24 juli 1988 in Nederland, is in 1996 met haar ouders naar Curaçao verhuisd, waar zij tot 2009 heeft gewoond. Tussen 2009 en 2014 woonde [eiseres] in België in verband met haar studie.

2.2.

Bij terugkeer naar Curaçao in 2014 heeft [eiseres] geprobeerd zich hier te lande in te schrijven. Bij de Burgerlijke Stand (Kranshi) is aan [eiseres] medegedeeld dat voor haar inschrijving een verblijfsvergunning of een verklaring van rechtswege noodzakelijk is.

2.3.

In een e-mailbericht van 31 maart 2016 is namens [eiseres] aan de directeur van de Toelatingsorganisatie Curaçao bericht als volgt:

“Beste [directeur van de Toelatingsorganisatie Curaçao],

(…) Vergeef me dat ik me direct tot jou wend met een privé-zaak, maar het gaat om de interpretatie van het Matos-arrest. En daar wordt niet eenduidig over gedacht, merk ik. (…) Als je het mij vraagt heeft [eiseres] recht op een ‘niet van toepassing-verklaring’ (NVT-verklaring) ex art. 9 lid 1 sub 2e Toelatingsbesluit, omdat zij meer dan tien jaar rechtmatig op en in Curaçao heeft gewoond, aanvankelijk als kind van haar vader en moeder die hier rechtmatig verbleven en vanaf 2006 zelfstandig. (…)[eiseres] wil dan ook graag een niet-van-toepassing-verklaring (NVT) hebben, opdat zij zich opnieuw kan inschrijven bij Kranchi en wederom een sedula kan aanvragen. (…) Graag verneem ik welke stappen [eiseres]moet zetten om de NVT-verklaring te verkrijgen. (…) Indien jullie van mening zijn dat [eiseres]geen recht zou hebben op een NVT-verklaring verneemt zij dat graag in de vorm van een schriftelijke weigering, opdat ze daartegen in beroep kan gaan. (…).”

2.4.

Bij brief van 6 mei 2016 is door de directeur van de Toelatingsorganisatie Curaçao aan [eiseres], voor zover hier van belang, bericht als volgt:

“(…)

Sinds de Wijzigingslandsverordening bij Landsbesluit van 4 januari 2002 (PB 2002, no.14) worden Europese Nederlanders krachtens een verklaring van rechtswege toegelaten en niet meer krachtens een vergunning tot tijdelijk verblijf zoals vroeger het geval was. Dat betekent dat thans minimale vereisten verbonden zijn aan de toelating tot Curaçao voor Europese Nederlanders, zodat geconcludeerd kan worden dat de wetgever al heeft voorzien in de verplichting die zou zijn voortgevloeid uit het Matos-arrest om Europese Nederlanders op gelijke voet te behandelen als Antillianen.

Als Europese Nederlander komt u derhalve conform artikel 3 sub f LTU in aanmerking voor een verklaring van rechtswege.

Het belang om ingeschreven te worden in het bevolkingsregister en wederom een identiteitsbewijs aan te vragen wordt dan ook door middel van voormelde verklaring mogelijk gemaakt.

Gelet op het voorgaande ziet de Minister van Justitie derhalve geen zwaarwegend belang in casu om een NVT-verklaring toe te kennen.

Volledigheidshalve wordt u hierbij bericht dat de aanvraag voor een verklaring van rechtswege op het daarvoor bestemde voorgeschreven formulier dient te richten aan de Minister van Justitie door tussenkomst van de Toelatingsorganisatie Curaçao te Prinsenstraat 90, Punda. Bij de aanvraag dient betrokkene de daarbij behorende vereiste documenten in te dienen.

Het betreffende aanvraagformulier met vereisten lijst en formulier “betalingsopdracht retributie en leges” zullen hierbij gemakshalve worden toegevoegd. (…)”

2.5.

Tegen de hierboven genoemde brief heeft [eiseres] beroep ingesteld bij de bestuursrechter. Bij uitspraak van 8 juli 2016 (zaaknr. Lar: 2016/79237, 2016/79238) heeft de bestuursrechter zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep. Daarbij is overwogen dat de brief van 6 mei 2016 geen beschikking behelst in de zin van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de LAR).

2.6 [

Eiseres] heeft op 18 juli 2016 een aanvraag voor een niet-van-toepassing verklaring (hierna: NVT-verklaring) ingediend. De Minister van Justitie heeft de aanvraag schriftelijk afgewezen. De minister heeft daarbij, voor zover hier van belang, overwogen als volgt:

“(…)

GELEZEN:

de aanvraag van d.d. 18-07-2016 van mevrouw [EISERES], geboren op [gebortedatum] te NEDERLAND, van NEDERLANDSE nationaliteit (hierna: betrokkene tot het verlenen van een verklaring dat de Landsverordening Toelating en Uitzetting niet op haar van toepassing is;

GEZIEN:

het advies van d.d. 12/08/2016 van de Toelatingsorganisatie Curaçao;

GELET OP:

Artikel 1 van de Landsverordening Toelating en Uitzetting, zoals gewijzigd (P.B. 2010 no. 5) (hierna LTU);

OVERWEGENDE:

• dat betrokkene een Nederlander is en in aanmerking wil komen voor een verklaring dat de LTU niet op haar van toepassing is;

• dat conform artikel 1 van de LTU, de LTU, met uitzondering van de bepalingen der artikelen 22 tot en met 25 niet van toepassing is op:

a. Nederlanders, in Curaçao geboren;

b. Nederlanders, vóór 1 januari 1986 in Aruba geboren, die op 1 januari 1986 in de Nederlandse Antillen en vóór 10 oktober 2010 in Curaçao hun woonplaats hadden;

c. Nederlanders, vóór 10 oktober 2010 op Bonaire, Saba, Sint Eustatius of in Sint Maarten geboren, die op 10 oktober 2010 in Curaçao hun woonplaats hadden;

d. de kinderen van de onder a, b en c genoemde Nederlanders.

• dat betrokkene derhalve niet een Nederlander, genoemd in artikel 1 LTU onder a, b, c of een kind van de onder a, b en c genoemde Nederlander is;

• dat betrokkene haar aanvraag heeft gemotiveerd en, kort samengevat, van mening is dat zij recht heeft op een verklaring dat de LTU niet op haar van toepassing is, omdat zij meer dan tien jaar rechtmatig op Curaçao heeft gewoond en op grond van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 24 november 1998, AR no. 1765/97 – H. 319/98 (Matos-arrest) daarvoor in aanmerking komt;

• dat sinds de Wijzigingslandsverordening bij Landsbesluit van 4 januari 2002 (PB 2002, no. 14) Europese Nederlanders krachtens een verklaring van rechtswege worden toegelaten en niet meer krachtens een vergunning tot tijdelijk verblijf zoals vroeger het geval was ten tijde van bovenvermeld uitspraak;

• dat thans hierdoor minimale vereisten verbonden zijn aan de toelating tot Curaçao van Europese Nederlanders;

• dat de wetgever derhalve reeds heeft voorzien in de verplichting die zou zijn voortgevloeid uit het Matos-arrest om Europese Nederlanders;

• dat betrokkene als Europese Nederlander derhalve conform artikel 3 sub f LTU in aanmerking komt voor een verklaring van rechtswege.

• dat betrokkene gelet op het bovenstaande niet in aanmerking komt voor verklaring dat de LTU niet op haar van toepassing is.

BESLUIT:
De aanvraag voor het afgeven van een verklaring dat de Landsverordening Toelating en Uitzetting niet op betrokkene van toepassing is af te wijzen. (…)

RECHTSMIDDELEN:

Tegen deze beschikking kan binnen zes (6) weken na de dag waarop de beschikking is gegeven een bezwaarschrift worden ingediend. Het bezwaarschrift dient gestuurd te worden aan:

De Minister van Justitie

d.t.k.v. de Toelatingsorganisatie Curaçao

Prinsenstraat 90

Alhier

(…)”

3 Het geschil

3.1.

[Eiseres] vordert, bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut op alle dagen en uren:

I. Primair: het Land te bevelen aan [eiseres] binnen 5 dagen een NVT-verklaring als bedoeld in artikel 8, eerste lid sub 2e van het Toelatingsbesluit te verstrekken dan wel;

Subsidiair: het Land te bevelen binnen 5 dagen de schriftelijke garantie te geven dat [eiseres] in afwachting van een gerechtelijk oordeel in dezen vrij Curaçao in en uit kan reizen;

Primair en subsidiair: op straffe van een dwangsom van ANG 10.000,- per dag of gedeelte daarvan dat het Land geheel of gedeeltelijk niet voldoet aan het gebod.

II. Het Land te veroordelen in de kosten van dit geding, die van rechtskundige bijstand inbegrepen, te vermeerderen met de nakosten, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf de eerste dag na afloop van de termijn voor voldoening.

3.2.

[Eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. De afwijzende beslissing van de Minister van Justitie met betrekking tot haar aanvraag om in aanmerking te komen voor een NVT-verklaring, geeft blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Volgens [eiseres] heeft zij meer dan tien (10) jaar rechtmatig in Curaçao gewoond. Gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van 24 november 1998 in de zaak Matos (hierna: Matos-vonnis) dient zij te worden gelijkgesteld met Nederlanders als bedoeld in artikel 1 LTU. Derhalve komt zij in aanmerking voor een NVT-verklaring. Het standpunt van de Minister van Justitie, namelijk dat [eiseres] conform artikel 3 sub f LTU in aanmerking komt voor een verklaring van rechtswege, is volgens [eiseres] in strijd met het Matos-vonnis.

[Eiseres] heeft spoedeisend belang bij haar vorderingen omdat zij zonder een gerechtelijk oordeel Curaçao niet durft te verlaten terwijl zij graag naar Nederland wil om een onlangs geboren nichtje te bezoeken. Zij is bang om bij terugkeer door de douane te worden tegengehouden. Voorts wil [eiseres] zich zo spoedig mogelijk inschrijven bij de Burgerlijke Stand opdat zij kan beschikken over een sedula, legaal kan werken en toegang kan krijgen tot sociale zorg en andere praktische zaken zoals een bankrekening, aldus steeds [eiseres].

3.3.

Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Akte vermeerdering van eis

4.1.

De in de akte wijziging c.q. vermeerdering van eis vervatte eiswijziging van [eiseres] wordt buiten beschouwing gelaten, nu de akte in strijd met artikel 109 Rv jo. artikel 57 Procesreglement 2016 niet de werkdag voorafgaande aan de zitting vóór 14.00 uur is ingediend.

Spoedeisend belang

4.2.

Voor toewijzing van de vordering in dit kort geding is om te beginnen vereist dat sprake is van spoedeisend belang. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering en de stellingen van [eiseres]. Met [eiseres] is het Gerecht van oordeel dat zij belang bij heeft om op korte termijn duidelijkheid te krijgen omtrent haar verblijfstitel met alle praktische gevolgen van dien.

Bevoegdheid Gerecht

4.3.

[Eiseres] heeft zich ten aanzien van de primaire vorderingen op het standpunt gesteld dat in dit geschil de civiele rechter rechtsbescherming kan bieden nu de juridische grondslag van het primair gevorderde gelegen is in de onrechtmatigheid van de Minister van Justitie die de LTU uitvoert. Volgens [eiseres] is de juridische grondslag niet gelegen op het bestuurlijke terrein aangezien de bestreden beslissing van de Minister van Justitie geen beschikking is in de zin van artikel 3 LAR. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de uitspraken van het Hof van Justitie van 5 juni 2006 (ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1012) en van 24 januari 2014 (ECLI:NL:OGHACMB:2014:76). In de eerst genoemde uitspraak is bepaald dat een verklaring van de minister dat de LTU niet op betrokkene van toepassing is (een NVT-verklaring), geen beschikking is in de zin van de LAR. In de tweede uitspraak is bepaald dat een verklaring van de minister omtrent de toelating van rechtswege evenmin een beschikking is in de zin van de LAR. Kernoverweging was steeds dat die verklaringen niet gericht zijn op enig rechtsgevolg. De afwijzende beslissing van de Minister van Justitie op de aanvraag van [eiseres] om een NVT-verklaring af te geven, is gelet op hetgeen hierboven is vermeld, geen beschikking aangezien het ook niet op enig rechtsgevolg is gericht, aldus steeds [eiseres].

4.4.

Het Land heeft zich in dit verband ook op het standpunt gesteld dat de weigering van de Minister van Justitie om een NVT-verklaring te verstrekken niet is gericht op enig rechtgevolg. Volgens het Land betreft het hier slechts een mededeling van de Minister van Justitie waarin artikel 1 LTU is weergegeven, zodat in beginsel de civiele rechter rechtsbescherming kan bieden. Het Land heeft evenwel ter zitting verklaard dat alle afwijzende beslissingen van de Minister van Justitie in de sfeer van de LTU een bestuursrechtelijke rechtsmiddelenclausule bevatten. Volgens het Land is het wenselijk dat afwijzende beslissingen van de Minister van Justitie in de sfeer van de LTU aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd.

4.5.

Ten aanzien van het onderhavig geschil is er voor de civiele rechter alleen een rol als restrechter. Indien dus een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat is de weg naar de civiele rechter in beginsel afgesloten.

4.6.

Met partijen en in lijn met voorgaande uitspraken van het Hof van Justitie, is het Gerecht van oordeel dat de beslissing van de Minister van Justitie, hierboven genoemd onder 2.6., een zogenoemd bestuurlijk rechtsoordeel betreft. De Minister van Justitie heeft daarin zijn oordeel gegeven over de toepasselijkheid van een publiekrechtelijk voorschrift, waarvan de toepassing tot zijn bevoegdheid behoort (vgl. HvJ 24 januari 2014, ECLI:NL:OGHACMB:2014:76). Dit leidt er in principe toe dat een rechtsgang bij de burgerlijke rechter open staat nu de bestreden beslissing niet is gericht op enig rechtsgevolg en dus geen beschikking behelst in de zin van de LAR.

4.7.

Echter, zoals in het verleden eveneens door het Hof van Justitie overwogen, is een bestuurlijk rechtsoordeel onder omstandigheden voor bezwaar vatbaar. En dergelijke omstandigheden doen zich hier voor.

4.8.

Artikel 8 van het Toelatingsbesluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. In verband met het passagiersverkeer zal de autoriteit die bevoegd is tot het verlenen van vergunningen tot verblijf of tijdelijk verblijf op verzoek van belanghebbenden de volgende verklaringen afgeven:

1e. (…)

2e. aan personen op wie de Landsverordening toelating en uitzetting niet van toepassing is of aan personen die van rechtswege toelating tot verblijf hebben: een verklaring waaruit van deze of gene status blijkt.

2. De modellen van de in het eerste lid bedoelde verklaringen worden door de Minister van Justitie vastgesteld.

Uit voorgaande blijkt dat een NVT-verklaring op verzoek van de belanghebbende door de Minister van Justitie wordt afgegeven. Daarvoor zijn speciale aanvraagformulieren door de Minister van Justitie ontwikkeld. De aanvragen worden pas in behandeling genomen nadat de daarvoor verschuldigde leges aan de Toelatingsorganisatie Curaçao zijn betaald. Deze gang van zaken is door het Land ter zitting bevestigd. Daar komt bij dat de bestuursrechter bevoegd is kennis te nemen van beroepen tegen krachtens de LTU gegeven beschikkingen, waaraan een oordeel van de Minister van Justitie omtrent de vergunningplicht ingevolge de LTU van betrokkenen ten grondslag ligt. Onder deze omstandigheden is het aangewezen dat de bestuursrechter ook kennis kan nemen van een beroep tegen een afwijzende beslissing op een aanvraag om een NVT-verklaring, hetgeen door [eiseres] als ‘logischer’ en het Land als ‘wenselijk’ is bestempeld.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] zich kan wenden tot de bestuursrechter aangaande het primair gevorderde. Deze weg is ook ingeslagen nu zij een pro-forma beroepschrift heeft ingediend. [eiseres] zal derhalve op grond van het voorgaande niet ontvankelijk worden verklaard in haar primaire vorderingen in kort geding.

4.10.

Voor wat betreft de subsidiaire vorderingen worden deze bij gebrek aan feitelijke grondslag afgewezen. Het Land heeft ter zitting onweersproken aangevoerd dat zij nooit aan rijksgenoten de toegang tot Curaçao heeft geweigerd en [eiseres] dus ook weer toegang zal verlenen, terwijl [eiseres] onvoldoende heeft gesteld op grond waarvan zij meent dat zij niet vrijelijk Curaçao kan inreizen.

4.11.

De proceskosten komen voor rekening van [eiseres] met dien verstande dat geen salaris van de gemachtigde wordt geliquideerd aangezien de gemachtigde in dienst is van het Land.

5 De beslissing

Het Gerecht:

Rechtdoende in kort geding:

- verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in haar primaire vorderingen;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. van der Bunt en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.