Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:120

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
BBZ nr. CUR201400404
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verzuimboete wegens te late indiening van de aangifte is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Bij een 5de verzuim hoort een boete van Naf. 2.500,-. Het Gerecht oordeelt dat de door de Inspecteur opgelegde boete passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 25 oktober 2016

BBZ nr. CUR201400404

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X N.V., gevestigd te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 27 juni 2014 voor het jaar 2012 een aanslag in de winstbelasting opgelegd naar een belastbare winst van nihil en een verzuimboete van Naf. 2.500.

1.2

Belanghebbende is op 22 juli 2014 is tegen de boete in bezwaar gekomen.

1.3

Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2014 is het bezwaar afgewezen.

1.4

Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar op 10 december 2014 in beroep gekomen. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) uitgenodigd tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband zijn op 15 juni 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen A. LLM en namens belanghebbende B. en C. Belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.6

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder mondelinge behandeling van de zaak.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar een voorlopige aangifte ingediend en uitstel gevraagd voor de indiening van de aangifte. Dit verzoek is afgewezen. Belanghebbende heeft de aangifte op 19 augustus 2013, derhalve te laat ingediend. Voor de jaren daarvoor zijn aan belanghebbende ook verzuimboeten opgelegd wegens het niet of niet tijdig doen van de aangifte. De Inspecteur heeft een boeteaanslag opgelegd ten bedrage van Naf. 2.500.

2.2

Uit de door de Inspecteur overgelegde screenprint met motivering van de aanslag is – voor zover van belang - het volgende vermeld:

“ (…)Deze aanslag wordt opgelegd omdat u niet tijdig uw definitieve aangifteformulier en/of biljet heeft ingediend. De boete is een verzuimboete en opgelegd conform de bepalingen in de Algemene landsverordening Landsbelastingen en het hierop gebaseerde boetebeleid. De Boete bedraagt Naf. 250 bij een eerste verzuim, Naf. 500 bij een tweede verzuim, Naf. 1.000 bij een derde verzuim, Naf. 1.500 bij een vierde verzuim en Naf. 2.500 bij een vijfde of volgend verzuim. (…)”

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of de boete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

3.2

Belanghebbende voert – samengevat- aan dat de boete moet vervallen omdat er een wanverhouding bestaat tussen het gepleegde feit en de boete. Zij wijst daarbij op de omstandigheid dat zij een verzoek om uitstel van indiening van de aangifte heeft gedaan, dat zij getracht heeft om een afspraak te krijgen met de Inspecteur in verband met onder andere de invulling van het aangifteformulier, dat het bedrijf geen inkomsten heeft, verliezen draait en geen liquide middelen heeft om de boeten te betalen, dat zij voor de jaren 2009 tot en met 2011 ook verzuimboeten heeft belopen en een bedrag van Naf. 8.000 aan boeten nog moet betalen.

3.3.

De Inspecteur voert aan dat de boete terecht is opgelegd omdat belanghebbende stelselmatig niet aan haar verplichtingen voldoet. Voorts is niet gebleken dat het niet aan belanghebbende is te wijten dat de aangifte te laat is ingediend.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Ingevolge artikel 18, lid 2 van de ALL vormt het niet/niet tijdig doen van aangifte van een aangiftebelasting een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste Naf. 2.500. Deze bepaling is uitgewerkt in artikel 4.4 van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht, P.B. 2013/63, (Regeling).

Artikel 4.4 van de Regeling luidt als volgt:

1. Indien de belastingplichtige de aangifte voor een belasting welke bij wege van aanslag wordt geheven niet of niet tijdig heeft gedaan, legt de Inspecteur in geval van een:

  1. eerste verzuim een boete op van NAF. 250,-;

  2. tweede verzuim een boete op van NAF. 500,-;

  3. derde verzuim een boete op van NAF. 1.000,-;

  4. een vierde verzuim een boete op van NAF. 1.500,-

2. Indien de belastingplichtige stelselmatig niet voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, legt de Inspecteur een boete op van maximaal NAF. 2.500,-.

3. Het eerste en tweede lid zijn ook van toepassing indien de belastingplichtige de aangifte voor de winstbelasting welke ingevolge Hoofdstuk II van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 op aangifte moet worden voldaan niet of niet tijdig heeft gedaan. (…)

4.2

De Inspecteur heeft de bewijslast met betrekking tot de (hoogte van) de opgelegde boete. Uit de vaststaande feiten blijkt dat te laat aangifte is ingediend. De Inspecteur was derhalve bevoegd een boete op te leggen. Over de hoogte van de boete oordeelt het Gerecht als volgt. Uit hetgeen vermeld is in 2.2 volgt dat aan belanghebbende een boete van Naf. 2.500 is opgelegd omdat sprake is van een vijfde of volgend verzuim. De Inspecteur heeft nadien in haar verweerschrift aangevoerd dat belanghebbende stelselmatig niet voldoet aan haar verplichtingen hetgeen door belanghebbende wordt bestreden. Ter beoordeling van de aangifteverzuimenreeks heeft het Gerecht de Inspecteur, na de zitting verzocht om afschriften te overleggen van de boeteaanslagen die voorafgaand aan het jaar 2012 in verband met niet/niet tijdige indiening van de aangifte zijn opgelegd. De Inspecteur heeft bij brief van 19 september 2016 een brief met bijlagen overgelegd. De brief en de bijlagen zijn bij deze uitspraak gevoegd. Uit de door de Inspecteur overgelegde informatie leidt het Gerecht af dat belanghebbende in de jaren 2008 tot en met 2011 in verzuim is geweest met de indiening van haar aangiften.

4.3

Nu het vast staat dat belanghebbende laat was met de aangifte voor het onderhavige jaar, en ook voor de jaren 2008 tot en met 2011 niet tijdig een aangifte heeft ingediend, moet ingevolge de Regeling een boete worden opgelegd overeenkomstig een vijfde verzuim. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de Inspecteur terecht geconcludeerd dat belanghebbende bij het vijfde verzuim stelselmatig niet voldoet aan haar verplichtingen. Daarbij hoort volgens artikel 4.4 van de Regeling een boete van Naf. 2.500.

4.4

Belanghebbende heeft voorts aangevoerd dat de boete moet vervallen. Een verzuimboete dient bij afwezigheid van alle schuld (avas) achterwege te blijven. Gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is. De verzuimboete is bedoeld om de belastingplichtige, die te laat aangifte heeft gedaan, zoals belanghebbende, in te scherpen dat zij haar administratieve verplichtingen volledig behoort na te komen. Naar het oordeel van het Gerecht is er tussen de ernst van het feit en de boete geen wanverhouding aanwezig. Dat belanghebbende financieel niet in staat is om de boete te betalen is niet aannemelijk geworden. Daartoe zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Het Gerecht acht de boete passend en geboden, zodat moet worden beslist zoals hieronder is vermeld.

5 BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Jansen, voorzitter, mr. drs. M.M. de Werd en mr. W.C.E. Winfield, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).