Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:111

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
31-10-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
BBZ nr. CUR2014400398, voorheen 71688 van 2014
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd van Afl. 500 wegens het te laat betalen van de winstbelasting. Belanghebbende stelt dat deze boete buitenproportioneel is. Het Gerecht oordeelt dat de door belanghebbende genoemde omstandigheden er niet toe leiden dat er sprake is van een buitenproportionele boete en acht de opgelegde boete passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak van 31 oktober 2016

BBZ nr. CUR2014400398, voorheen 71688 van 2014

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

X N.V., gevestigd te Curaçao,

belanghebbende

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN,

De Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Op 26 juni 2013 heeft belanghebbende de aangifte winstbelasting over het jaar 2012 ingediend. Het te betalen bedrag aan winstbelasting bedraagt volgens de aangifte Naf. 1.812.

1.2

Op 9 juli 2013 heeft belanghebbende de verschuldigde winstbelasting betaald.

1.3

Aan belanghebbende is met dagtekening 27 juni 2014 een naheffingsaanslag winstbelasting opgelegd over het jaar 2012 van Naf. 1.812 met een verzuimboete van Naf. 500 wegens het niet tijdig doen van de betaling.

1.4

Belanghebbende is op 14 juli 2014 tijdig tegen de aanslag en de boete in bezwaar gekomen.

1.5

Met dagtekening 31 oktober 2014 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en de aanslag en de boete gehandhaafd.

1.6

Belanghebbende is op 30 december 2014 tijdig in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar. De Inspecteur heeft op 11 juni 2016 een verweerschrift ingediend.

1.7

Met dagtekening 31 juli 2015 heeft de Inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd tot nihil en de boete in stand gelaten. Nu de naheffingsaanslag winstbelasting is verminderd naar nihil, is het beroep in zoverre niet- ontvankelijk.

Partijen zijn overeenkomstig artikel 10 Landsverordening op het beroep in belastingzaken (hierna: LBB) opgeroepen tot het verstrekken van inlichtingen. In dat verband is op 15 juni 2016 te Willemstad namens de Inspecteur verschenen A LLM. Namens belanghebbende is verschenen Ir B, directeur van belanghebbende.

1.8

Ter comparitie heeft belanghebbende een pleitnota overhandigd.

1.9

Partijen hebben overeenkomstig artikel 8b van de LBB schriftelijk toestemming gegeven om de mondelinge behandeling van de zaak achterwege te laten.

2 GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In geschil is de verzuimboete van Naf. 500. Belanghebbende stelt dat de opgelegde boete buiten proportioneel is. De Inspecteur stelt dat een boete van Naf. 500 gepast is, nu het een tweede verzuim betreft wegens het niet tijdig doen van de betaling.

Niet in geschil is dat belanghebbende te laat heeft betaald heeft en sprake is van een verzuim.

3 BEOORDELING VAN HET BEROEP

3.1

Nu belanghebbende de verschuldigde belasting te laat heeft betaald is ingevolge artikel 19, lid 1 van de Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) sprake van een verzuim ter zake waarvan de Inspecteur een boete kan opleggen van ten hoogste Naf.10.000.

3.2

De Inspecteur heeft zich bij het opleggen van de boete gebaseerd op de verzuimenreeks van het tot Hoofdstuk IV behorende artikel 4.6. van de Ministeriële regeling formeel belastingrecht (hierna: regeling). In Hoofdstuk IV van de regeling is het boetebeleid vastgelegd waaraan de Inspecteur zich bij het opleggen van boetes moet houden. In artikel 4.3 van de regeling is bepaald dat de Inspecteur bij het opleggen van een verzuimboete voor de winstbelasting rekening moet houden met het aantal keren dat in de voorafgaande vier belastingjaren een verzuim is geconstateerd. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende ook met betrekking tot het belastingjaar 2008 in verzuim is geweest, zodat zij terecht is uitgegaan van een tweede verzuim. Ingevolge artikel 4.6, lid 2 onderdeel b van de regeling legt de Inspecteur bij een tweede verzuim een boete op van 10% van het bedrag van de naheffingsaanslag met een minimum van Naf. 500. Door het opleggen van een verzuimboete van Naf. 500 heeft de Inspecteur aldus de regeling op juiste wijze toegepast.

3.3

Volgens belanghebbende is een verzuimboete van Naf. 500 buitenproportioneel, aangezien belanghebbende tijdig aangifte heeft gedaan, slechts negen dagen te laat is met betalen en gezien het relatief geringe te betalen bedrag aan winstbelasting. Het Gerecht overweegt hierover als volgt. De verzuimboete is bedoeld om de belastingplichtige, die zoals belanghebbende te laat heeft betaald, in te scherpen dat zij betalingstermijnen volledig dient na te komen. De door belanghebbende genoemde omstandigheden leiden er naar het oordeel van het Gerecht niet toe dat sprake is van een buitenproportionele boete. Het Gerecht acht de opgelegde boete passend en geboden.

3.4

Belanghebbende heeft nog een aantal andere punten aangevoerd, maar die zien niet op de hoogte van de boete of de naheffingsaanslag zodat het Gerecht die punten buiten beschouwing laat.

3.5

Gelet op het voorgaande is het beroep dat gericht is tegen boete ongegrond.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht

-verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag winstbelasting over het jaar 2012 niet- ontvankelijk; en

-verklaart het beroep tegen de boete ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. D.J. Jansen en mr. W.C.E. Winfield, leden en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 17a, eerste lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht overeenkomstig artikel 14, derde lid. De instelling van het hoger beroep geschiedt door persoonlijke indiening bij dan wel toezending aan de griffier van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 17b, tweede lid Landsverordening op het beroep in belastingzaken).