Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:103

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
AR KG 79364/2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geldvordering in kort geding. Beroep op verrekening gepasseerd met toepassing van art. 6:136 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/3112

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis

in het kort geding van:

QUALITY RENTAL TOOLS & EQUIPMENT N.V.,

gevestigd te Curaçao,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. V.P. Maria,

tegen

CURACAOSE DOK MAATSCHAPPIJ N.V.

gevestigd te Curacao,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. J.A.M. Burgers.

Partijen worden hierna Quality en CDM genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Quality heeft op 20 juni 2016 een verzoekschrift ingediend.

1.2

Op 11 augustus 2016 heeft CDM stukken overgelegd en een reconventionele vordering aangekondigd.

1.3

Het kort geding is behandeld ter zitting van 12 augustus 2016, waarbij namens partijen is verwezen naar op voorhand overgelegde producties en waarbij pleitnotities zijn overgelegd.

1.4

Vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

Partijen zijn op 27 januari 2010 een overeenkomst huurovereenkomst aangegaan, op grond waarvan Quality vorkheftrucks aan CDM heeft verhuurd. Quality heeft uit dien hoofde een vordering op CDM van in hoofdsom NAf 120.153,93 (NAf. 78.714,02 aan achterstallige huurpenningen en NAf 41.439,91 wegens aan de vorkheftrucks toegebrachte schade).

2.2.

Partijen zijn voorts op 15 december 2011 een huurovereenkomst aangegaan met betrekking tot door Quality aan CDM te verhuren hoogwerkers. Deze overeenkomst is door CDM bij brief van 14 oktober 2015 opgezegd, waardoor zij per 1 januari 2016 is beëindigd.

2.3

Bij e-mailbericht van 31 december 2015 heeft CDM Quality bericht dat zij aanspraak maakt op door Quality uit hoofde van de huurovereenkomst met betrekking tot de hoogwerkers verbeurde boetes van in totaal NAf. 184.687,37.

3 De vorderingen

3.1

Quality vordert, samengevat, veroordeling van CDM tot betaling van NAf 120.153,93 terzake de huurovereenkomst met betrekking tot de vorkheftrucks, te vermeerderen met de contractuele rente en met buitengerechtelijke kosten.

3.2

CDM vordert in reconventie, samengevat, veroordeling van Quality tot betaling van NAf 64.533, terzake de huurovereenkomst met betrekking tot de hoogwerkers, zijnde het bedrag dat resteert na verrekening van haar vordering op Quality terzake de boetes met de vordering van Quality op CDM terzake de vorkheftrucks.

4 De beoordeling

in conventie

4.1

De vordering van Quality met betrekking tot de vorkheftrucks is door CDM niet anders betwist dan met een beroep op verrekening.

4.2

Artikel 6:136 BW bepaalt dat de rechter een vordering ondanks een beroep op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.

4.3

Zoals hierna bij de beoordeling in reconventie blijkt, is de door CDM gestelde tegenvordering niet eenvoudig vast te stellen. In de omstandigheden van het geval acht het Gerecht het bovendien redelijk toepassing te geven aan artikel 6:136 BW en het verrekeningsverweer van CDM te passeren. In de eerste plaats geldt dat de vordering van Quality tussen partijen vaststaat. Voorts heeft Quality gedurende de looptijd van de huurovereenkomsten herhaaldelijk bij CDM aangedrongen op betaling van achterstallige bedragen en heeft CDM blijkens de als productie 25 overgelegde e-mailcorrespondentie nog in juli 2015 beterschap beloofd en om een korting en een betalingsregeling gevraagd. Daarbij werd door CDM geen melding gemaakt van enige tegenvordering terzake boetes, terwijl die volgens het door CDM vanaf december 2015 ingenomen standpunt reeds vanaf mei 2015 door Quality zouden zijn verbeurd. Ook weegt mee dat CDM wat betreft haar betwiste tegenvordering zich afwachtnd lijkt te hebben opgesteld en pas daags voor de behandeling van dit kort geding - door aankondiging van haar reconventionele vordering – er werk van heeft gemaakt om haar betwiste tegenvordering in rechte te laten beoordelen. Ten slotte weegt mee dat Quality met onder meer verwijzing naar een brief van haar huisbankier aannemelijk heeft gemaakt dat het uitblijven van betaling door CDM een zware wissel trekt op haar cashflow en bedrijfsvoering, en dat niet gezegd kan worden dat de vrees van Quality voor de verhaalbaarheid van haar vordering, die zij baseert op het betalingsgedrag van CDM en op de publiciteit over CDM, ongerechtvaardigd is.

4.4

Hetgeen onder 4.3 is overwogen brengt mee dat aan de criteria voor toewijzing van een geldvordering in kort geding – waaronder spoedeisend belang - is voldaan.

4.5

De vordering van Quality zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. De buitengerechtelijke kosten zullen worden vastgesteld op basis van het bepaalde in artikel 136 sub III Procesreglement 2016 (1 ½ punt van het liquidatietarief voor de eerste aanleg).

in reconventie

4.6

CDM baseert haar vordering primair op artikel 5 van de huurovereenkomst met betrekking tot de hoogwerkers, welk artikel bepaalt dat indien een hoogwerker voor meer dan vier uur niet beschikbaar is wegens slijtage, reiniging of onderhoud - ook indien dit te wijten is aan CDM - Quality zal voorzien in een vervangende hoogwerker, op straffe van een boete. CDM beroept zich in dit kader ook op artikel 4 van die overeenkomst, waarin haar algemene inkoopvoorwaarden van toepassing zijn verklaard, uit welke voorwaarden volgt dat Quality bij niet-nakoming van rechtswege in verzuim is en dat Quality geen beroep kan doen op afstand van recht.

4.7

De vordering van CDM is niet toewijsbaar. Gelet op het door Quality daartegen gevoerde verweer kan niet in de voor toewijzing van een geldvordering in kort geding vereiste mate aannemelijk worden geacht dat CDM’s vordering in een bodemprocedure (gedeeltelijk) zal worden toegewezen.

4.8

Daargelaten dat Quality heeft bestreden dat de algemene voorwaarden waarnaar CDM verwijst van toepassing zijn, heeft Quality gemotiveerd aangevoerd dat het beroep van CDM op de door haar genoemde contractuele (boete)bepalingen in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Quality noemt als omstandigheden onder meer, samengevat:

a. a) de uitval van hoogwerkers was voor een groot deel te wijten aan hardnekkig verkeerd gebruik door CDM van de hoogwerkers, in weerwil van duidelijke tekst en uitleg door Quality bij onder meer een gehouden presentatie in januari 2015, welk verkeerd gebruik onder meer bestond uit het benedenwinds werken met “grit”, in plaats van bovenwinds.

b) CDM heeft pas voor het eerst in december 2015, toen de overeenkomst al opgezegd was en er moest worden afgerekend, melding gemaakt van en aanspraak gemaakt op boete.

c) CDM heeft haar eigen contractuele verplichting tot het reinigen (gritvrij maken) van de hoogwerkers veelvuldig verzaakt, wat uitval van de hoogwerkers tot gevolg heeft gehad.

d) CDM was zelf structureel in gebreke met haar betalingsverplichtingen jegens Quality;

e) CDM had er geen bezwaar tegen dat Quality uitgevallen hoogwerkers gaandeweg niet langer verving; tussen partijen bestond integendeel de stilzwijgende overeenstemming dat CDM zaken ging doen met een andere verhuurder van hoogwerkers, zijnde het bedrijf met wie zij na de beëindiging van de huurovereenkomst met Quality in zee is gegaan.

4.9

Deze omstandigheden, waarvan op voorhand niet geoordeeld kan worden dat die niet overeenstemmen met de feitelijke gang van zaken, zouden in de bodemprocedure tot aanvaarding van het verweer van Quality kunnen leiden.

4.10

De subsidiaire stelling van CDM dat zij dan toch in ieder geval haar werkelijke schade als gevolg van de niet-nakoming door Quality op Quality zal kunnen verhalen, kan in dit kort geding niet tot een ander oordeel leiden. Ook bij die grondslag kunnen de door Quality genoemde omstandigheden, indien die komen vast te staan, in de weg staan aan toewijzing van CDM’s vordering.

4.11

Gelet op het voorgaande zal de vordering van CDM worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

4.12

CDM zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5 De beslissing

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

in conventie

5.1

veroordeelt CDM aan Quality te betalen NAf 120.153,93, te vermeerderen met 0,5% rente per maand te rekenen vanaf de vervaldatum van de betreffende facturen tot de dag der algehele voldoening, alsmede vermeerderd met NAf 3.000 aan buitengerechtelijke kosten;

5.2

veroordeelt CDM in de kosten van het geding, aan de zijde van Quality begroot op NAf 488,50 aan oproepingskosten, NAf 1.200 aan griffierecht en NAf 1.500 voor gemachtigdensalaris, alles bij niet-voldoening te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;

5.3

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

5.5

wijst af het gevorderde;

5.6

veroordeelt CDM in de kosten van het geding, aan de zijde van Quality begroot op NAf 750 voor gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.