Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2016:101

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
AR 70323/2014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens handelen in strijd met goed werknemerschap. Oneerlijke concurrentie.

Beveiligingsbedrijf, dat sedert het begin van het Curaçao North Sea Jazz Festival (CNSJ) de beveiliging van het festival verzorgde, krijgt de opdracht daartoe in 2014 niet, omdat haar de facto directeur verdachte is in de zaak van de moord op de politicus H. Wiels. De opdracht is verleend aan twee ex werknemers van het bedrijf. Die twee werknemers hadden eerder tegenover de politie verklaringen over de directeur afgelegd. Volgens het beveiligingsbedrijf hebben zij leugenachtige verklaringen afgelegd, als

gevolg waarvan de directeur verdachte is geworden en zijn zij daarom aansprakelijk voor de schade die het bedrijf lijdt door het mislopen van de opdracht van het CNSJ.

Beveiligingsbedrijf moet bewijzen(a) het causale verband tussen de verklaringen en de aanmerking van de directeur als verdachte en (b) dat de verklaringen leugenachtig zijn afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschappen

  1. Speedy Armoured Services N.V. en

  2. Speedy Security Group N.V.,

beide gevestigd in Curaçao,

eiseressen,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

tegen

1 Gwendly [gedaagde sub 1],

2. Angelo [gedaagde sub 2], mede h.o.d.n Titan Security, en

3. Dion Edmund [gedaagde sub 3], mede h.o.d.n. Aion Security,

allen wonende in Curaçao,

gedaagden,

gemachtigde: mr. A.V. G. Rooijer

Eiseressen zullen, behalve met hun eigen naam, gezamenlijk ook worden aangeduid als Speedy. Gedaagden zullen (ook) worden aangeduid als respectievelijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], Titan, [gedaagde sub 3] en Aion.

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit

  1. het inleidend verzoekschrift met producties, op 29 september 2014 ter griffie ingediend;

  2. de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 8 december 2014, met producties;

  3. de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie van 15 juni 2015, met producties;

  4. de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie van 2 november 2015;

  5. de conclusie van dupliek in reconventie tevens akte tot wijziging van eis van 14 maart 2016, met producties;

  6. vervolgens is vonnis bepaald, maar is de zaak daarna opnieuw naar de rol verwezen om gedaagden in de gelegenheid te stellen te reageren op de verzochte wijziging van eis door eisers;

  7. gedaagden hebben een akte uitlating producties tevens antwoordakte-eiswijziging genomen;

  8. vervolgens is andermaal vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

In deze zaak kan op grond van wat enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend dan wel niet of niet voldoende is betwist, van het volgende worden uitgegaan.

2.2.

Totdat hij in 2010 minister van financiën werd was [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) directeur van Speedy. Sinds zijn aftreden als minister in 2012 is hij ‘security consultant’ van Speedy.

2.3. [

[Gedaagde sub 1] was blijkens zijn arbeidsovereenkomst sedert 1 juli 2009 bij Speedy Armoured Services N.V. in dienst als Manager Geldtransport. Zijn bruto salaris bedroeg NAf. 3.800, - per maand, met dien verstande dat het salaris “bij een positieve evaluatie (…) jaarlijks met 5% (zou worden) verhoogd”. De arbeidsovereenkomst bepaalt verder onder meer:

Artikel: 12 geheimhoudingen

de werknemer is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem/haar, bij de uitvoering van de werkzaamheden uit hoofde van deze overeenkomst, ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit (de) aard der zaak volgt of hem/haar uitdrukkelijk is opgelegd. Deze verplichting bestaat niet tegenover hem/haar, aan wie de werknemer onmiddellijk rapporteert, noch in zoverre zij door een boven haar gestelde van die verplichting tot geheimhouding is ontheven.

2.4. [

[gedaagde sub 2] was blijkens zijn arbeidsovereenkomst sedert 27 juli 2013 voor bepaalde tijd tot 26 juli 2014 bij “Speedie” Services Group N.V. in dienst als bewaker. Zijn bruto salaris bedroeg NAf. 2.500, - per maand. Op de arbeidsovereenkomst was een reglement van toepassing, waarvan [gedaagde sub 2] bij ondertekening verklaard heeft een exemplaar te hebben ontvangen.

2.5.

Voorts zijn door Speedy overgelegd de ‘Reglanan i Stipulashonan di Servisio pa Empleadonan di Speedy Security Group N.V.’. Deze schrijven onder ‘4. Obligashonan di e Empleado’ onder meer voor:

“E. E empleado ta obligá na warda sekreto di kualke informashon di e kompania di e Doño di trabou òf di e klientenan, a menos ku e lei bisa lo kontrario.

E empleado lo no por fungi komo testigu den ningun kaso di lei pa duna informashon tokante e Doño di trabou òf su klientenan (…)”

“F. E empleado ta obligá na notifiká e Doño di Trabou (…) di kualke dagvaarding òf kaso entamá den korte (…)

(…)

“I. No ta permití pa e empleado (…) durante di e kombenio di trabou sea si esaki wòrdu paga òf no, pa tin un bei djòp òf kohe djòp of hasi negoshi”

2.6.

In verband met de moord op de politicus Helmin Wiels (hierna: Wiels) op 5 mei 2013 hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 1 mei 2014 en op 5 mei 2014 tegenover de politie verklaringen afgelegd over het doen en laten van o.a. [betrokkene 1].

2.7.

De verklaring van [gedaagde sub 1] hield onder meer in, dat hij, nadat [betrokkene 1] in 2012 was afgetreden als minister, gedurende anderhalf jaar bijna wekelijks op vrijdag en soms op maandag bedragen van NAf. 25.000,- en NAf. 30.000,-, niet bestemd voor salarisbetalingen, moest ophalen bij de bank. Hij gaf dat geld aan [betrokkene 1] persoonlijk af, of als deze er niet was legde hij het in een enveloppe in een la van diens bureau. Regelmatig kwam `[naam betrokkene 3] [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) bij [betrokkene 1] op bezoek en kreeg dan geld van hem. Nadat [betrokkene 3] was aangehouden en gevangen was gezet placht diens broer te komen om geld te halen. Ook bracht [betrokkene 1] veel geld naar het buitenland. [gedaagde sub 1] had gehoord dat [betrokkene 1] met [betrokkene 2] een bedrijf in Miami opzette. Voorts heeft [gedaagde sub 1] diverse politici op het kantoor van [betrokkene 1] waargenomen en heeft hij horen zeggen dat [betrokkene 1] Speedy wilde verkopen voor 8,4 miljoen.

2.8.

De verklaring van [gedaagde sub 2] hield (samengevat) in:

Op de dag dat [betrokkene 1] in december 2013 door de politie was verhoord had hij [gedaagde sub 2] opgedragen een rapport op te maken. [betrokkene 1] vroeg hem of hij nog wist dat [betrokkene 3] met drie mannen op kantoor was geweest om te solliciteren en dat hij dat op papier moest zetten. [gedaagde sub 2] herinnerde zich echter dat hij maar voor twee van deze mannen een sollicitatieformulier had moeten invullen. [betrokkene 1] had hem dus opdracht gegeven om te liegen. Hij had er met [gedaagde sub 1] over gesproken, die had gezegd dat hij het rapport niet zou moeten opmaken, omdat hij hiermee in de problemen zou komen. Hij wilde het rapport ook niet opmaken maar was uiteindelijk voor de druk van [betrokkene 1] gezwicht, omdat hij bang was dat, als hij het niet zou doen, hij zijn baan zou kwijtraken. Hij had na de moord op Wiels ook enkele keren politieke vrienden van [betrokkene 1] op kantoor gezien ([betrokkene 2], [vriend 1], [vriend 2]) en dat die mensen ook een keer bij [betrokkene 1] waren toen [betrokkene 3] daar was.

2.9.

Sedert het begin van het jaarlijkse Curaçao North Sea Jazz Festival (hierna: CNSJ) werd Speedy steeds gecontracteerd om de veiligheid en de bewaking rondom het Festival te verzorgen, zulks tegen een vergoeding van NAf. 120.000, -.

2.10.

Ook in 2014 waren met het oog op het komende CNSJ onderhandelingen gaande tussen Speedy en de organisatoren. Bij brief van 5 augustus 2014 werd Speedy van de kant van de organisatie van het CNSJ echter als volgt bericht:

“Due to recent developments linked to your company we have decided to let another company handle security for this coming festival. As a stock listed company, our owner Live Nation Entertainment has strongly advised us not to do business with companies or persons that are subject of legal investigation by local or international authorities”

2.11.

Bij brieven van 30 juli 2014 van Speedy Security Group N.V. zijn zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] op non-actief gesteld wegens het schenden van hun geheimhoudingsplicht.

2.12.

De beveiliging van het CNSJ is in 2014 gegund aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

2.13.

Op 29 augustus 2014 is ten verzoeke van Speedy onder de organisator van het CNSJ, de Stichting Particulier Fonds Bon Intenshon Private Foundation, ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] conservatoir derdenbeslag gelegd.

2.14.

Op 2 september 2014 is ten verzoeke van Speedy onder dezelfde stichting conservatoir derdenbeslag gelegd ten laste van [gedaagde sub 3] (h.o.d.n. Aion Security).

3 Het geschil in conventie

3.1.

De vermeerderde vordering van Speedy luidt:

Ieder van [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], al dan niet handelende onder de naam “Titan” en Titan, alsmede [gedaagde sub 3], al dan niet handelende onder de naam “ Aion”, hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen om, tegen behoorlijk door Speedy af te geven bewijs van kwijting, te betalen de somma van NAf. 120.000,-, alsmede de kosten van incasso van dit bedrag, welke kosten zijn gesteld op NAf. 10.000, - , in de kosten van de door Speedy gelegde beslagen ad NAf. 3.994,64, alsmede de sedert 1 mei 2014, althans 5 augustus 2014, althans 29 augustus 2014, althans 2 september 2014, althans de datum van indiening van dit verzoekschrift, over de genoemde bedragen aangegroeide en na die indiening nog aan te groeien wettelijke renten;

verklaring voor recht dat [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3], zowel ieder afzonderlijk als allen gezamenlijk handelende, jegens Speedy onrechtmatig hebben gehandeld;

[gedaagde sub 2], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de schade, die Speedy, als gevolg van de samenzwering tegen Speedy en de daarin vervatte wanprestatie en/of onrechtmatige daad, heeft geleden, zoals deze schade nog bij staat vastgesteld zal worden om, daarna, volgens de regels van de wet, vereffend te worden, kosten rechtens.

3.2.

Speedy stelt zich op het standpunt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], door hun verklaringen tegenover de politie leugens hebben verkondigd en door het verkondigen van leugens aan het OM en het RST omtrent zeer ernstige strafbare feiten die door hun werkgever, althans door bij hun werkgever betrokkenen, onder wie de directeur van Speedy, zou zijn begaan, teneinde hun werkgever te doen belanden in een strafrechtelijk onderzoek, ook jegens Speedy onrechtmatig hebben gehandeld. Temeer nu zij tot het doen van die onrechtmatige verklaringen zijn overgegaan, om een belangrijke klant van hun ex-werkgever, Speedy dus, weg te kapen voor een eigen nieuw opgezet bedrijf. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn aansprakelijk jegens Speedy voor het gemis van de opdracht om (wederom) voor het CNSJ 2014 de beveiligings- en bewakingsdiensten te verzorgen en het daardoor door Speedy gederfde inkomen. Want zonder die onrechtmatige handelingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou Speedy die opdracht hebben bekomen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren al doende met onderhandelen met de organistoren van het CNSJ toen zij hun verklaringen tegenover de politie aflegden. Zij hadden Titan al opgericht. Op 10 en 14 april 2014 hadden zij het logo voor Titan Security laten ontwerpen en op 1 en 5 mei 2014 zijn zij naar de politie gestapt.

3.3.

Voorts heeft Speedy aangevoerd, dat zij conservatoir derdenbeslag heeft willen leggen onder de Fundashon Bon Intenshon ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], maar dat dit beslag illusoir werd omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met de organisatoren van het 2014 CNSJ hadden samengespannen, door het te doen voorkomen dat Aion ([gedaagde sub 3]), en niet [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] of Titan, de contractspartij van de organisatoren van het festival was. Ook die samenspanning is onrechtmatig, immers Paulianeus, aldus Speedy.

3.4.

Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op dat verweer en op de overige stellingen van partijen komt het gerecht hierna, waar nodig, nog terug.

4 Het geschil reconventie

De vordering van [gedaagde sub 1]

4.1. [

[Gedaagde sub 1] heeft gevorderd bij Speedy vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen:

  1. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen NAf. 17.975,- met wettelijke rente daarover vanaf de dag der indiening van de eis tot en met de dag der algehele voldoening;

  2. te veroordelen tot opheffing van het te zijnen laste gelegde conservatoire derdenbeslag;

  3. te veroordelen in de kosten van het geding.

4.2. [

[Gedaagde sub 1] heeft aangevoerd, dat hij ter gelegenheid van zijn ontslag op 11 augustus 2014, op 22 augustus 2014 een afrekenbrief heeft gekregen, maar dat hij de daarin vermelde bedragen nimmer van Speedy heeft ontvangen. Bovendien, aldus [gedaagde sub 1], kloppen de bedragen aan salaris en vakantiedagen, die in die brief zijn genoemd, niet. Het salaris is te laag. Ook heeft hij nog 30 vakantiedagen tegoed, terwijl Speedy daarnaast geen rekening heeft gehouden met de tussen partijen overeengekomen 5% opslag, die volgens hem per maand heeft te gelden. Op een schriftelijk verzoek om tot betaling over te gaan is door Speedy niet gereageerd, aldus [gedaagde sub 1].

Zijn vordering is als volgt gespecificeerd:

Salaris NAf. 3.800,-

30 dagen vakantie NAf. 3.800,-

Uitkeringspaarfonds NAf. 875,-

5% opslag voor de periode 18 mei 2010

tot en met 18 juli 2014

(50 mnd x (5% van NAf. 3800) NAf. 190, NAf. 9.500,-

Totaal NAf. 17.975,-.

4.3.

Speedy heeft verweer gevoerd. Op haar standpunt en op de overige stellingen van [gedaagde sub 1] komt het gerecht terug in het kader van de beoordeling van het geschil.

De vordering van [gedaagde sub 2]

4.4. [

[Gedaagde sub 2] heeft gevorderd om Speedy bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om binnen 24 uren, nadat de rechter de vordering van [gedaagde sub 2] bij vonnis heeft toegewezen, de Mercury Cougar aan hem terug te geven, zulks onder verbeurte van een dwangsom aan [gedaagde sub 2] van NAf. 500, - per dag of dagdeel dat Speedy niet aan het vonnis voldoet en voorts aan [gedaagde sub 2] te betalen schadevergoeding van NAf. 3.924,- met opheffing van het ten laste van [gedaagde sub 2] gelegde conservatoire derdenbeslag, met veroordeling van Speedy in de proceskosten.

4.5. [

[gedaagde sub 2] heeft in dit verband aangevoerd, dat hij eigenaar is van een auto, een Mercury Cougar, bouwjaar 1999, voorzien van kenteken [nummer]. Die auto heeft hij gekocht met behulp van een lening die Speedy aan hem heeft verstrekt. Met het oog op de terugbetaling van de lening hebben partijen afgesproken dat de keuring en het verzekeringsbewijs op naam van Speedy zal worden gesteld, totdat [gedaagde sub 2] de lening heeft afbetaald. De auto stond op 28 augustus 2014 in de tuin van [gedaagde sub 2] geparkeerd. Speedy heeft die toen zonder enige vorm van proces of document weggenomen. [gedaagde sub 2] heeft daarvan aangifte gedaan bij de politie, maar deze heeft hem verwezen naar de burgerlijke rechter. [gedaagde sub 2] meent dat deze handelwijze van Speedy onrechtmatig is en verlangt schadevergoeding in verband met de huur van een vervangend vervoermiddel om zijn dagelijkse werkzaamheden te verrichten. In de periode 2 september 2014 tot en met 20 november 2014 heeft hij voor NAf. 3.924,- aan huur voor een vervangend voertuig moeten betalen.

4.6.

Speedy heeft verweer gevoerd. Op haar standpunt en op de overige stellingen van [gedaagde sub 2] komt het gerecht terug in het kader van de beoordeling van het geschil.

De vordering van [gedaagde sub 3]

4.7. [

[gedaagde sub 3] heeft gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Speedy te veroordelen om binnen 24 uren nadat het gerecht een vonnis ten voordele van [gedaagde sub 3] heeft uitgesproken, het op 2 september 2014 ten laste van [gedaagde sub 3] gelegde conservatoire derdenbeslag op te heffen, zulks onder verbeurte van een dwangsom ten faveure van [gedaagde sub 3] van NAf. 500,- per dag of dagdeel dat Speedy niet aan het vonnis voldoet, kosten rechtens.

4.8. [

[gedaagde sub 3] heeft in dit verband (samengevat) aangevoerd, dat Speedy ten onrechte ten laste van hem beslag heeft gelegd onder de stichting Particulier Fonds Bon Intenshon Private Foundation op grond dat hij met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zou hebben samengespannen.

4.9.

Speedy heeft verweer gevoerd. Op haar verweer en op de overige stellingen van [gedaagde sub 3] komt het gerecht terug in het kader van de beoordeling van het geschil.

5 De beoordeling van het geschil in conventie

5.1.

Het gerecht stelt voorop dat de in art. 7A:1615d BW neergelegde verplichting van een werknemer om in het algemeen al datgene te doen en na te laten, wat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort te doen en na te laten, volgens vaste rechtspraak meebrengt dat hij in beginsel tegenover zijn werkgever is gehouden tot discretie en loyaliteit. De geheimhoudingsclausule in artikel 12 van de arbeidsovereenkomst van [gedaagde sub 1] is daarmee in overeenstemming. In beginsel zal de werknemer die een misstand in een organisatie aan de orde wil stellen pas vertrouwelijke informatie naar buiten mogen brengen als hem geen andere, voor de werkgever minder schadelijke wegen openstaan, bijvoorbeeld dat de misstand eerst binnen de organisatie van de werkgever wordt aangekaart. In dit geval betrof het echter geen misstand binnen de organisatie, maar een moord op een politicus. Meldingen met het oog op de opsporing behoren bij uitsluiting bij de politie te worden gedaan. Bovendien betrof de verdenking in dit geval niet zomaar een medewerker van de organisatie, maar de (feitelijk) hoogste functionaris binnen de organisatie, te weten [betrokkene 1]. Melding bij hem had niet voor de hand gelegen.

5.2.

Artikel E lid 2 van de ‘Reglanan i Stipulashonan genoemd in 2.4 (E empleado lo no por fungi komo testigu den ningun kaso di lei pa duna informashon tokante e Doño di trabou òf su klientenan (…)”, is nietig voor zover dat een verbod inhoudt om in rechte als getuige op te treden. Immers zijn de empleadonan van Speedy geen geheimhouders en hebben zij geen verschoningsrecht als bedoeld in bijvoorbeeld artikel 144 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of artikel 252 Wetboek van Strafvordering. Zij zijn des gevorderd verplicht als getuige een verklaring af te leggen. Het belang van waarheidsvinding in een burgerlijk proces of strafproces is van hogere orde dan de privacy van clientèle of het zakelijk belang van de werkgever.

5.3.

Mutatis mutandis geldt dit ook voor de geheimhoudingsplicht ex artikel 12 in de arbeidsovereenkomst met [gedaagde sub 1].

5.4.

Uit de verklaringen van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] blijkt, dat zij zich uit gewetensnood tot de politie hebben gewend, toen zij in het gedrag van hun (feitelijke) baas [betrokkene 1] in het licht van de moord op Helmin Wiels dingen waarnamen waar ze grote vraagtekens bij zetten. Gelet op wat hiervoor werd overwogen levert dat niet alleen geen onrechtmatige daad op, maar ook geen wanprestatie. Gedaagden hebben in dit verband overigens met recht gewezen op hun aangifteplicht ex artikel 198 Wetboek van Strafvordering1.

5.5.

Van wanprestatie of een onrechtmatige daad zou wel sprake zijn indien de verklaringen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] leugenachtig waren, waaronder het gerecht verstaat: verklaringen willens en wetens in strijd met de waarheid afgelegd. Speedy, die dit heeft gesteld en bewijs heeft aangeboden, zal zo nodig tot het leveren van dat bewijs worden toegelaten. Dat heeft echter pas zin wanneer komt vast te staan dat de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd, in causaal verband staat met het afleggen van de verklaringen door [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2].

5.6. [

[Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben aangevoerd, dat Speedy niet heeft gesteld of aannemelijk gemaakt dat de onderhandelingen tussen Speedy en CNSJ al zover gevorderd waren dat het voor zeker moet worden gehouden dat Speedy de opdracht voor de beveiliging en bewaking voor 2014 ook zou krijgen. Het enkele feit, dat Speedy in voorgaande jaren het contract had binnengesleept betekent nog niet dat het dit jaar weer zou gelukken, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

5.7.

Op zichzelf is dat juist. Vast staat echter, dat Speedy van meet af aan de beveiliging van het CNSJ heeft verzorgd en dat zij ook in 2014 daarover weer in onderhandeling was met de organisatoren. Het is aannemelijk dat Speedy ook in 2014 de opdracht zou hebben gekregen. In ieder geval zijn door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geen omstandigheden genoemd op grond waarvan er rekening mee moest worden gehouden dat het in 2014 anders zou lopen. Bovendien heeft de organisatie van het CNSJ geen andere grond genoemd om een ander beveiligingsbedrijf te zoeken dan het feit dat [betrokkene 1] subject (was) of legal investigation by local or international authorities. Er is dus voldoende causaal verband tussen enerzijds het strafrechtelijk onderzoek tegen [betrokkene 1] en anderzijds het feit dat de onderhandelingen tussen de organisatie van het CNSJ werden beëindigd.

5.8. [

[Gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben echter ook betwist dat hun tegenover de politie afgelegde verklaringen bij de beslissing van het Openbaar Ministerie om [betrokkene 1] in verband met de moord op Wiels als verdachte aan te merken, van doorslaggevende betekenis zijn geweest. Zij hebben in dat verband gewezen op een schriftelijke verklaring van die strekking van de zaaksofficier van justitie (prod. 3 conclusie van antwoord in conventie). [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat [betrokkene 1] vooral op basis van ander belastend materiaal werd aangehouden. Het gerecht begrijpt die stelling zo dat [betrokkene 1] ook wel als verdachte zou zijn aangemerkt als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun verklaringen niet hadden afgelegd. Gezien die betwisting zal [betrokkene 1] dus eerst moeten bewijzen dat [betrokkene 1] zonder de verklaringen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet als verdachte zou zijn aangemerkt. Vervolgens komt eventueel het bewijs aan de orde dat de verklaringen leugenachtig zijn afgelegd.

5.9.

Het gerecht zal een comparitie van partijen bepalen, zulks voor het verkrijgen van inlichtingen, onder meer over de wijze waarop Speedy het van haar verlangde bewijs wil leveren, alsmede voor het beproeven van een minnelijke regeling.

5.10.

Of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] Speedy concurrentie hebben aangedaan en, zo ja, of die concurrentie al dan niet oneerlijk was, kan hier in het midden blijven, aangezien het causale verband tussen die concurrentie en de schade die Speedy stelt te hebben geleden, ontbreekt. Speedy was het contract met het CNSJ immers sowieso kwijt, niet vanwege die concurrentie, maar vanwege het feit dat [betrokkene 1] subject of legal investigation was geworden. Om die reden doet ook niet ter zake of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] al dan niet nog tijdens hun dienstverband, bezig zijn geweest met het oprichten van een eigen bedrijf. Dit alles staat niet in causaal verband met eventuele schade die Speedy lijdt. Die schade is uitsluitend veroorzaakt door het besluit van de organisatie van het CNSJ om de opdracht tot beveiliging voor 2014 aan Speedy te onthouden.

5.11.

Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden, ook die met betrekking tot de derde gedaagde, [gedaagde sub 3],

6 De beoordeling van het geschil in reconventie

De vordering van [gedaagde sub 1]

6.1.

Speedy heeft aangevoerd, dat het bedrag van de eindafrekening met [gedaagde sub 1], berekend tot 11 augustus 2014, bij haar op kantoor klaar lag, maar dat [gedaagde sub 1] nooit de cheque heeft opgehaald zoals gebruikelijk was met alle salarisbetalingen aan hem. Er is volgens Speedy sprake van schuldeiserverzuim.

6.2.

Speedy betwist het door [gedaagde sub 1] gestelde openstaande aantal vakantiedagen. Volgens haar had hij slechts recht op acht vakantiedagen, die ook in de berekening van de slotbetaling zijn meegenomen.

6.3.

Speedy betwist voorts, dat [gedaagde sub 1] aanspraak heeft op de 5% salarisverhoging per jaar, omdat de voorwaarde voor het ingaan van die verhoging zich niet heeft gematerialiseerd. [gedaagde sub 1] is nooit positief beoordeeld of geëvalueerd, zoals vereist is in artikel vier van de overeenkomst. Ook stelt Speedy, dat [gedaagde sub 1] voor de maand augustus 2014 geen recht heeft op het salaris voor een volledige maand, omdat hij maar tot 11 augustus heeft gewerkt.

6.4. [

[Gedaagde sub 1] heeft op zijn beurt gehandhaafd dat hij nog recht had op 30 vakantiedagen. Verder heeft hij aangevoerd, dat hij de vertrouwensman van Speedy is geweest en gedurende het dienstverband nooit een schorsing, een waarschuwing, of een smet op zijn blazoen van Speedy heeft gekregen. Daarom kan niet worden gezegd dat hij nooit positief werd beoordeeld. Het feit dat dit nooit op schrift is gesteld maakt dat niet anders, aldus (samengevat) [gedaagde sub 1]. De stelling van Speedy, dat [gedaagde sub 1] zijn cheque nooit is komen ophalen, klopt volgens [gedaagde sub 1] ook niet, want hij mocht het gebouw niet meer betreden. Speedy had het bedrag op de bankrekening van [gedaagde sub 1] kunnen storten.

6.5.

Speedy brengt hier tegenin, dat er gedurende de loop van het dienstverband wel op- en aanmerkingen ten aanzien van het functioneren van [gedaagde sub 1] zijn geweest en verwijst daarbij naar enkele brieven. Zij voert ook aan dat [gedaagde sub 1] gedurende zijn dienstverband nooit om een loonaanpassing of loonsverhoging heeft gevraagd. Wat de vakantiedagen betreft blijkt volgens Speedy uit haar administratie niet dat [gedaagde sub 1] nog aanspraak heeft op vergoeding van nog meer vakantiedagen dan Speedy wil betalen. Tenslotte stelt Speedy dat de gemachtigde van [gedaagde sub 1] nooit ter inning van een bedrag namens zijn cliënt bij Speedy is geweest.

6.6. [

[Gedaagde sub 1] heeft op zijn beurt tenslotte betwist dat hij de bedoelde waarschuwingsbrieven heeft ontvangen.

6.7.

Het gerecht oordeelt als volgt. Uit de stukken blijkt niet, dat namens [gedaagde sub 1] op enig moment is gevraagd om overmaking van het hem toekomende salaris op een bepaalde rekening. Het gerecht neemt aan, dat dit alsnog kan gebeuren en geeft Speedy in overweging thans tot betaling over te gaan. Partijen zullen zich hierover op een volgende zitting mogen uitlaten. Alle verdere beslissingen in dit verband worden aangehouden. Wat de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen betreft komt het gewenst voor te zijner tijd een comparitie van partijen te gelasten waar partijen hun standpunt, zo mogelijk onder overlegging van stukken, nader kunnen toelichten. Tenslotte, wat betreft de gevorderde 5% loonsverhoging: [gedaagde sub 2] heeft niet betwist, dat hij nooit om toepassing van de verhoging heeft gevraagd. Gezien zijn betwisting dat hij de hiervoor genoemde waarschuwingsbrieven heeft ontvangen zal het gerecht dit aspect te zijner tijdens een comparitie van partijen met partijen bespreken.

6.8.

Alle verdere beslissingen ten aanzien van deze vordering zullen worden aangehouden.

De vordering van [gedaagde sub 2]

6.9.

Speedy betwist dat de bewuste auto eigendom is van [gedaagde sub 2]. Het is een auto van de zaak, die niet voor niets op naam van Speedy staat en die door Speedy in het kader van zijn dienstbetrekking aan [gedaagde sub 2] ter beschikking werd gesteld als dienstauto, met dien verstande dat hij daarvoor een vergoeding van NAf. 200,- per maand zou betalen. Er is geen sprake geweest van een lening die [gedaagde sub 2] afbetaalde. Daarom heeft Speedy de auto bij het einde van het dienstverband teruggehaald. [gedaagde sub 2] heeft de auto vrijwillig teruggegeven, aldus Speedy.

6.10.

Het gerecht stelt vast, dat [gedaagde sub 2] weliswaar stelt dat de auto was gekocht met een lening die door Speedy aan hem was verstrekt, maar dat hij niet de koopsom en ook niet het bedrag van die lening noemt, noch ook welk bedrag hij dan reeds op de lening had afbetaald. Dusdoende heeft hij te weinig gesteld om de vordering te kunnen toewijzen, reden waarom zijn vordering te zijner tijd zal worden afgewezen.

De vordering van [gedaagde sub 3]

6.11.

Speedy heeft tegen de vordering van [gedaagde sub 3] ingebracht, dat deze met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft samengespannen om het beslag, dat Speedy ten laste van laatstgenoemden had gelegd, op Paulianeuse wijze te frustreren en doelloos te doen zijn. Hij heeft zich ervoor geleend om als kassier voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op te treden. De door hem ontvangen bedragen waren niet voor hem bestemd. Hij heeft het beslag door Speedy gefrustreerd en dus jegens Speedy onrechtmatig gehandeld. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben met de organisatoren van het 2014 CNSJ samengespannen om te doen voorkomen dat [gedaagde sub 3] en niet [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de contractspartij van de organisatoren waren. De vergoeding voor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is aldus niet aan hen, maar aan [gedaagde sub 3] betaald, zulks ten onrechte.

6.12.

Volgens [gedaagde sub 3] heeft hij niets te maken met het probleem van Speedy met [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Hij is voor niets in deze procedure betrokken.

6.13.

Het gerecht ziet aanleiding ook deze kwestie nader met partijen te bespreken in de comparitie van partijen

7 De beslissing (in conventie en in reconventie)

De rechter in dit gerecht,

beveelt een verschijning van de partijen voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling, zulks ten overstaan van mr. U. Luydens,

op 6 december 2016 om 11:00 uur tot 12:00 uur;

verzoekt tijdige toezending van eventuele stukken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H. Veling, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 17 oktober 2016 in aanwezigheid van de griffier.

1 Dat artikel luidt na de wijziging in 2011 als volgt: Ieder, die kennis draagt van een van de misdrijven omschreven in de artikelen 2:1 tot en met 2:26 van het Wetboek van Strafrecht, in Titel VI van het Tweede Boek van dat wetboek, van desertie in tijd van oorlog, van militair verraad, van moord, van mensenroof of van verkrachting, dan wel van het voornemen tot een van deze misdrijven, is verplicht daarvan onverwijld aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar. (Artikel CXXI lid N Invoeringslandsverordening Wetboek van Strafrecht, P.B. 49/2011.