Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2015:38

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
03-11-2015
Datum publicatie
17-08-2016
Zaaknummer
AR KG 75218/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Inschrijving tenaamstelling perceel in registers wegens verkrijgende verjaring (art. 37 Landsverordening Openbare Registers). Bijzondere verjaringsregel bij langdurig onverdeeld gebleven boedels (art. 3:200a lid 5 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis

in het kort geding van:

[EISER],

wonend in Curaçao,

gemachtigde: mr. R.A.P.H. Pols,

eiser in kort geding,

tegen

1. STICHTING KADASTER EN OPENBARE REGISTERS CURAÇAO,

hierna: “het Kadaster”,

gevestigd in Curaçao,

verschenen in de persoon van de bewaarder M.G.M. Ascencion,

2. de erven Juan B. DJADJE,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Curaçao,

niet verschenen,

3. de belanghebbenden bij het perceel grond met het daarop gebouwde gelegen te ZEGOE nummer 5, omschreven in meetbrief 453 van 10 juli 2006,

niet verschenen,

gedaagden in kort geding.

1 Het verloop van de procedure

Eiser heeft op 25 augustus 2015 een verzoekschrift ingediend. Oproeping van gedaagden sub 2 en 3 heeft onder meer plaatsgevonden middels publicatie in de Extra en de Curacaosche Courant. De zaak is behandeld ter zitting van 20 oktober 2015, waarbij het verzoekschrift namens eiser is toegelicht en waarbij namens het Kadaster is verwezen naar de op voorhand overgelegde pleitnota. Namens gedaagden sub 2 en 3 is niemand verschenen.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De vordering

2.1

Deze zaak heeft betrekking op een perceel grond (hierna: het perceel) plaatselijk bekend als Zegoe 5 te Curaçao, zijnde een gedeelte van de plantage “Malpais” alias “Wawoe”, ten westen van Juan Domingo bij Zegoe op Zorg en Daal. Het perceel is omschreven in meetbrief nummer 453/2006 en heeft een grootte van 10.054 m2. Het perceel maakt deel uit van het groter terrein omschreven in de rooibrief van 15 juli 1839 ten name van Juan Bisento Djadje.

2.2

Eiser, thans 89 jaar oud, stelt door verkrijgende verjaring eigenaar te zijn geworden van het perceel. Hij legt daaraan de volgende feiten en stellingen ten grondslag:

  1. Over Juan Bisento Djadje en diens eventuele nakomelingen en diens erfgenamen is niets naders bekend.

  2. Halverwege de jaren ’60 van de vorige eeuw heeft eiser het perceel, althans de gebruiksrechten ten aanzien daarvan, geschonken gekregen van zijn tante Genoveva [eiser].

  3. Sindsdien heeft eiser het perceel feitelijk in bezit en gebruik, hetgeen blijkt uit:

- omheining van het perceel (in de jaren ’60)

- aanleg irrigatiepijpleidingen, twee waterputten en een reservoir;

- bouw van een huisje.

Vanaf 1968 heeft eiser het huisje steeds verhuurd aan (Portugese) huurders, die het perceel mede voor landbouw gebruikten.

De huidige huurder, de familie Consescao de Jezus Martis, huurt sinds 1985 van eiser. Voor hun huurbetalingen werden door eiser kwitanties afgegeven.

In april 1994 heeft eiser een verzoek ingediend bij de Huurcommissie tot beëindiging van de huurovereenkomst, welk verzoek gedeeltelijk is ingewilligd.

De overgelegde verklaringen van getuigen bevestigen dat eiser tientallen jaren bezitter is geweest van het perceel.

2.3

Op 7 augustus 2015 heeft eiser ten overstaan van notaris mr. Burgers te Curaçao een notariële verklaring van verjaring ex art. 34 van de Lv. Openbare Registers (LOR) afgelegd. Hij heeft verklaard een beroep te doen op verkrijgende verjaring als bedoeld in art. 3:99 BW en gewezen op de extinctieve verjaring als bedoeld in art. 3:105 BW, op grond van het feit dat hij gedurende meer dan twintig (20) jaren het perceel voortdurend, ongestoord, onafgebroken openbaar en niet dubbelzinnig als eigenaar heeft bezeten. De notaris heeft in die akte opgenomen dat door hem niet kan worden verklaard dat aan de vereisten van art. 37 lid 1 sub a en/of b LOR is voldaan.

2.4

Het Kadaster heeft de akte van 7 augustus 2015 conform art. 37 lid 2 LOR geboekt in het register van voorlopige aantekening.

2.5

Eiser vordert op de voet van art. 37 lid 2 LOR een bevel aan het Kadaster om de akte van 7 augustus 2015 betreffende de tenaamstelling van het perceel wegens verkrijgende verjaring in te schrijven in de openbare registers.

3 Het verweer

Het Kadaster heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht. De overige gedaagden zijn niet verschenen en hebben dus evenmin verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1

Artikel 34 LOR luidt:

Ter inschrijving van een verjaring wordt een door een notaris met inachtneming van artikel 37 opgemaakte verklaring of een authentiek afschrift daarvan aangeboden, inhoudende dat naar de verklaring van degene die de inschrijving verlangt, de verjaring is ingetreden, alsmede

a. welk registergoed door verjaring is verkregen, dan wel welk beperkt recht op een registergoed is tenietgegaan;

b. tegen wie de verjaring werkt, indien dit bekend is;

c. welke feiten tot de verjaring hebben geleid; en

d. dat de verjaring wordt betwist of niet wordt betwist door degene tegen wie zij werkt, zo dit bekend is.

Artikel 37 LOR luidt:

1. Een notariële verklaring, als bedoeld in de artikelen 26, 30, 34 en 36 houdt behalve hetgeen in deze artikelen is voorgeschreven, tevens in een verklaring van de notaris:

a. hetzij dat allen die als partij bij het in te schrijven feit betrokken zijn aan de notaris hebben medegedeeld met de inschrijving in te stemmen;

b. hetzij dat bewijsstukken aan hem zijn overgelegd en aan de verklaring gehecht, die genoegzaam aantonen dat het in te schrijven feit zich inderdaad heeft voorgedaan dan wel, in geval van een verklaring als bedoeld in artikel 36, tweede lid, dat het recht bestaat;

c. hetzij dat hij niet aan het onder a en b gestelde kan voldoen.

2. In het in het eerste lid, onder c, bedoelde geval boekt de bewaarder de aanbieding van de notariële verklaring slechts in het register van voorlopige aantekeningen en kan inschrijving alleen plaatsvinden op bevel van de rechter. Het tweede, derde en vierde lid, eerste volzin, alsmede het vijfde en zesde lid van artikel 20 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande, dat het bevel slechts wordt gegeven, indien de eiser naast de bewaarder allen die als partij bij het in te schrijven feit zijn betrokken, tijdig in het geding heeft geroepen.

3. De kosten van het geding blijven voor rekening van de eiser, tenzij de vordering ondanks verweer wordt toegewezen, in welk geval degene die het verweer heeft gevoerd in de kosten wordt veroordeeld.

4. (…)

Artikel 3:20 BW luidt:

1. (…)

2. Wanneer de weigering ten onrechte is geschied, beveelt de rechter in eerste aanleg, rechtdoende in kort geding, op vordering van de belanghebbende de bewaarder de inschrijving alsnog te verrichten, zulks onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. De rechter in eerste aanleg kan de oproeping van door hem aan te wijzen andere belanghebbenden gelasten. Het bevel van de rechter in eerste aanleg is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

3. Wordt de geweigerde inschrijving alsnog bevolen, dan verricht de bewaarder haar terstond nadat de eiser haar opnieuw heeft verzocht.

4. Indien de belanghebbende binnen twee weken na de oorspronkelijke aanbieding aan de bewaarder een oproeping in kort geding ter verkrijging van het in het tweede lid bedoelde bevel heeft doen uitbrengen, en de aanvankelijk geweigerde inschrijving alsnog is verricht op een hernieuwde aanbieding van dezelfde stukken, gedaan binnen een week na een in eerste aanleg gegeven bevel, wordt de inschrijving geacht te zijn geschied op het tijdstip waarop de oorspronkelijke aanbieding plaatsvond. (…)

5. Een feit waarvan slechts blijkt uit een overeenkomstig het eerste lid, tweede zin, geboekt stuk, wordt geacht niet door raadpleging van de registers kenbaar te zijn, tenzij het krachtens het vierde lid geacht moet worden reeds ten tijde van de raadpleging ingeschreven te zijn geweest.

6. Een voorlopige aantekening wordt door de bewaarder doorgehaald, zodra hem is gebleken dat de voorwaarden voor toepassing van het vierde lid niet meer kunnen worden vervuld, of de inschrijving met inachtneming van het tijdstip van oorspronkelijke aanbieding alsnog heeft plaatsgevonden.

4.2

De vordering van eiser strekt tot het verkrijgen van een bevel bedoeld in art. 37 lid 2 LOR. Aan de in dat artikellid gestelde oproepingseis is voldaan. De onweersproken stellingen van eiser kunnen zijn vordering dragen, zodat die zal worden toegewezen als hierna in het dictum van dit vonnis vermeld.

4.3

Gelet op het ontbreken van tegenspraak zullen de door eiser gemaakte kosten ten laste van eiser moeten blijven. Voor een veroordeling van eiser in de door het Kadaster gemaakte kosten bestaat geen grond, nu eiser niet als de in het ongelijk gestelde partij is aan te merken en onder de in art. 37 lid 3 LOR bedoelde kosten niet de kosten van het Kadaster zijn te begrijpen.

4.4

Ten overvloede wordt nog het volgende opgemerkt.

4.5

Het Gerecht heeft, met verwijzing naar een vonnis in een eerder bij dit Gerecht met betrekking tot het perceel gevoerde procedure (De Jesus Martis vs Juan Bisento Djadje, zaaknummer AR 470/2008), bij de behandeling ter zitting de vraag opgeworpen of het hier geen langdurig onverdeeld gebleven boedel in de zin van art. 200a e.v. BW betreft en hoe een beroep op verjaring zich verhoudt met de uitsluiting van verkrijgende verjaring door art. 3:200a lid 5 BW. Deze bepaling luidt:

“Een bezitter die wist of behoorde te weten dat de onroerende zaak deel uitmaakt van een langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap als in deze afdeling bedoeld, kan die zaak niet door verjaring verkrijgen.”

Op grond van deze bijzondere verjaringsregel kan sinds 1 april 2007, de dag van inwerkingtreding van art. 3:200a e.v. BW, bij langdurig onverdeeld gebleven boedels alleen een te goeder trouw zijnde bezitter eigenaar worden door verjaring. Dat lijkt in het onderhavige geval echter geen beletsel te hoeven zijn, nu in de periode van 1 januari 2001 (de inwerkingtreding van het nieuw Burgerlijk Wetboek) tot 1 januari 2007 (de inwerkingtreding van de bijzondere verjaringsregel) ook voor langdurig onverdeeld gebleven boedels het commune verjaringsregime van het nieuw Burgerlijk Wetboek gold, waarbij door een koppeling van de bevrijdende verjaring aan de verkrijgende verjaring ook een niet te goeder trouw zijnde bezitter eigenaar kan worden (art. 3:105 BW). De omstandigheid dat eiser wist dat het perceel deel uitmaakte van de langdurig onverdeeld gebleven gemeenschap van Djadje hoeft derhalve niet in de weg te staan aan een beroep op (tussen 1 januari 2001 en 1 januari 2007 voltooide) verjaring.

4.6

In de regeling van de eigendomsuitwijzing (art. 3:27 BW) ziet het Gerecht evenmin een beletsel voor toewijzing van de vordering van eiser.

5 De beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding

beveelt het Kadaster om de voor notaris mr. Burgers verleden notariële akte van 7 augustus 2015 betreffende de tenaamstelling van het perceel grond, omschreven in meetbrief nummer 453 van het jaar 2006, op grond van verkrijgende verjaring in te schrijven, althans te doen inschrijven, in de openbare registers, terstond nadat eiser deze inschrijving opnieuw heeft verzocht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken.