Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2015:33

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
KG 74665/2015
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afgifte auto, bewaarloon, retentierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak : 24 september 2015

AR nummer: KG 74665/2015


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in kort geding in de zaak van:

[eiser],

wonende in Curaçao,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna (tevens) te noemen: “[eiser]”,

gemachtigde: mr. M.H. van Rossum,

tegen

[gedaagde],

wonende in Curaçao,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna (tevens) te noemen: “[gedaagde]”,

gemachtigde: mr. E.A. Knoppel.

Verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 7 september 2015 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig het inleidend verzoekschrift met producties. Voorafgaand aan de zitting heeft [gedaagde] een akte eis in reconventie ingediend. [eiser] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde die het woord heeft gevoerd conform overgelegde pleitnotities. Namens [gedaagde] is zijn gemachtigde verschenen, die het woord heeft gevoerd conform vooraf ingediende pleitnotities met producties en de reconventionele vordering nader heeft toegelicht.

Vonnis bepaald op heden.

Feiten

1. Het Gerecht is uitgegaan van de volgende feiten:

a. [eiser] was werkzaam als klusjesman en tuinman voor [gedaagde].

b. [gedaagde] had lange tijd een Landrover van het bouwjaar 1999 (de auto) in zijn tuin staan. [eiser] hoorde dat [gedaagde] deze wilde verkopen. Partijen spraken af dat [eiser] de auto zou kopen voor NAf 13.000,00. [gedaagde] zou de auto na een aanbetaling van NAf 1.000,00 reserveren. Indien [eiser] later van de koop zou afzien zou hij dat bedrag verliezen. [eiser] heeft de resterende koopsom in drie termijnen betaald. Hij had nooit in de auto gereden.

c. Op 4 augustus 2013 hebben partijen een koopovereenkomst getekend, waarin voor zover relevant het volgende is bepaald:

“[prosecutor] hereby agrees to buy the car “AS IS".

d. Toen [eiser] op 5 augustus 2013 de auto kwam halen bleek de radiateur water te lekken. [eiser] weigerde toen de auto mee te nemen.

e. Na een discussie tussen partijen over de auto heeft [gedaagde] bij brief van zijn gemachtigde van 26 september 2013 medegedeeld dat de koop vast stond en dat hij de auto niet terugnam

f. Bij brief van zijn gemachtigde van 23 oktober 2013 heeft [eiser] [gedaagde] in gebreke gesteld met betrekking tot de terugbetaling van de wegens wanprestatie teruggevorderde NAf 12.000,00.

g. Bij brief aan de gemachtigde van [gedaagde] van 4 maart 2015 heeft de gemachtigde van [eiser] medegedeeld dat [eiser] alsnog bereid is de auto in ontvangst te nemen “as is” aangezien [gedaagde] niet bereid is om de koopprijs terug te betalen. Daarbij is opgemerkt dat [eiser] niet bereid is bewaarloon te betalen omdat [gedaagde] zelf in gebreke was.

Geschil

2. [ eiser] vordert dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerboer bij voorraad:

- de koopovereenkomst tussen partijen zal ontbinden en [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van NAf 12.000,00 aan [eiser], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2013, of

- [ gedaagde] zal veroordelen om over te gaan tot levering van de auto middels afgifte van de auto en de autopapieren en overschrijving op naam van [eiser];

een en ander op straffe van een dwangsom van NAf 350,00 per dag, kosten rechtens.

3. [ eiser] heeft daartoe het volgende gesteld. [gedaagde] heeft te kwader trouw gehandeld. Hij heeft de auto voor een te hoge prijs aan [eiser] verkocht. Hij was bekend met de gebreken. [gedaagde] stond het maken van een proefrit niet toe. De koopovereenkomst werd in het Engels opgesteld terwijl [eiser] deze taal niet machtig is. De levering is nooit voltooid, de auto staat nog op naam van [gedaagde].

4. [ gedaagde] heeft als verweer het volgende aangevoerd. Er is geen spoedeisend belang. De gevorderde ontbinding is declaratoir van aard en leent zich niet voor behandeling in kort geding. [eiser] heeft de auto “as is” gekocht. Deze was toen al bijna vijftien jaar oud en [eiser] wist dat deze niet werd gebruikt. Hij had voldoende tijd en gelegenheid om de auto te laten nakijken en is ook met een monteur komen kijken. [gedaagde] heeft alle voor overschrijving benodigde papieren opgemaakt en afgegeven. [eiser] heeft zelf de levering tegengehouden. Hij voerde drogredenen aan om de koop terug te draaien omdat hij in geldnood zat. [gedaagde] heeft een radiateur gekocht die [eiser] zelf zou installeren. Toen [eiser] dat vervolgens weigerde heeft [gedaagde] deze bij een garage laten installeren. Als handreiking heeft [gedaagde] de auto na laten kijken en daar waar nodig laten repareren. Ondanks vele verzoeken daartoe is [eiser] de auto desondanks niet komen halen. De auto verkeert in goede staat en is op 1 september 2015 gekeurd. [gedaagde] is bereid de auto te leveren als [eiser] de geleden schade en de gemaakte kosten vergoedt.

5. [ gedaagde] heeft in (voorwaardelijke) reconventie gevorderd dat [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorschot zal worden veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen:

- NAf 4.583,97 of een in goede justitie te betalen bedrag aan reparatie- en onderhoudskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf november 2013;

- NAf 5.000,00 wegens waardevermindering van de auto, vermeerderd met wettelijke rente vanaf november 2013;

- NAf 100,00 althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag, gerekend vanaf augustus 2013 totdat de auto is opgehaald of de overeenkomst is beëindigd,

met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

6. Ter onderbouwing van zijn reconventionele vordering heeft [gedaagde] het volgende gesteld. [gedaagde] heeft de auto laten repareren voor een bedrag van

NAf 2.512,20 en heeft – om de auto in goede staat te houden – elke drie maanden onderhoud gepleegd voor een bedrag van NAf 2.071,77 in totaal. Omdat de auto twee jaar stil heeft gestaan is deze inmiddels NAf 5.000,00 in waarde verminderd. [gedaagde] dient een redelijk bewaarloon te krijgen voor het opslaan en bewaren van de auto, omdat [eiser] deze ten onrechte niet heeft opgehaald.

7. [ eiser] heeft als verweer tegen de reconventionele vordering het volgende aangevoerd. De gestelde service- en reparatiekosten zijn ongeloofwaardig en komen voor rekening van [gedaagde]. Het maken van deze kosten is nooit overeengekomen. Bewaarloon is evenmin overeengekomen en is ook overigens niet verschuldigd, aangezien [eiser] de hele koopprijs heeft voldaan en dus niet in gebreke is.

8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.


Beoordeling

in conventie en in reconventie

9. Mede gezien de omstandigheid dat [eiser] twee jaar geleden NAf 13.000,00 aan [gedaagde] heeft betaald en tot op heden niet over de auto beschikt, is in voldoende mate gebleken van het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen.

10. [ gedaagde] heeft terecht aangevoerd dat een procedure in kort geding zich slechts leent voor het treffen van een ordemaatregel in een spoedeisende situatie en is niet bedoeld om de rechtspositie van partijen vast te stellen (HR 2 april 1977, NJ 1977, 361). De gevorderde ontbinding van de overeenkomst wordt daarom afgewezen. Dit leidt ertoe dat de in reconventie gevorderde vergoeding wegens waardevermindering buiten beschouwing kan blijven.

11. [ gedaagde] verzet zich op zich niet tegen levering van de auto, zodat deze vordering in beginsel toewijsbaar is, maar stelt zich op het standpunt dat [eiser] eerst de in reconventie gevorderde reparatie- en onderhoudskosten en het bewaarloon moet voldoen.

12. Voor toewijzing van een geldvordering in kort geding dient het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk te zijn, in die zin dat het in een bodemprocedure hoogst waarschijnlijk is dat de vordering wordt toegewezen.

13. Na de brief van 26 september 2013 lijken partijen in een patstelling te zijn gekomen. [eiser] wilde zijn geld terug en ging er dus van uit dat de koop was ontbonden, terwijl [gedaagde] anderzijds verwachtte dat [eiser] de auto zou komen halen, hetgeen niet gebeurde. Gezien het verdere verloop van zaken alsmede het ontbreken van overeenstemming op dat punt is er nu (voorshands) geen reden om aan te nemen dat de koop daadwerkelijk was ontbonden. Aannemelijk is derhalve dat de auto in eigendom toebehoorde aan [eiser], maar bleef staan bij [gedaagde] die de auto bleef onderhouden. Om die reden is aannemelijk dat [gedaagde] heeft gehandeld als zaakwaarnemer in de zin van artikel 6:198 BW. Door de auto te repareren en periodiek te onderhouden heeft [gedaagde] zich als zaakwaarnemer willens en wetens en op redelijke grond ingelaten met de behartiging van de belangen van [eiser], zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen.

14. In artikel 6:199 BW is bepaald dat de zaakwaarnemer verplicht is bij de waarneming de nodige zorg te betrachten en de waarneming voort te zetten voor zover dat redelijkerwijze van hem kan worden gevergd. Dat de auto goed is onderhouden blijkt behalve uit de facturen van de servicebeurten uit het feit dat de auto op

1 september 2015 door de keuring is gekomen. Ook uit de ter zitting getoonde foto’s blijkt dat de auto kennelijk nog in goede staat is. Aldus mag voorshands worden aangenomen dat [gedaagde] zijn taak met voldoende zorg heeft betracht en in het belang van [eiser] heeft gehandeld. Het is daarom voldoende aannemelijk dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat [gedaagde] op grond van artikel 6:200 BW gehouden is de schade die [gedaagde] als gevolg van de zaakswaarneming heeft geleden, te vergoeden.

15. [ eiser] heeft de hoogte van de gevorderde repartie- en onderhoudskosten betwist. Ook het Gerecht komen deze hoog voor, zodat slechts een deel toewijsbaar is. In een procedure in kort geding kan niet nader worden onderzocht of en in hoeverre de kosten redelijk zijn en het maken daarvan noodzakelijk was. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] voorafgaand aan het maken van de kosten overleg heeft gepleegd met [eiser], noch dat hij hierover achteraf conform artikel 6:199 lid 2 BW rekening en verantwoording heeft afgelegd. Door op eigen initiatief de kosten te maken heeft [gedaagde] een zeker risico genomen. Bij volledige toewijzing van de gevorderde kosten zou [eiser] bovendien in totaal ruim NAf 17.500,00 betalen voor een auto die blijkens de eigen stellingen van [gedaagde] nu NAf 8.000,00 waard is. Daar staat echter het volgende tegenover. [eiser] heeft na de brief van [gedaagde] van 26 september 2013 waarin stond dat hij de koop niet wilde terugdraaien, anderhalf jaar gewacht totdat hij alsnog levering verzocht. Aangezien ook voor hem onduidelijk was of de koop stand zou houden, heeft hij door aldus te handelen ook een risico genomen. Het mag immers bekend worden verondersteld dat de staat van een auto snel verslechtert indien deze niet wordt gebruikt. Dankzij het handelen van [gedaagde] verkeert de auto nu kennelijk nog in goede conditie. Daarvan zal [eiser] na levering van de auto voordeel genieten. Gezien het voorgaande wordt een vergoeding van

NAf 1.500,00 voor reparatie- en onderhoudskosten redelijk geacht.

16. De gevorderde vergoeding van NAf 100,00 per dag wordt afgewezen aangezien een grondslag daartoe ontbreekt. Niet gesteld of gebleken is immers dat partijen bewaarneming zijn overeengekomen, zodat geen bewaarloon is verschuldigd. Als zaakwaarnemer handelde [gedaagde] niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat evenmin op grond van artikel 6:200 lid 2 BW een recht op vergoeding van verrichtingen is ontstaan. Ook overigens is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde], naast de reeds besproken kosten, in het kader van het opslaan en bewaren van de auto nog andere kosten heeft gemaakt die redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking dienen te komen.

17. De vordering in reconventie wordt aldus toegewezen tot de hoogte van een bedrag van NAf 1.500,00. Aangezien niet gebleken is dat [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure vergoeding van deze kosten heeft gevorderd, zal de ingangsdatum van de wettelijke rente worden gesteld op de vijftiende dag na betekening van dit vonnis.

18. [ gedaagde] beroept zich blijkens zijn stellingen op een aan hem toekomend retentierecht, welk recht hem op grond van de artikelen 3:290 jo. 6:52 BW ook toekomt. In verband daarmee kan de in conventie gevorderde levering van de auto niet zonder meer worden toegewezen. Nadat [eiser] het bedrag van NAf 1.500,00 heeft betaald mag echter van [gedaagde] wel worden gevergd dat hij de auto met de autopapieren en – in plaats van de gevorderde overschrijving op naam – de voor overschrijving noodzakelijke documenten aan [eiser] zal afgeven, hetgeen als zodanig zal worden bepaald. Gezien de aard van de zaak is vooralsnog geen aanleiding om een dwangsom aan de levering te verbinden, nu van [gedaagde] verwacht mag worden dat hij na deze uitspraak en na betaling door [eiser] zo snel mogelijk tot afgifte van de auto, de autopapieren en de voor overschrijving benodigde documenten zal overgaan teneinde verdere kosten of achteruitgang van de conditie van de auto te voorkomen of te beperken.

19. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden verrekend als hierna vermeld.

Beslissing

Het Gerecht:

rechtdoende in kort geding:

in reconventie

- veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van NAf 1.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de algehele voldoening;

in conventie

- beveelt [gedaagde] om binnen drie dagen na ontvangst van het bedrag van

NAf 1.500,00 de auto met de autopapieren en de voor overschrijving noodzakelijke documenten aan [eiser] af te geven;

in conventie en in reconventie

- verrekent de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.V.L.M. Wannyn, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2015, in aanwezigheid van de griffier.