Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2015:17

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
30-10-2015
Datum publicatie
16-11-2015
Zaaknummer
500.00209/15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor uitvoer van cocaïne en witwassen (voor een periode van ruim 4 jaar). Een moeder en dochter zaten samen op een vlucht naar Nederland op 3 augustus 2013. Beiden hadden inwendig drugs bij zich. Deze drugs waren van medeverdachte [ ]. Door tapgesprekken is duidelijk geworden dat zowel verdachte als medeverdachte hierbij betrokken zijn. De eis was 24 maanden GS, maar de rechter vond deze eis onvoldoende rechtdoen aan de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en veroordeelde hem tot 30 mnd GS.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1988 te Curaçao,

wonende te Curaçao,

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2015. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Koendjbiharie.

De officier van justitie, mr. G. Rip, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten 1, 2, en 3 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft een bewijsverweer gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:…

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

3.2

Bevoegdheid van het Gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

3.3

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

3.4

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Redengevende feiten en omstandigheden 1

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten op grond van het volgende.

Algemeen

Telecomgegevens

In het onderzoek Rizinia zijn verschillende telefoonnummers naar voren gekomen. Het Gerecht schrijft de volgende telefoonnummers aan de volgende (mede)verdachten toe:

telefoonnummer 5999-[ ] - verdachte [verdachte]2;

telefoonnummer 5999-[ ] - medeverdachte [medeverdachte D]3;

telefoonnummer +5999-[ ] - medeverdachte [medeverdachte A]4;

telefoonnummer [ ] - medeverdachte [medeverdachte B]5;

telefoonnummer 5999-[ ] - medeverdachte [medeverdachte C]6.

Bijnamen

In de tapgesprekken en de verklaringen van de verdachten in het onderzoek Rizina is veelvuldig gebruik gemaakt van bijnamen voor verschillende verdachten. Het Gerecht stelt vast dat met na te noemen bijnamen steeds de volgende personen worden bedoeld:

[medeverdachte D] - [medeverdachte D]7;

[medeverdachte E] - medeverdachte [medeverdachte E]8;

[medeverdachte A] - [medeverdachte A]9;

[medeverdachte C] - [medeverdachte C];

[medeverdachte P]/[medeverdachte P] - wijlen [medeverdachte P];

[medeverdachte M] - wijlen [medeverdachte M].10

Feit 1 (zaaksdossier 4, medeplegen uitvoer van 587,10 gram cocaïne op 3 augustus 2013)

Op 4 augustus 2013 arriveert [medeverdachte C] (hierna ook: [medeverdachte C]) met een vlucht vanuit Curaçao in Nederland. [medeverdachte C] wordt aangehouden.11 Bij haar worden verschillende duwersbollen aangetroffen die zij inwendig vervoerde. De inhoud van de bollen is gewogen en onderzocht. Het betreft ongeveer 587,10 gram van een materiaal bevattende cocaïne.12

[medeverdachte C] verklaart dat ze samen met haar moeder, [moeder] (hierna ook: [moeder medeverdachte C]), cocaïne naar Nederland zou brengen. De drugs waren van [medeverdachte E]. Het drugstransport was voor [medeverdachte E]. Op de dag van vertrek, 3 augustus 2013, hebben ze [medeverdachte D] ontmoet. [medeverdachte D] had hen gevraagd of ze er klaar voor waren.13 [medeverdachte D] heeft de drugs aan [moeder medeverdachte C] gegeven. [medeverdachte C] heeft contact met [medeverdachte D] gehad over aan wie zij de drugs in Nederland moest geven.14

[moeder medeverdachte C] wordt op 3 augustus 2013 aangehouden in verband met een andere zaak. Ze is op dat moment samen met [medeverdachte C] onderweg naar Nederland en voert inwendig een hoeveelheid cocaïne met zich. Ze weet dat haar dochter ook verdovende middelen bij zich heeft.15 [moeder medeverdachte C] verklaart dat [medeverdachte D] de drugs voor haar heeft geregeld.16 [medeverdachte D] en [moeder medeverdachte C] hebben hierover op 31 juli 2013 telefonisch contact gehad. Die dag heeft [moeder medeverdachte C] omstreeks 20:58 uur met [medeverdachte D] gebeld. [medeverdachte D] zegt: Ik heb de dingen thuis. [moeder medeverdachte C] zegt: De dingen van Sinterklaas? Ze spreken af elkaar te ontmoeten.17 [medeverdachte D] verklaart dat met de dingen van Sinterklaas pakketten cocaïne wordt bedoeld. Sint-Nicolaas was een codewoord, versluierde taal. Het gesprek gaat over twee pakketten cocaïne. [medeverdachte D] bevestigt dat hij de pakketten drugs aan [moeder medeverdachte C] heeft gegeven. Ze moest ze meenemen naar Nederland.18 [moeder medeverdachte C] verklaart dat met Sinterklaas “[medeverdachte E]” wordt bedoeld. Volgens [moeder medeverdachte C] noemt [medeverdachte D] hem [medeverdachte E].19 [medeverdachte C] weet dat [moeder medeverdachte C] [medeverdachte E] Sinterklaas noemt. Zijzelf noemt hem gewoon [medeverdachte E]. Ze bedoelt hiermee [medeverdachte E].20

De dag waarop [medeverdachte C] en [moeder medeverdachte C] samen naar Nederland zouden reizen, 3 augustus 2013, vinden verschillende telefooncontacten plaats tussen verschillende personen. Zo belt [moeder medeverdachte C] op 3 augustus 2013 omstreeks 14:35 uur naar [medeverdachte D]. [moeder medeverdachte C] zegt dat [medeverdachte E] op een man in Nederland moet drukken. Ze bedoelt hiermee dat die man een gedeelte van de drugs bij haar moest komen kopen.21

Ongeveer een half uur later, omstreeks 15:10 uur, belt verdachte [verdachte] naar een Nederlands telefoonnummer en zegt tegen een man dat hij de vriend van [medeverdachte A] is en hij naar zijn app moet kijken. Op de achtergrond is de stem van een andere man te horen. De verbalisant hoort dat [medeverdachte E] op de achtergrond [verdachte] instructies geeft wat hij moet zeggen. Hij herkent de stem van [medeverdachte E] aan zijn manier van spreken. Ook de stem van [verdachte] wordt herkend. De tolk herkent de stem van de man die belt eveneens als die van [verdachte] en de stem van degene die [verdachte] instructies geeft als die van [medeverdachte E].22 [medeverdachte B] verklaart dat hij degene is met wie [verdachte] omstreeks 15:10 uur belt. [medeverdachte B] luister naar het opgenomen tapgesprek en verklaart dat hij [medeverdachte E] op de achtergrond hoort. Hij herkent de stem van [medeverdachte E]. [medeverdachte E] heeft hem gebeld en gezegd dat [moeder medeverdachte C] met haar dochter naar Nederland zou komen. [medeverdachte E] vroeg of [medeverdachte B] hen zou ophalen op Schiphol. Sinds de zaak van Wiels gebeurd is hoort [medeverdachte B] hem meestal op de achtergrond. Daarvoor belde hij gewoon. Hij bedoelt [medeverdachte E] [medeverdachte E].23 [medeverdachte B] is een keer gepakt met drugs van [medeverdachte E]. [medeverdachte E] had hem de drugs zelf gegeven. Het betrof bolletjes.24

Omstreeks 15:12 uur belt [medeverdachte C] met [medeverdachte D] en zegt dat de politie haar moeder heeft meegenomen en dat zij zelf wel in het vliegtuig is gestapt.25 Vervolgens wordt [medeverdachte C] omstreeks 15.15 uur gebeld door het telefoonnummer van [verdachte]. Aan de stem is te horen dat [medeverdachte D] aan de andere kant van de lijn met [medeverdachte C] aan het praten is. [medeverdachte D] vraagt aan [medeverdachte C] “of zij doorgaat”. Hij zegt dat hij later zal zien hoe het is verlopen.26 Twee minuten later, omstreeks 15:17 uur, ontvangt [medeverdachte C] een sms van het mobiele telefoonnummer van [verdachte] met als inhoud een Nederlands telefoonnummer, dat zij moet bellen bij aankomst.27 Het betreft het nummer van medeverdachte [medeverdachte B].28

Daarna wordt [medeverdachte C] nog driemaal gebeld door [verdachte]. In het eerste gesprek omstreeks 15:19 uur is op de achtergrond de stem van [medeverdachte E] [medeverdachte E] te horen, terwijl hij tweemaal iets tegen [verdachte] zegt. Om 15:41 uur belt [verdachte] weer naar [medeverdachte C]. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte C] hoe ze gekleed is. Op de achtergrond is de stem van [medeverdachte E] hoorbaar, die iets onverstaanbaars tegen [verdachte] zegt. Om 15:45 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte C]. Op de achtergrond is de stem van [medeverdachte E] [medeverdachte E] te horen, die iets onverstaanbaars tegen [verdachte] zegt om door te geven aan [medeverdachte C] ([medeverdachte C]). De stem van [medeverdachte E] [medeverdachte E] is herkend aan zijn intonatie en zijn manier van spreken. Ook de stemmen van [verdachte] en [medeverdachte C] zijn herkend.

Omstreeks 15:47 uur belt [verdachte] met een onbekend gebleven man met een Nederlands telefoonnummer (31616511195). Het gesprek wordt verbroken. De man belt omstreeks 15:48 uur terug naar het nummer van [verdachte]. [medeverdachte E] maakt gebruik van de telefoon van [verdachte]. De man zegt: “Ik kan ook die dingen van jullie gaan nemen” en “hij heeft mij gezegd om de ding voor hem aan de andere kant te gaan nemen en wanneer hij aankomt praten we hier buiten”. [medeverdachte E] zegt: “Morgen moet je die boodschap doen, en nu dat was zodat je je vriend een boodschap geeft zoals je die dag deed een beetje meer, begrijp je?”.29

Bewijsoverwegingen

Het Gerecht acht de verklaring van [verdachte] dat hij geen enkele bemoeienis heeft gehad bij het drugstransport, niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] zelf heeft deelgenomen aan de telefoongesprekken die op 3 augustus 2013 zijn gevoerd. [verdachte] heeft onder andere met medeverdachte [medeverdachte B] gebeld, die later verklaart dat het gesprek ging over het ophalen van [moeder medeverdachte C] en haar dochter op Schiphol. [verdachte] heeft ook met [medeverdachte C], de drugskoerier, gebeld en gevraagd hoe ze gekleed is. Voorts wordt het telefoonnummer van [verdachte] gebruikt door medeverdachte [medeverdachte D] als hij met [medeverdachte C] belt en door medeverdachte [medeverdachte E] als hij met de man in Nederland belt over “het nemen van die dingen”. Gelet hierop is de verklaring van [verdachte] dat hij [medeverdachte D] of [medeverdachte D] en [medeverdachte B] niet kent, overigens volstrekt ongeloofwaardig.

In verschillende tapgesprekken wordt gebruik gemaakt van versluierde taal. Gesproken wordt over “die dingen”, “de ding”, “de boodschap” en “de andere kant”. Het is een feit van algemene bekendheid dat betrokkenen bij de handel in cocaïne zich in telefoongesprekken veelal bedienen van versluierde taal. Nu [medeverdachte C] cocaïne vervoerde die [medeverdachte D] aan haar moeder had geleverd voor [medeverdachte E], [verdachte] met [medeverdachte B] heeft gebeld over het ophalen van de drugskoeriers op Schiphol, [verdachte] aan [medeverdachte C] heeft gevraagd hoe ze gekleed is, en voor het versluierd taalgebruik geen andere verklaring is gegeven of aannemelijk geworden, komt het Gerecht tot de slotsom dat de telefoongesprekken betrekking hebben op het cocaïnetransport door [medeverdachte C].

Het Gerecht acht, de tapgesprekken en verklaringen in onderling verband en samenhang bezien, bewezen dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [medeverdachte E], [medeverdachte D] en [verdachte], gericht op de uitvoer van ongeveer 587,1 gram cocaïne. [verdachte] heeft contact gehad met de drugskoerier en de contactpersoon in Nederland. De bijdrage van [verdachte] is significant en cruciaal te noemen. Hij is derhalve als medepleger aan te merken.

Feiten 2 en 3 (zaaksdossier 5, gewoontewitwassen)

[verdachte] heeft in de periode van 20 augustus 2010 tot en met 14 november 2011 24 money transfers ad NAf 38.332,84 via Western Union te Curaçao ontvangen. In de periode van 15 november 2011 tot en met 13 oktober 2014 heeft [verdachte] 40 money transfers ad NAf 60.257,53 via Western Union te Curaçao ontvangen. De bedragen zijn vanuit Nederland verzonden.30

Een van de geldverzenders, [geldverzender], verklaart dat hem door jongens uit Koraal Specht werd gevraagd om geld dat met de drugshandel verdiend werd te storten. Dat was in opdracht van [medeverdachte P]. Het geld is in ieder geval van criminaliteit afkomstig.31

Zes van de op het overzicht van Western Union voorkomende geldverzenders hebben drugsantecedenten op Curaçao, waaronder [geldverzender], en vijf in Nederland.32

Medeverdachte [medeverdachte A]heeft ook meerdere malen geld via Western Union ontvangen, onder andere op 15 augustus 2013 een bedrag van NAf 2.262,90. De verzender was [verzender 2].33 [medeverdachte A] verklaart hierover dat [verdachte], verdachte, een bericht op zijn telefoon had gekregen. Hij heeft dit bericht doorgestuurd. In het bericht stond onder andere de naam van de verzender. Toen hij voor [verdachte] bij Western Union geld ging halen, werd de naam van [medeverdachte A] verkeerd opgeschreven door de verzender. Zijn naam was met één L geschreven, aldus [medeverdachte A].34 Uit het telecomonderzoek blijkt dat [medeverdachte A] op 15 augustus 2013 tussen omstreeks 12:01 en 12:15 uur vier SMS-berichten van [verdachte] heeft ontvangen. De tekst is onder andere “[geldverzender]” en “[geldverzender 2]” en “Fl 2,262,90”. Twee minuten later, omstreeks 12:17 uur, heeft [verdachte] naar [medeverdachte A] gebeld. [verdachte] zegt in dat gesprek dat [medeverdachte A] naar de plaats moet gaan en tegen hem (derde persoon) moet zeggen dat ze drie hebben gestuurd en dat hij straks met de andere zal komen. Tijdens het gesprek is de stem van medeverdachte [medeverdachte E] op de achtergrond te horen. Omstreeks 12:30 uur heeft [verdachte] naar [medeverdachte A] gebeld. [medeverdachte A] zegt: Hij moet een L achter mijn ding plaatsen. (…) degene van mij moet hij weten hoe hij/zij het moet schrijven, dubbele L, wat je gestuurd hebt is één L. [verdachte] zegt: De namen werden voor hem gestuurd. De stem van [medeverdachte E] is tijdens dit gesprek in de achtergrond te horen. Omstreeks 13:08 uur en 13:12 uur heeft [verdachte] gebeld naar het Nederlandse telefoonnummer van de onbekend gebleven man (31616511195), met wie medeverdachte [medeverdachte E] op de dag van het drugstransport door [medeverdachte C] (3 augustus 2013) omstreeks 15:48 uur heeft gebeld. [verdachte] zegt onder andere dat de man tegen [x] moet zeggen “om zijn telefoon te kijken”. Vijf minuten later, omstreeks 13:17 uur, is [verdachte] gebeld door [medeverdachte A]. [medeverdachte A] zegt dat de man niet eens de postcode voor de zijne heeft gezet. [verdachte] zegt: “De man is niet aan het lezen” en “Als hij leest en de dingens had veranderd zal ik je meteen zeggen. Ik ben ook op hem aan het wachten.” Omstreeks 13:33 uur heeft [verdachte] naar [medeverdachte A] gebeld. Hij zegt dat hij dingen naar de man stuurt maar dat de man niks stuurt. [verdachte] vraagt of hij al geld had ontvangen. [medeverdachte A] antwoordt ja. Twee weken later, op 30 augustus 2013, heeft [verdachte] een SMS-bericht naar [medeverdachte A] gestuurd met de tekst “ [geldverzender 2]” en “Fl2253,54”.35 [medeverdachte A] heeft die dag een bedrag van NAf 2.253,53 bij Western Union in ontvangst genomen. De verzender was [geldverzender 2]. [geldverzender 2] heeft het bedrag vanuit Nederland naar Curaçao verzonden.36

Bewijsoverwegingen

Het Gerecht stelt voorop dat in de onderhavige zaak geen direct bewijs is verkregen van het van enig misdrijf afkomstig zijn van de vanuit Nederland verzonden geldbedragen. Naar het oordeel van het Gerecht is - gelet op bovenvermelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien met de bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 - sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Het Gerecht licht dit als volgt toe.

In totaal zijn 64 geldbedragen door meerdere geldverzenders naar [verdachte] verzonden. Er is gebruik gemaakt van money transfers vanuit Nederland naar Curaçao, wat vaak duurder is dan het gangbare financiële verkeer. Een aantal geldverzenders heeft drugsantecedenten, waaronder [geldverzender]. Ook [verdachte] heeft drugsantecedenten. De inkomensgegevens van [verdachte] verklaren de ontvangst van de ontvangen geldbedragen niet.

Het Gerecht acht voorts de tapgesprekken met betrekking tot de door [medeverdachte A] ontvangen geldtransactie van 15 augustus 2013 redengevend voor het vermoeden van witwassen. [verdachte] neemt deel aan de gesprekken. Hij is bij de organisatie van de geldtransactie betrokken geweest samen met onder andere [medeverdachte E]. [medeverdachte E] en [verdachte] waren samen ook betrokken bij de uitvoer van cocaïne op 3 augustus 2013 door [medeverdachte C]. In de gesprekken over de geldtransactie van 15 augustus 2013 wordt onder meer gesproken over “de plaats”, “dat ze drie hebben gestuurd”, “de andere” en “dingen”. Dat is versluierd taalgebruik. Niet valt in te zien waarom de betrokkenen bij de money transfers gebruik zouden moeten maken van versluierd taalgebruik als sprake was van een legale herkomst van het geld.

Gelet op voornoemd vermoeden mag - overeenkomstig bestendige jurisprudentie - van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet en min of meer verifieerbaar is en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de verdachte een dergelijke verklaring niet gegeven. Dit wordt als volgt toegelicht.

De verdachte heeft verklaard dat het geld naar hem is gestuurd door mensen uit Nederland om bouwmaterialen te kopen en bouwwerkzaamheden te verrichten. Hij noemt echter geen namen van projecten of klanten noch bedragen, waardoor een en ander niet te verifiëren is.

De verdachte heeft voorts verklaard dat [L] geld ging ophalen bij mensen als hij bouwwerkzaamheden moest doen. Uit het overzicht van Western Union blijkt dat in de periode van 16 september 2010 tot en met 21 november 2013 in totaal NAf 47.901,87 naar [verdachte] is verzonden [L]. [L] verklaart hierover als getuige dat hij meebetaalt aan de bouw van appartementen te Jan Doret op een terrein van de vader van [verdachte]. [L] doet mee met [verdachte] en zijn broer aan het project. Het totaal bedrag wat door hem is verzonden, had hij thuis liggen in euro’s, het was spaargeld, aldus [L].37 Deze verklaring ondersteunt de verklaring van de verdachte niet. Voorts blijkt uit onderzoek dat zich geen appartementen op het terrein van [verdachte] bevinden; wel een bouwvallige schuur die er in 2010 ook al stond.38 Het Gerecht acht de verklaring van de getuige derhalve niet betrouwbaar.

Verder heeft de verdachte - voor het eerst ter terechtzitting - verklaard dat bepaalde, niet nader aangeduide geldbedragen betrekking hebben op kledingverkoop door [P]. Deze verklaring is echter niet concreet en dus niet te verifiëren. De verdachte heeft immers in het geheel geen data, bedragen, klanten noch andere details over een kledingverkoop genoemd.

Ook overigens biedt het dossier geen enkele aanwijzing dat de geldbedragen een legale herkomst hebben.

Het Gerecht is derhalve van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de door [verdachte] ontvangen geldbedragen - middellijk of onmiddellijk - uit misdrijf afkomstig zijn en dat hij wist dat deze geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

Op grond van het voorgaande acht het Gerecht bewezen dat de verdachte zich in de tenlastegelegde periode heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van in totaal NAf 98.590,37. Van het meerdere, zoals ten laste is gelegd, zal de verdachte partieel worden vrijgesproken, nu de desbetreffende geldtransacties buiten de tenlastegelegde periode vallen, zoals de raadsman terecht heeft aangevoerd. Gelet op het grote aantal transacties, de lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden, de omstandigheid dat een aantal personen meerdere keren money transfers naar [verdachte] heeft verzonden en het feit dat de verdachte betrokken is geweest bij een drugstransport, is het Gerecht van oordeel dat hij van het plegen van witwassen (opzettelijk) een gewoonte heeft gemaakt.

4B. Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1:

hij op 3 augustus 2013 te Curaçao tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft uitgevoerd ongeveer 587,10 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960.

Feit 2:

hij op tijdstippen in de periode van 2 augustus 2010 tot 15 november 2011 te Curaçao en Nederland tezamen en in vereniging met anderen

van voorwerpen, te weten 24 geldbedragen ter waarde van in totaal NAf 38.332,84

de herkomst heeft verhuld, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of begrepen dat deze geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en

deze voorwerpen heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders wisten of begrepen dat deze geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,

en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Feit 3:

hij op tijdstippen in de periode van 15 november 2011 tot en met 13 oktober 2014 te Curaçao

van voorwerpen, te weten 40 geldbedragen ter waarde van in totaal NAf 60.257,53,

de herkomst heeft verhuld, terwijl hij wist of begreep dat voormelde voorwerpen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en

deze voorwerpen heeft verworven en voorhanden gehad en overgedragen en omgezet, terwijl hij wist of begreep dat voormelde voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

en van dat witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening 1960.

Feit 2:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Feit 3:

eendaadse samenloop van:

witwassen, meermalen gepleegd, en

een gewoonte maken van witwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

7 Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het Gerecht zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft het Gerecht het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de uitvoer van cocaïne. De uitgevoerde cocaïne was kennelijk bestemd voor de verdere verspreiding en handel. De rol van de verdachte hierbij is van groot belang. Met zijn handelen vormt de verdachte een belangrijke schakel bij de handel in cocaïne. Cocaïne is een verslavende stof en schadelijk voor de gezondheid, met alle gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij van dien. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaan gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder het plegen van strafbare feiten van uiteenlopende aard door de gebruikers, ter financiering van hun behoefte aan het door hen gebruikte middel. De verdachte heeft zich hiervan geen rekenschap gegeven en zich kennelijk uitsluitend laten leiden door persoonlijk financieel gewin.

Daarnaast heeft de verdachte zich (samen met anderen) gedurende een periode van ruim vier jaren herhaaldelijk schuldig gemaakt aan witwassen. Het Gerecht neemt het de verdachte kwalijk dat hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte eraan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit en de transparantie van het financiële en economische verkeer.

Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan en is op grond van de aard en de ernst daarvan van oordeel dat slechts een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

In het nadeel van de verdachte wordt rekening gehouden met het feit dat hij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Ook weegt het Gerecht mee dat de verdachte er geen blijk van heeft gegeven de ernst en de laakbaarheid van zijn handelen in te zien.

Het Gerecht is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, en dat geen andere straf op haar plaats is dan één die vrijheidsbeneming van langere duur meebrengt dan door de officier van justitie is gevorderd. Hierbij betrekt het Gerecht de straf die ten aanzien van drugskoeriers met een vergelijkbare (bruto-) hoeveelheid cocaïne in het jaar 2013 pleegde te worden opgelegd en de strafverhogende omstandigheid dat de verdachte niet als drugskoerier maar als onderdeel van de drugsorganisatie is aan te merken alsmede de omvang en ernst van het (gewoonte)witwassen.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 1:123, 1:133, 1:136, 1:224 en 2:405 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 49, 57, 59, 96 en 435b van het Wetboek van Strafrecht (oud);

artikel 3 en 11 van de Opiumlandsverordening 1960.

9 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zoals in rubriek 4B omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten en opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. I.H. Lips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 30 oktober 2015, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het onderzoek Rizinia d.d. 31 augustus 2015.

2 Proces-verbaal van bevindingen GSM (nummer)’s in gebruik bij [verdachte] d.d. 29 juni 2015, p. 4195-4197, een en ander voor zover het het telefoonnummer +5999-[ ] betreft; Proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte E.] en [verdachte] d.d. 9 februari 2015, p. 4094-4096

3 Proces-verbaal Identificatie d.d. 25 februari 2015, p. 4192-4194

4 Proces-verbaal van bevindingen Identificatie [medeverdachte A] d.d. 27 oktober 2014 voor zover het +5999-[ ] betreft, p. 1071-1072

5 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B] d.d. 22 juli 2015, p. 4104 8e alinea

6 Proces-verbaal vaststelling gebruiker d.d. 10 november 2013, p. 4259-4260

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte C. [medeverdachte D] d.d. 11 juni 2015, persoonsdossier 6, p. 17 5e alinea

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [vrouw van medeverdachte E] d.d. 28 augustus 2013, p. 4025 antwoord op de 8e vraag met de bijlage op p. 4029; Geschrift, te weten Foto van verdachte [medeverdachte E], persoonsdossier 2, p. 1; Eigen waarneming van de rechter dat foto 5 op p. 4029 de foto van verdachte [medeverdachte E] betreft; Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B] d.d. 22 juli 2015, p. 5128 antwoord op de laatste twee vragen; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 17 februari 2015, p. 17 antwoord op de laatste vraag; Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 18 juli 2015, p. 5163 antwoord op de 1e en 6e vraag

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte A] d.d. 19 mei 2015, p. 6020 6e alinea

10 Proces-verbaal van Relaas zaaksdossier 3 d.d. 27 augustus 2015, p. 3002 2 t/m 4e alinea

11 Proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 4 augustus 2013, p. 4145-4149

12 Geschrift, te weten Rapport gewichtsbepaling van drugs van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 30 augustus 2013, p. 4173-4177; Proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 augustus 2013, p. 4185-4188

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte C] d.d. 28 augustus 2013, p. 4026 5e en laatste alinea, 4027 antwoord op de 2e vraag

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte C] d.d. 16 februari 2015, p. 4046 antwoord op de 4e vraag

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van medeverdachte C] d.d. 16 augustus 2013, p. 4087, 4089 1e alinea

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van medeverdachte C] d.d. 16 augustus 2013, p. 4019 een na laatste alinea, p. 4020 3e alinea

17 Geschrift, te weten verslag tapgesprek 366, p. 4017

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte D] d.d. 11 juni 2015, persoonsdossier 6, p. 39 12e en 13e alinea, 40 2e, 4e, 8e en 13e alinea, 41 een na laatste alinea

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van medeverdachte C] d.d. 10 september 2013, p. 4037 een na laatste alinea

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte C] d.d. 16 februari 2015, p. 4047 antwoord op de derde vraag; Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte C] d.d. 28 augustus 2013, p. 4025 antwoord op de 8e vraag met de bijlage op p. 4029; Geschrift, te weten Foto van verdachte [medeverdachte E], persoonsdossier 2, p. 1

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [moeder van medeverdachte C] d.d. 10 september 2013, p. 4038 2e, 3e en 4e alinea; Geschrift, te weten verslag tapgesprek 204, p. 4085

22 Proces-verbaal stemherkenning [medeverdachte E] en [verdachte] d.d. 9 februari 2015, p. 4094-4096

23 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B] d.d. 22 juli 2015, p. 4104 9e, 10e, 11e en 13e alinea, 4105 4e en 5e alinea, 4100 laatste 2 alinea’s

24 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B] d.d. 22 juli 2015, p. 4098 3e en 4e alinea, 4101 3e regel, 4105 16e en 17e alinea

25 Geschrift, te weten verslag tapgesprek, p. 4115

26 Geschrift, te weten verslag tapgesprek, p. 4116

27 Geschrift, te weten verslag sms-bericht, p. 4118

28 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte B] d.d. 22 juli 2015, p. 4104 8e alinea

29 Proces-verbaal “[medeverdachte E] [medeverdachte E] op achtergrond” d.d. 2 maart 2015, p. 4119-4122; Geschriften, te weten verslagen van de tapgesprekken, p. 4123-4132

30 Proces-verbaal bevindingen Western Union d.d. 24 augustus 2015, p. 5050-5051 overzicht moneytransfers 1 t/m 64 met de bijbehorende bijlage Pay Transactions p. 5066-5084

31 Proces-verbaal van verhoor getuige [geldverzender] d.d. 3 augustus 2013, p. 5105 9e alinea, 5106 1e, 4e en 10e alinea, 5107 2e alinea

32 Proces-verbaal informatie Hato-Team d.d. 26 augustus 2015, p. 5380; Proces-verbaal antecedenten geldverzenders d.d. 29 augustus 2015, p. 5381; Proces-verbaal bevindingen Western Union d.d. 24 augustus 2015, p. 5050-5051 nummers 3, 15, 26, 27, 41-43, 49-51, 53, 54

33 Geschrift, te weten Pay Transaction Western Union, p. 5065

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte A] d.d. 1 juni 2015, persoonsdossier 1, p. 81 antwoord op de 11e vraag 1e drie zinnen, antwoord op de 12e vraag 2e en 3e zin

35 Geschriften, te weten verslagen tapgesprekken dan wel sms-berichten, p. 5030, 5031, 5032, 5033, 5035, 5036 onderaan, 5037, 5041

36 Geschrift, te weten Pay Transaction Western Union, p. 5065

37 p. 5250 e.v.

38 p. 5265