Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2014:5

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
29-08-2014
Datum publicatie
09-09-2014
Zaaknummer
500.01103/13 en 500.00451/14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken voor de moord, wel wordt hij veroordeeld voor twee gewapende overvallen en vuurwapenbezit. Hij krijgt 8 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Curaçao,

wonende te Curaçao,

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2014, 6 augustus 2014, 7 augustus 2014 en 8 augustus 2014. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. A.S.M. Blonk.

De officier van justitie, mr. G.H. Rip, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte in de zaak met parketnummer 500.01103/13 ter zake van het subsidiair tenlastegelegde en in de zaak met parketnummer 500.00451/14 ter zake van het subsidiair ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Voorts heeft zij bewijsverweren gevoerd, die volgens haar tot vrijspraak dienen te leiden. Ten slotte heeft de raadsvrouw de detentieomstandigheden en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte besproken.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, met inachtneming van de gevorderde en toegewezen wijzigingen, tenlastegelegd:

Parketnummer 500.01103/13

(MEDE)PLEGEN, SUBSIDIAIR MEDEPLICHTIGHEID VAN/AAN MOORD cq DOODSLAG

dat hij op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, Helmin Magno Wiels van het leven heeft beroofd, hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar, opzettelijk, en/of na kalm beraad en rustig overleg, met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden;

subsidiair

dat medeverdachte [medeverdachte 1] en/of medeverdachte [betrokkene 1] en/of één of meer anderen op of omstreeks 5 mei 2013 te Curaçao, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade Helmin Magno Wiels van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben voornoemde [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 1] en/of één of meer anderen opzettelijk en/of na kalm beraad en rustig overleg met gebruikmaking van een vuurwapen, meerdere kogels op (het lichaam van) en/of in de richting van (het lichaam van) voornoemde Wiels afgevuurd, tengevolge waarvan die Wiels meerdere verwondingen en/of letsels heeft bekomen en die Wiels aan die letsels en/of verwondingen is overleden, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 2] op 5 mei 2013 te Curaçao opzettelijk behulpzaam is/zijn geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft/hebben verschaft door aan voornoemde [medeverdachte 1] (bij dat misdrijf te gebruiken) kleding en/of een of (carnavals)masker te verschaffen en/of een of meerdere (valse) kentekenpla(a)t(en) (om op de (vlucht)auto te zetten) te leveren en/of die kentekenpla(a)t(en) op voornoemde auto aan te brengen en/of voornoemde [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 1] en/of één of meer anderen voor en/of na de moord op voornoemde Wiels te volgen in één of meerdere (vlucht)auto(‘s) en/of door voornoemde [medeverdachte 1] en/of [betrokkene 1] en/of één of meer anderen na de moord op voornoemde Wiels te laten overstappen in één of meerdere (vlucht)auto(‘s).

(artikel 2:262 en 2:259 jo 1:123 jo 1:124 Wetboek van Strafrecht van Curaçao)

Parketnummer 500.00451/14

PRIMAIR: MEDEPLEGEN DIEFSTAL MET GEWELD IN VERENIGING/AFPERSING

dat hij op of omstreeks 23 augustus 2013, althans in of omstreeks de maand augustus 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

een bankbiljet van $ 20, en/of,

een mobiele telefoon (van het merk Samsung Galaxy),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een Venezolaanse dame, in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die Venezolaanse dame, gepleegd door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s), hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die Venezolaanse dame, heeft gedwongen tot afgifte van,

een bankbiljet van $ 20, en/of,

een mobiele telefoon (van het merk SamsungGalaxy),

in elk geval (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een Venezolaanse dame, in elk geval aan anderen of een ander dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het opzettelijk,

  • -

    door verdachte en/of zijn medeverdachte met versnelde passen het bedrijf binnen komen en (vervolgens) vóór en naast de toonbank te gaan staan, en/of,

  • -

    (vervolgens) dreigend de woorden toe te voegen: "kom hier mevrouw”, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte een vuurwapen, althans een hard en/of metalen voorwerp en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat voor afdreiging geschikt is, uit zijn broekzak haalt.

(artikel 2:291 lid 1/2/3 jo 2:294 lid 1/3 Wetboek van Strafrecht)

althans, indien het voorgaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

SUBSIDIAIR: MEDEPLICHTIGHEID TOT DIEFSTAL MET GEWELD IN VERENIGING/AFPERSING

Dat [medeverdachte 2] op of omstreeks 23 augustus 2013, althans in of omstreeks de maand augustus 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

 een bankbiljet van $ 20, en/of

 een mobiele telefoon (van het merk Samsung Galaxy),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een Venezolaanse dame, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde Venezolaanse dame en/of S. Constanza-Palm, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of

met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die Venezolaanse dame, heeft gedwongen tot afgifte van,

een bankbiljet van $ 20, en/of,

een mobiele telefoon (van het merk Samsung Galaxy),

in elk geval (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een Venezolaanse dame, in elk geval aan anderen of een ander dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het (opzettelijk),

  • -

    door verdachte en zijn medeverdachte met versnelde passen het bedrijf binnen komen en (vervolgens) vóór en naast de toonbank te gaan staan, en/of,

  • -

    (vervolgens) dreigend de woorden toevoegen: "kom hier mevrouw”, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte een vuurwapen, althans een hard en/of metalen voorwerp en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat voor afdreiging geschikt is, uit zijn broekzak haalt,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 23 augustus 2013, althans in of omstreeks de maand augustus 2013 te Curaçao, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar,

  • -

    (met zijn auto) die [medeverdachte 2] en/of zijn medeverdachte (thuis) op te halen, en/of,

  • -

    die [medeverdachte 2] en/of zijn medeverdachte met een auto te vervoeren naar en/of van de plaats van het misdrijf.

(art. 2:291 lid 1, 2, 3 Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

3.1

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

3.2

Bevoegdheid van het Gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het Gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

3.3

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient te worden verklaard. Zij heeft verschillende punten naar voren gebracht, die alles bij elkaar een grove schending van een behoorlijke strafvervolging en een behoorlijke procesorde zouden opleveren.

Beoordelingsmaatstaf

Het Gerecht stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval de normschending daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Aan de hand van deze maatstaf beoordeelt het Gerecht hieronder de van belang zijnde kwesties in deze zaak.

Studioverhoor van 14 november 2013

Op 14 november 2013 heeft een studioverhoor met de medeverdachte [medeverdachte 1] plaatsgevonden, waarin de officier van justitie met hem naar aanleiding van een bewijspresentatie heeft gesproken. De officier van justitie heeft geconcludeerd dat er voldoende bewijs is om te komen tot bewezenverklaring van drie moorden, ook zonder een bekennende verklaring. De officier van justitie heeft meegedeeld dat de strafeis die daarbij hoort levenslange gevangenisstraf is. Voorts heeft de officier van justitie voorgehouden dat hij zijn strafeis zou kunnen veranderen, als de medeverdachte [medeverdachte 1] zou gaan verklaren in wiens opdracht hij het gedaan heeft. Als hij zou blijven zwijgen zou de officier van justitie zijn strafeis niet aanpassen en zou de medeverdachte [medeverdachte 1], volgens de officier van justitie, hoogstwaarschijnlijk levenslang krijgen.

Van het studioverhoor is op verschillende momenten verslag gedaan in het dossier, onder meer in het proces-verbaal van 19 juni 2014 met het letterlijk uitgewerkte gesprek (vervolg proces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina’s 1743-1750). De officier van justitie heeft hierin bij herhaling meegedeeld dat hij eist en dat de rechter beslist. De officier van justitie heeft uitdrukkelijk gezegd dat voor bewezenverklaring de bekentenis van de verdachte niet nodig was.

Van ongeoorloofde druk door (of namens) de officier van justitie is niet gebleken. Vanzelfsprekend levert het vooruitzicht op een strafeis – en mogelijke oplegging door de rechter – van een levenslange gevangenisstraf druk op. Het Gerecht is echter van oordeel dat de officier van justitie met de aankondiging van deze strafeis niet een irreële prognose of een valse voorstelling van zaken heeft gegeven. Evenmin kan gezegd worden dat de officier van justitie in het studioverhoor ontoelaatbare toezeggingen heeft gedaan die zijn niet-ontvankelijkheid zouden moeten meebrengen. De omstandigheid dat een verdachte opening van zaken geeft en daarmee een bijdrage levert aan het oplossen van een zaak, mag en zal veelal ook worden betrokken bij het formuleren van de eis door de officier van justitie en door de rechter bij de straftoemeting.

Brief van de officier van justitie van 10 maart 2014

In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie aan de medeverdachte [medeverdachte 1], gedateerd 10 maart 2014 (vervolg proces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina’s 1757 en 1758). Deze brief is ondertekend door de officier van justitie, tevens voor gezien en akkoord getekend door de hoofdofficier van justitie en de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voor gezien en akkoord getekend. De officier van justitie heeft over de inhoud van de brief en over het aandachtig doorlezen en ondertekenen daarvan door de medeverdachte [medeverdachte 1] gerelateerd in zijn proces-verbaal van bevindingen (vervolg proces-verbaal (3) deelonderzoek “Marie Pampun” pagina’s 1754 en 1755).

Gelet op de brief en het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van de officier van justitie acht het Gerecht niet aannemelijk de stelling van de verdediging, dat de medeverdachte [medeverdachte 1] een toezegging heeft ondertekend, inhoudende dat het openbaar ministerie van levenslang als strafeis had afgezien.

Het Gerecht is van oordeel dat de brief van 10 maart 2014 geen ontoelaatbare toezeggingen bevat, die de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zouden moeten meebrengen. Daartoe overweegt het Gerecht dat de medeverdachte [medeverdachte 1] een mogelijk zeer belangrijke bron van informatie was, terwijl andere betrokkenen – [betrokkene 1] en [betrokkene 2] – overleden waren. Mede in aanmerking genomen dat [betrokkene 2] in een Curaçaose politiecel is overleden, kan de toezegging tot overplaatsing naar Nederland niet als disproportioneel gezien worden, maar juist eerder als noodzakelijke veiligheidsmaatregel. Zakelijk weergegeven bevat de brief de schriftelijke garantie dat de medeverdachte [medeverdachte 1] wordt overgeplaatst naar Nederland, nadat voldoende is gebleken dat door hem af te leggen verklaringen over de moord op Helmin Wiels en over de moord op [betrokkene 1] op waarheid berusten. Niet gezegd kan worden dat hiermee de aan de verdachte op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) gewaarborgde fundamentele rechten of daaruit afgeleide beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden.

Getuigen

In het dossier (vervolg zaaksdossier (3) Marie Pampun, pagina’s 1820-1821) is verantwoording afgelegd welke kosten aan welke getuigen zijn betaald. Het vergoeden van reis- en verblijfskosten aan getuigen vindt een wettelijke basis in artikel 59 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie, nader uitgewerkt in het Landsbesluit Tarief justitiekosten strafzaken. Niet is gebleken dat de betaalde vergoedingen op meer zien dan alleen het vergoeden van de reis- en verblijfskosten in verband met de veiligheid van de getuigen. Evenmin is de conclusie gerechtvaardigd dat deze kostenvergoedingen disproportioneel zijn, gelet op het overlijden van de twee eerdergenoemde betrokkenen. De betaalde vergoedingen zijn dan ook niet ongeoorloofd.

Het Gerecht overweegt dat enig concreet aanknopingspunt voor het bestaan van een afspraak met de getuige [betrokkene 3], dat zij belastende verklaringen zou afleggen in ruil voor het ontlopen van strafvervolging, ontbreekt. Van een normschending is derhalve niet gebleken.

Voorts is het Gerecht niet gebleken dat de getuigen onder ongeoorloofde druk zijn gezet om een verklaring af te leggen. Het Gerecht acht niet aannemelijk dat aan de echtgenote van de medeverdachte [medeverdachte 1] een seks-foto is getoond, nu dat wordt weersproken in het nagekomen ambtsedig proces-verbaal van 5 augustus 2014, nog daargelaten of het tonen van een seks-foto ongeoorloofde druk zou opleveren.

Onthouden processtukken

Het Gerecht kan de raadsvrouw niet volgen in het betoog, dat een onbekend procesdossier bestaat of dat cruciale processtukken zijn achtergehouden. Van doelbewuste of grovelijk onachtzame vertraging in de verstrekking van het dossier is het Gerecht voorts niet gebleken. Ten slotte is het Gerecht van oordeel dat aan de verdediging niet de mogelijkheid is onthouden om camerabeelden te bekijken, nu daartoe geen verzoek is gedaan, aan het openbaar ministerie noch aan het Gerecht.

Conclusie

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat van de zijde van de opsporing en van het openbaar ministerie op enigerlei wijze is geprobeerd om de verdediging te benadelen. De verdediging heeft alle kans gekregen en genomen om de (betrouwbaarheid van de) verklaringen van de getuigen met redenen te betwisten. Derhalve is voldaan aan de voorschriften van artikel 6 van het EVRM omtrent een eerlijk proces en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Van enige grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of voor bewijsuitsluiting is niet gebleken.

3.4

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Vrijspraak

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 500.01103/13 tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 500.00451/14 primair tenlastegelegde heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Ter zake van het in de zaak met parketnummer 500.01103/13 primair tenlastegelegde is het Gerecht met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor betrokkenheid van de verdachte als medepleger van de moord op Helmin Wiels.

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 500.00451/14 primair tenlastegelegde is het Gerecht eveneens met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het dossier geen aanwijzingen bevat voor betrokkenheid van de verdachte als medepleger van de afpersing.

Vrijspraak medeplichtigheid aan moord op Helmin Wiels

Anders dan de officier van justitie is het Gerecht van oordeel, dat medeplichtigheid aan de moord op Helmin Wiels zoals het in de zaak met parketnummer 500.01103/13 subsidiair ten laste is gelegd, niet bewezen verklaard kan worden.

Weliswaar bevat het dossier wettig bewijs aangaande de betrokkenheid van de verdachte, het Gerecht acht het voor bewezenverklaring van medeplichtigheid noodzakelijke bewijsmiddel – de (tevens door de echtgenote overgebrachte) belastende verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] – echter onvoldoende betrouwbaar om een veroordeling op te baseren.

Het feit dat de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zijn bekentenis niet is gebaseerd op de waarheid, maar onder druk en naar aanleiding van een aangeboden deal is afgelegd, speelt geen rol.

Van belang acht het Gerecht dat in het bijzonder onderdelen van zijn verklaring over de betrokkenheid van anderen, eensgezind en geloofwaardig worden weersproken. Zo heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij het vuurwapen waarmee de moord op Helmin Wiels is gepleegd heeft ontvangen van [betrokkene 1], maar zou het volgens de echtgenote van de medeverdachte [medeverdachte 1] van de verdachte afkomstig zijn. Zowel de medeverdachte [medeverdachte 2] als [betrokkene 4] heeft echter verklaard dat dit vuurwapen is overhandigd door deze [betrokkene 4] zelf. Aan deze verklaringen hecht het Gerecht dan ook meer geloof. Voorts heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat niet de verdachte maar [betrokkene 5] is meegegaan naar Montana Abou waar de vluchtauto is gewassen, terwijl het Gerecht op grond van diverse andere verklaringen – inclusief die van de verdachte zelf – concludeert dat dit niet waar is.

Naast de (tevens door de echtgenote overgebrachte) verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] is er geen objectieve bevestiging, dat de door de medeverdachte [medeverdachte 1] tijdens de moord gedragen (hoofd)bedekkende kleding en handschoenen van de medeverdachte [medeverdachte 2] en/of de verdachte afkomstig zijn.

Het Gerecht kan ook niet komen tot een sluitende redenering, dat het niet anders kan zijn dan dat de medeverdachte [medeverdachte 2] en/of de verdachte deze kleding en handschoenen gegeven zouden hebben. Het komt het Gerecht onlogisch voor dat de medeverdachte [medeverdachte 1], nadat hij de opdracht tot de moord had ontvangen bij [betrokkene 2] in de woning, vervolgens op straat bij verschillende personen om bedekkende kleding is gaan vragen. Voorts heeft de medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard dat hij een spijkerbroek over zijn korte broek heen aanhad. Dat roept de vraag op van wie en wanneer hij de spijkerbroek ontvangen heeft, nu hij niet woonachtig was in Koraal Specht en hij niet verklaard heeft deze van de medeverdachte [medeverdachte 2] of de verdachte te hebben ontvangen. Als hij de spijkerbroek in de woning van [betrokkene 2] ontvangen heeft, ligt het meer voor de hand dat toen en daar ook de overige bedekkende kleding is overhandigd. Dat wordt bovendien bevestigd door de verdachte, die verklaard heeft dat de medeverdachte [medeverdachte 1] anders – namelijk in spijkerbroek en een shirt met lange mouwen – gekleed was toen hij terugkeerde van de woning van genoemde [betrokkene 2].

Het Gerecht concludeert dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] op het punt van de betrokkenheid van de medeverdachte [medeverdachte 2] en de verdachte onvoldoende betrouwbaar is.

Aan de twijfel omtrent de betrouwbaarheid draagt verder het volgende bij. De bij de moord op Helmin Wiels gebruikte vluchtauto is volgens de officier van justitie opgespoord aan de hand van het door getuigen nabij Marie Pampun opgegeven kenteken. Dat klopt niet met de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1], dat er een vals kenteken op de vluchtauto is gezet, voorafgaande aan de moord en met de hulp van de verdachte.

Een en ander leidt ertoe dat het Gerecht niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat het Gerecht de verdachte moet vrijspreken.

4B. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Parketnummer 500.00451/14

subsidiair

Dat [medeverdachte 2] op of omstreeks 23 augustus 2013, althans in of omstreeks de maand augustus 2013 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen,

een bankbiljet van $ 20, en/of

een mobiele telefoon (van het merk Samsung Galaxy),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een Venezolaanse dame, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde Venezolaanse dame en/of S. Constanza-Palm, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of

met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een Venezolaanse dame, heeft gedwongen tot afgifte van,

een bankbiljet van $ 20, en/of,

een mobiele telefoon (van het merk SamsungGalaxy),

in elk geval (een) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die Venezolaanse dame, in elk geval aan anderen of een ander dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het (opzettelijk),

  • -

    door verdachte en zijn medeverdachte met versnelde passen het bedrijf binnen komen en (vervolgens) vóór en naast de toonbank te gaan staan, en/of,

  • -

    (vervolgens) dreigend de woorden toevoegen: "kom hier mevrouw”, terwijl verdachte en/of zijn medeverdachte een vuurwapen, althans een hard en/of metalen voorwerp en/of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp dat voor afdreiging geschikt is, uit zijn broekzak haalt,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 23 augustus 2013, althans in of omstreeks de maand augustus 2013 te Curaçao, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar,

  • -

    (met zijn auto) die [medeverdachte 2] en/of zijn medeverdachte (thuis) op te halen, en/of,

  • -

    die [medeverdachte 2] en/of zijn medeverdachte met een auto te vervoeren naar en/of van de plaats van het misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Voor zover in de telastlegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

parketnummer 500.00451/14

subsidiair

In onderstaande bewijsmiddelen wordt verwezen naar paginanummers in het proces-verbaal genaamd deelonderzoek “Camara” opgemaakt en gesloten op 26 mei 2014 door A.J. Plaate, hoofdagent van politie bij het Korps Politie Curaçao.

5. pagina’s 4-6

Proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 13 december 2013 door R.B. Lovert, brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende als verklaring van de aangeefster [getuige 1], zakelijk weergegeven:

Op 23 augustus 2013 bevond ik mij in de zaak “Camara Rent a Car” samen met een Venezolaanse dame. Ik zag een man voor de deur staan en ik deed de deur open. De man, dader 1, liep met versnelde passen de zaak binnen. Dader 2 liep ook naar binnen. Dader 2 ging vóór de toonbank staan en dader 1 ernaast. Dader 2 zei tegen mij “Senjora bin aki” [vertaald in het Nederlands: “Mevrouw kom hier”, opm. Gerecht]. Ik zag dat dader 2 een vuurwapen vanuit zijn broekzak tevoorschijn haalde. Ik vernam later van de Venezolaanse dame dat dader 2 haar bankbiljet van $ 20,- en haar mobiele telefoon van het merk Samsung Galaxy had weggenomen. Ik vernam van mijn echtgenoot dat de mannen in een gereedstaande auto zijn gestapt.

6. pagina’s 65-71

Proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 23 januari 2014 door H.J. Leito en R.B. Lovert, respectievelijk hoofdagent van politie en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende de verklaring van de verbalisanten, zakelijk weergegeven:

Wij hebben een USB stick ontvangen met daarop opgeslagen videobeelden die opgenomen werden ten tijde van de beroving gepleegd op 23 augustus 2013 bij “Camara Rent a Car”. Bedoelde USB stick werd door ons inbeslaggenomen en bekeken. Op de beelden zagen wij dat:

- twee mannen voor de deur van Camara Rent A Car stonden;

- één van de mannen [medeverdachte 2], bijgenaamd [medeverdachte 2], was;

- [medeverdachte 2] en de andere man de zaak binnen liepen;

- in de zaak de aangeefster en een andere vrouw aanwezig waren;

- de andere man in zijn rechterhand een zwart voorwerp had gelijkend op een vuurwapen;

- deze man de andere vrouw benaderde;

- de vrouw hem een zwart voorwerp gaf en dat zij ook iets vanuit haar tas haalde en aan die man gaf;

- de man het zwarte voorwerp aan [medeverdachte 2] gaf, die het in zijn broekzak stopte.

7. pagina’s 91- 94

Proces-verbaal van verhoor, met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 8 januari 2014 door door H.J. Leito en R.B. Lovert, respectievelijk hoofdagent van politie en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven:

Ik ben samen met [verdachte] en een man bijgenaamd [betrokkene 6] naar “Camara Rent a Car”. [verdachte] kwam mij thuis ophalen. [betrokkene 6] zat toen al in de auto. [verdachte] trad op als bestuurder. [betrokkene 6] en ik zijn uit de auto gestapt en [verdachte] bleef in de auto zitten. Wij liepen naar voornoemde zaak. We gingen naar binnen. We waren op zoek naar geld. Toen we naar buiten gingen renden we naar de plaats waar [verdachte] in zijn auto op ons stond te wachten. [verdachte] wist dat wij van plan waren om geld bij voornoemde zaak te gaan stelen.

8. pagina’s 95-143

Proces-verbaal van verhoor, met bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 28 januari 2014 door H.J. Leito en R.B. Lovert, respectievelijk hoofdagent van politie en brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, voor zover inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2], zakelijk weergegeven:

Telefoonnummer 6799256 met pinnummer 21BC430F had ik vroeger in gebruik. Dat pinnummer behoorde bij de profile: “NLS 4 LIFE SHOOT FAST OR DIE FIRST CODE OF THE OUTLAW KILLERS”.

U confronteert mij met de volgende tap/pingesprekken:

- Tapgesprek, 23 augustus 2013 om 19:53:20 uur: 6799256/ man8234:

[medeverdachte 2] zegt tegen man8234 dat de man hem heeft gezegd dat er iets is en als zij een team kunnen optrommelen dan is het goed. Man8234 vraagt aan [medeverdachte 2] of [verdachte] er ook is en hij zegt om [verdachte] te zoeken. Man8234 zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij hem zal opbellen, dat hij bij hem komt en wij komen dan onmiddellijk bij jou.

Het gesprek ging over de plaats waar wij op 23 augustus 2013 gingen stelen. Ik sprak met [betrokkene 6]. Met [verdachte] bedoelde [betrokkene 6] [verdachte].

- Ping gesprek 23 augustus 2013 om 19:54:29: [medeverdachte 2]/ [betrokkene 7]

[medeverdachte 2] zegt tegen [betrokkene 7] dat hij [betrokkene 6] heeft opgebeld en dat hij [verdachte] zou gaan bellen.

Met [verdachte] bedoelde ik [verdachte].

- Tapgesprek, 23 augustus 2013 om 19:58:04 uur: [medeverdachte 2]/ man3666:

[medeverdachte 2] vraagt aan man3666 of de man hem gebeld heeft. Man3666 zegt ja. [medeverdachte 2] zegt kom mij halen.

Het telefoonnummer 6993666 was in gebruik bij [verdachte]. Ik was met hem aan het praten.

- Tapgesprek, 23 augustus 2013 om 20:05:23 uur: man8234/[medeverdachte 2]:

Man wil weten of zij vervoer hebben. Man geeft aan dat hij zit te wachten, want hij heeft hem gecontacteerd en hij zal komen. [medeverdachte 2] geeft ook aan dat hij hem gecontacteerd heeft en dat hij niet weet of hij eerst [medeverdachte 2] of man8234 zal ophalen.

Ik was met [betrokkene 6] aan het praten. [betrokkene 6] zei tegen mij dat hij [verdachte] had opgebeld en dat hij op [verdachte] aan het wachten was. Ik zei tegen [betrokkene 6] dat ik ook [verdachte] heb opgebeld en dat ik niet wist of [verdachte] eerst [betrokkene 6] of eerst mij zou ophalen.

9. Verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 augustus 2014, zakelijk weergegeven:

Het klopt dat mijn telefoonnummer op 23 augustus 2013 eindigde op 3666.

5A. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

In de zaak met parketnummer 500.00451/14 overweegt het Gerecht als volgt. Het Gerecht acht de door de medeverdachte [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde verklaring over de betrokkenheid van de verdachte betrouwbaar, nu [medeverdachte 2] in zijn verklaring ook zichzelf belast en wel in zwaardere zin. Dit komt de geloofwaardigheid van zijn verklaring ten goede. De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] wordt bovendien ondersteund door de afgeluisterde telefoongesprekken en de onderschepte pingberichten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt het Gerecht het verweer van de verdediging dat niet bewezen kan worden dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, nu er slechts sprake is van één getuigenverklaring. Het Gerecht is van oordeel dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 500.00451/14

Subsidiair

medeplichtigheid aan medeplegen van afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 2:294 in verbinding met artikel 1:124 en artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is als medeplichtige behulpzaam geweest bij een overval, door de daders te vervoeren naar de plaats delict en hen op te wachten en weg te brengen in de vluchtauto. Hij heeft een ondersteunende rol gespeeld, waardoor de medeverdachte samen met een ander een gewapende overval kon plegen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van overvallen behalve de vermogensschade nog langdurig de psychisch nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden. Daarnaast worden door feiten als het onderhavige de in de samenleving in het algemeen bestaande gevoelens van onveiligheid vergroot.

Ten nadele van de verdachte geldt dat hij in het verleden tot een aanzienlijke gevangenisstraf is veroordeeld wegens verschillende overvallen, maar daar kennelijk geen lering uit heeft getrokken. Gelet daarop zal het Gerecht geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De persoonlijke problemen van de verdachte, zoals die naar voren komen uit de over hem opgemaakte rapportages, kunnen eventueel aangepakt worden middels oplegging van bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Het Gerecht hanteert als oriëntatiepunt voor een overval, waarbij met geweld gedreigd wordt maar geen vuurwapen betrokken is, een gevangenisstraf van drie jaren. In de zaak van de verdachte blijkt uit het dossier niet van zijn wetenschap omtrent vuurwapens van de overvallers. Op het oriëntatiepunt past het Gerecht vermindering van een derde toe conform artikel 1:125 van het Wetboek van Strafrecht, omdat de verdachte geen dader maar medeplichtige is.

Het Gerecht past bovendien strafkorting toe van zes maanden, in verband met de ruim zes maanden die de verdachte sinds zijn inverzekeringstelling tot 13 mei 2014 in de politiecellen te Rio Canario heeft doorgebracht. Uit het raadkamerdossier inzake het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis (nummer 800.00019/14, beschikking 6 juni 2014), blijkt dat de officier van justitie op 13 mei 2014 overplaatsing heeft aangeboden van de verdachte naar Sentro di Detenshon i Korekshon Korsou. Kennelijk zou dat naar het oordeel van het openbaar ministerie een veilig alternatief zijn onder minder nijpende omstandigheden. Sinds die datum komt de plaats van detentie te Rio Canario klaarblijkelijk uit de eigen keuze van de verdachte voort en zal het Gerecht de straf niet verder bekorten.

Voorlopige hechtenis

Gelet op de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 500.01103/13 tenlastegelegde moet het in die zaak gegeven bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven. Het in de zaak met parketnummer 500.00451/14 bewezenverklaarde feit is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is op grond van artikel 100 Sv en het Gerecht acht recidivegevaar als bedoeld in artikel 101 Sv aanwezig, zodat ingevolge artikel 97 Sv de gevangenneming wordt bevolen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op artikel 1:62 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4B omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde feit het in rubriek 6 genoemde strafbare feit oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

heft op het in de zaak met parketnummer 500.01103/13 gegeven bevel voorlopige hechtenis;

beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J.P.C. van Dam van Isselt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 29 augustus 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.