Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2014:12

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
10-09-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
500.00239/14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vormverzuim, cid, vwp, drugs.

Bij huiszoeking op grond van CID info is een vuurwapen, munitie en cocaïne aangetroffen. De CID heeft echter het verkeerde huisnummer genoteerd, waardoor het Gerecht oordeelt dat er sprake is van onrechtmatig binnentreden en doorzoeken van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum]1983 te Curaçao,

wonende te Curaçao, [adres] 2.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2014. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.C. Vaders.

De officier van justitie, mr. R. Koert, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van beide tenlastegelegde feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, alsmede tot het betalen van een geldboete van
NAf 12.318,00. Voorts heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd van het inbeslaggenomen vuurwapen en de inbeslaggenomen munitie. Tenslotte heeft de officier van justitie de gevangenneming van de verdachte gevorderd.

De raadsvrouw heeft verweer gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:….

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewijsmiddelverweer

De raadsvrouw heeft in de eerste plaats betoogd, kort samengevat, dat het binnentreden en doorzoeken van de woning van de verdachte aan de [adres] nummer 2 onrechtmatig is geweest, omdat de politie abusievelijk de verkeerde woning is binnengetreden, op grond waarvan hetgeen aldaar in beslag is genomen, dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Het Gerecht overweegt als volgt. Met de verdediging is het Gerecht van oordeel dat hier sprake is van het onrechtmatig binnentreden en doorzoeken van de woning van de verdachte. Immers, de politie is zonder rechtsgeldige titel binnengetreden in de woning van de verdachte, niet zijnde de woning van de beoogde bewoner, tevens de gezochte verdachte. Dat de criminele inlichtingendienst abusievelijk in het proces-verbaal van CID-informatie het verkeerde huisnummer heeft genoteerd ([adres] nummer 2 in plaats van [adres] nummer 5), hetgeen als een verschrijving dient te worden aangemerkt, maakt dit oordeel evenwel niet anders. Derhalve dient ook de inbeslagneming van hetgeen in die woning is aangetroffen, als onrechtmatig te worden aangemerkt. Volgens de verdediging behoort als consequentie van dit onrechtmatig politieoptreden te worden aanvaard dat hetgeen in de woning in beslag is genomen, van het bewijs zal moeten worden uitgesloten.

Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt. Nu hier sprake is van een onherstelbare normschending, waarvan de gevolgen niet specifiek bij wet zijn geregeld, dient de vraag naar mogelijke bewijsuitsluiting te worden beantwoord in het licht van artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Ingevolge lid 5 aanhef en sub b van dit artikel kan de rechter bij schending van voor de procesvoering wezenlijke normen, na een redelijke afweging van alle in het geding zijnde belangen, beslissen dat de resultaten van het gewraakte onderzoek, voor zover zij rechtstreeks door middel van de normschending zijn verkregen, niet tot het bewijs van het strafbare feit worden toegelaten, indien redelijkerwijze aannemelijk is, dat de verdachte door het gebruik van de onderzoeksresultaten ernstig in zijn verdediging is geschaad.

Naar het oordeel van het Gerecht dient de geconstateerde normschending in deze zaak weliswaar te worden aangemerkt als een inbreuk op een wezenlijk strafvorderlijk voorschrift (het huisrecht als grondrecht), maar kan die schending niet worden gelijkgesteld met een inbreuk op de verdedigingsrechten van de verdachte, die immers in de onderhavige strafzaak volledig zijn verdediging als onderdeel van zijn recht op een eerlijk proces heeft kunnen uitoefenen. De raadsvrouw heeft dat ook niet betwist.

In recente rechtspraak heeft de Hoge Raad (het Gerecht verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321) nadere criteria voor bewijsuitsluiting geformuleerd. In dat arrest heeft de Hoge Raad de mogelijkheid van bewijsuitsluiting uitgebreid in die zin, dat toepassing van een dergelijke sanctie bij een vormverzuim (normschending) ook noodzakelijk kan zijn in uitzonderlijke situaties waarin een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. In dat geval kan toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht, aldus de Hoge Raad, als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben, te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Bovendien, zo overweegt de Hoge Raad, kan toepassing van bewijsuitsluiting niet onder alle omstandigheden worden uitgesloten als sprake is van de – zeer uitzonderlijke – situatie dat het desbetreffende vormverzuim, naar uit objectieve gegevens blijkt, zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen.

Uit deze rechtspraak van de Hoge Raad leidt het Gerecht af, dat naast de wegingsfactoren bij de beoordeling van de in het geding zijnde belangen, zoals vermeld in lid 7 van artikel 413 Sv, tevens de vraag in acht behoort te worden genomen of toepassing van bewijsuitsluiting een effectief middel is tot het bevorderen van normconformiteit bij de opsporing.

Het Gerecht stelt vast dat hier sprake is van een belangrijke strafvorderlijke norm, namelijk de grondwettelijk beschermde waarborg tegen schending van het huisrecht. Het belang van verdachte is door een onterechte politie-inval en doorzoeking die zin ernstig geschaad. Aan de andere kant was het politie-optreden in deze zaak ingegeven door het algemene belang dat een ernstige strafbare feit (het bezit van een vuurwapen) dient te worden opgespoord. Het Gerecht is van oordeel dat in de concrete omstandigheden van deze zaak dit algemene belang zwaarder moet wegen. Het bezit van een vuurwapen is een ernstig strafbaar feit, dat streng dient te worden bestreden. Dat dit algemene belang in deze zaak een groter gewicht toekomt dan het belang van het huisrecht van de verdachte, hangt rechtstreeks samen met de niet als zeer ernstig aan te merken schending van de norm in de concrete situatie van deze zaak. Immers, het feit dat de politie de verkeerde woning binnentrad, is terug te voeren op een vergissing, een menselijke fout, terwijl de verdenking tegen een bepaalde andere persoon op zichzelf gerechtvaardigd was op grond van voldoende concrete en specifieke verkregen CID-informatie, hoewel de voorbereiding van het binnentreden beter had gekund. Dit betekent dat aan de ernst van de normschending een geringe mate van verwijtbaarheid bij de politie ten grondslag ligt, waardoor het algemene belang van de opsporing niet dwingt tot toepassing van bewijsuitsluiting. Bovendien is het Gerecht van oordeel dat uit de door de politie begane normschending niet kan worden geconcludeerd dat een dergelijke schending wijst op een professionele slordigheid die als onderdeel kan worden gezien van een verkeerde en frequente politiepraktijk. Ook in dat opzicht is er dus voor bewijsuitsluiting als sanctie (met het doel een met de wet strijdige politiepraktijk te corrigeren) geen plaats. Ook de verdediging heeft niet aangevoerd en niet aannemelijk gemaakt dat hier sprake is van een bestendige opsporingspraktijk.

Niettemin ziet het Gerecht in de gang van zaken aanleiding om de verdachte in het door hem ondervonden nadeel, het dulden van een onterechte politie-inval in zijn woning, enigszins te compenseren door, in het geval de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden, de hem op te leggen straf te matigen.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd, kort samengevat, dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig was, omdat op het moment van zijn aanhouding geen sprake meer was van een ontdekking op heterdaad. De verdachte bevond zich immers niet in zijn woning ten tijde van de huiszoeking, maar heeft zich later op de dag gemeld bij het politiebureau, waar hij werd aangehouden. Voor die aanhouding was bijgevolg de toestemming vereist van de officier van justitie, welke niet is gevraagd door de politie. De bekennende verklaringen van de verdachte die als gevolg van deze onrechtmatige aanhouding zijn verkregen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, aldus steeds de verdediging.

Het Gerecht overweegt hieromtrent als volgt. Uit het proces-verbaal van binnentreden Kaya Halo 2 d.d. 3 april 2014 blijkt dat de huiszoeking op 2 april 2014 omstreeks 7.45 uur werd gesloten en dat de woning van de verdachte omstreeks 7.50 uur werd verlaten. Blijkens het proces-verbaal van aanhouding op heterdaad d.d. 3 april 2014 is de verdachte diezelfde dag aangehouden omstreeks 10.30 uur, nadat hij zich omstreeks 10.20 uur had gemeld op het politiebureau. Tevens blijkt uit laatstgenoemd proces-verbaal dat de politie en het arrestatieteam, door tussenkomst van een familielid van de verdachte en met behulp van een foto van de verdachte, na het verrichten van de huiszoeking zijn blijven zoeken naar de verdachte tot (kort voor) het moment dat hij zich meldde op het politiebureau. Deze gang van zaken, waaruit volgt dat na het ontdekken van de strafbare feiten sprake is geweest van het verrichten van opsporingsactiviteiten tot (kort voor) het moment van de aanhouding van de verdachte, leidt het Gerecht tot het oordeel dat ten tijde van zijn aanhouding nog sprake was van een ontdekking op heterdaad als bedoeld in artikel 73 Sv. De aanhouding van de verdachte was derhalve niet onrechtmatig. Dit verweer wordt verworpen.

4B. Redengevende feiten en omstandigheden1

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van het onder feit 1 en het onder feit 2 tenlastegelegde op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

ten aanzien van feit 1 en feit 2:

1. Proces-verbaal huiszoeking [adres] nummer 2 d.d. 3 april 2014, pagina 21 tot en met 25, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van R.L. Contreras, brigadier van politie:

De huiszoeking te [adres] nummer 2 werd op 2 april 2014 geopend. Tijdens de huiszoeking werden de hieronder genoemde goederen in het belang van het onderzoek in beslag genomen:

- in de klerenkast trede 2 in slaapkamer 4: een pistool merk Pietra Beretta model 92 FS;

- in de groene wasmand in slaapkamer 4: 42 scherpe patronen 9 mm;

- in een plastic zak met opschrift 75 naast de klerenkast in slaapkamer 4:
43 bolletjes inhoudende een substantie gelijkend op cocaïne.

2. De verklaring van de verdachte, zoals hij deze heeft afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2014, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik woon op het adres [adres] nummer 2. Het daar op 2 april 2014 tijdens de huiszoeking in mijn slaapkamer aangetroffen vuurwapen van het merk Pietro Beretta is van mij. Ik heb dit vuurwapen gekregen in 2007 van een vriend genaamd Juni. Er zaten ook patronen bij. De zak met 43 bolita’s die ook tijdens de huiszoeking werd aangetroffen in mijn slaapkamer heb ik gekregen als onderpand van iemand voor wie ik een scooter heb gerepareerd. Ik wist dat er drugs in de bolita’s zat.

ten aanzien van feit 1:

3. Proces-verbaal van weging, testen en opsturen van monsters d.d. 2 april 2014, pagina 91 tot en met 92, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van R.L. Contreras, brigadier van politie:

Op 2 april 2014 heb ik 43 bolletjes elk inhoudende een geringe hoeveelheid witachtig poeder, overgenomen. Deze bolletjes werden in beslag genomen tijdens de huiszoeking te [adres] nummer 2. Bij weging van de 43 bolletjes bleken deze een gezamenlijk brutogewicht te hebben van 402 gram. Door mij werd een bolletje als monster genomen en in een plastic potje met dop gedaan met opschrift nummer 40/2014 code II-B. Dit werd ter beschikking gesteld van het Analytisch Diagnostisch Centrum alhier met het verzoek te willen nagaan of het materiaal een der verdovende middelen als bedoeld in de Opiumlandsverordening 1960 bevat.

4. Een geschrift, te weten een rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. op Curaçao, opgemaakt op 5 augustus 2014 door drs. ing. L. Virginia-Cova, voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven- als diens bevindingen:

Het aangeboden materiaal bestond uit een plastic potje met dop, met het opschrift no. 40 code II-B, inhoudende een bolletje bevattende een hoeveelheid witachtig poeder. Dunnelaagchromatografisch en gaschromatografisch werd aangetoond dat het materiaal cocaïne bevat. Uit de verkregen resultaten moet de conclusie getrokken worden dat het materiaal cocaïne bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.

ten aanzien van feit 2:

5. Proces-verbaal van Team Forensische Opsporing d.d. 8 augustus 2014, pagina 107 tot en met 108, inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van W.S. Schoop, brigadier en forensisch rechercheur bij het Team Forensische Opsporing: Op 2 april 2014 verzocht brigadier R.L. Contreras onder aanbieding van een pistool en scherpe patronen een onderzoek naar deze voorwerpen in te stellen. Het op 2 april 2014 bij de verdachte [ ] wonende te [adres]nummer 2 inbeslaggenomen voorwerp is een pistool van het merk Pietra Beretto, model 92. Tevens werden er veertig scherpe patronen van het kaliber 9 mm aangeboden. Het pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd. De scherpe patronen betreft munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.

4C. Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

feit 1

dat hij op 2 april 2014 in Curaçao aanwezig heeft gehad ongeveer 402 gram van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening 1960.

feit 2:

dat hij op 2 april 2014 in Curaçao

 een pistool van het merk Pietro Beretta, en

 meerdere scherpe patronen,

zijnde een vuurwapen en munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan de verdachte onder feit 1 en feit 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumlandsverordening 1960

en

feit 2: overtreding van het verbod, gesteld bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft het Gerecht zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft het Gerecht het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie in zijn huis. Het onbevoegd bezit van vuurwapens is in strijd met de wet en, gelet op de grote risico’s die daaraan verbonden zijn, maatschappelijk onaanvaardbaar. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het - kort gezegd - verboden bezit van cocaïne. Dit verdovende middel is zeer verslavend en schadelijk voor de volksgezondheid, met alle gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij van dien. Het gebruik van en de daarmee samenhangende handel in verdovende middelen gaan voorts gepaard met andere vormen van criminaliteit, waaronder strafbare feiten van uiteenlopende aard gepleegd door de gebruikers, ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Het Gerecht heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van opiumdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is derhalve geïndiceerd. Het Gerecht acht op grond van het voorgaande een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden passend en geboden. Gelet evenwel op hetgeen het Gerecht in rubriek 4A heeft overwogen zal het Gerecht deze straf matigen.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is.

7A. Onttrekking aan het verkeer

Het inbeslaggenomen pistool van het merk Pietro Beretta, model 92, en de inbeslaggenomen munitie zullen worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit 2 met betrekking tot deze voorwerpen is begaan.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 1:19, 1:20, 1:21, 1:74, 1:75, 1:136, 1:224 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 3 en 11 van de Vuurwapenverordening 1930 en artikel 3 en 11 van de Opiumlandsverordening.

9 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde zoals in rubriek 4C omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van

vijftien (15) maanden;

bepaalt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

onttrekt aan het verkeer het pistool van het merk Pietro Beretta, model 92, en de munitie;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte;

beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 10 september 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het onderzoek “HALO” d.d. 11 augustus 2014.