Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2011:BU8417

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
28-11-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
AR 37380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betreft vervolg op <i>LJN</i> BT2491. De Stichting vordert verklaring voor recht dat gedaagde dwangsommen heeft verbeurd en daarom moet betalen. Gerecht oordeelt dat in zoverre dwangsommen zijn verbeurd deze worden gematigd tot nihil. Derhalve heeft de Stichting geen belang meer bij haar vordering en vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

AR 37380

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis van 28 november 2011

in de (verkorte termijn) zaak van:

de stichting STICHTING JOHANNES BOSCO,

gevestigd en kantoorhoudende op Curaçao,

eiseres (in reconventie)

gemachtigde mr F.M. Murray.

tegen

[gedaagde],

wonende op Curaçao,

gedaagde (in reconventie),

thans procederend in persoon.

Partijen zullen hierna de Stichting en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit het vonnis van het Hof van 8 maart 2011 waarin de zaak met betrekking tot de in reconventie door de Stichting gevorderde dwangsommen op de voet van artikel 282 Rv is terugverwezen naar het Gerecht van Eerste Aanleg (GEA) voor verdere beslissing.

1.2. Daarop heeft het gerecht bij rolbeschikking van 4 april 2011 de zaak verwezen naar de rol voor het nemen van een akte door ieder van partijen voor een nadere uiteenzetting van hun stellingen wat betreft de door de Stichting gevorderde dwangsommen.

1.3. Partijen hebben daarop ieder een akte genomen op 8 augustus 2011.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het vonnis van 8 maart 2011 heeft het Hof, anders dan het GEA bij vonnis van 10 augustus 2009, beslist dat dwangsommen die mogelijk verbeurd zijn ingevolge het vonnis van het Hof van 4 april 2000 nog niet zijn verjaard.

2.2. De daaraan ten grondslag liggende overweging is dat het vonnis van het Hof van 4 april 2000 dateert van voor de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering per 1 augustus 2005, en naar het oude recht de daarin door het GEA toegepaste bijzondere verjaringsregel van artikel 611g Rv nog niet bestond. Ingevolge het overgangsrecht is deze nieuwe regel niet van toepassing op de onderhavige dwangsommen. Artikel 22 van de Landsverordening houdende het overgangsrecht van 15 maart 2001 (PB 2001, no. 26) zoals gewijzigd, bepaalt namelijk dat het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten aanzien van dwangsommen slechts van toepassing is indien zij worden verschuldigd op grond van een na haar in werking treden uitgesproken veroordeling. Omdat dat hier niet het geval is, brengt dat het Hof tot de slotsom dat onder het hier toepasselijke (oude) recht de volgens de Stichting verbeurde dwangsommen nog niet zijn verjaard.

2.3. Vervolgens komt het Hof tot de overweging dat [gedaagde] aan zijn beroep op rechtsverwerking niet meer ten grondslag heeft gelegd dan enkel tijdsverloop en overweegt zij dat dit onvoldoende is om een dergelijk beroep te honoreren. Ook dit beroep is dan ook verworpen door het Hof.

2.4. Tot slot overweegt het Hof dat het GEA nog niet aan een materiële beoordeling van de op de dwangsommen betrekking hebbende vorderingen is toegekomen en verwijst zij de zaak op de voet van artikel 282 Rv terug naar het GEA teneinde daarop alsnog te beslissen.

2.5. In artikel 282 Rv – in Nederland bestaat geen vergelijkbare bepaling – is bepaald dat indien het hoger beroep van een vonnis waarbij de rechter in eerste aanleg aan een beslissing in het bodemgeschil niet is toegekomen tot een uitspraak leidt die meebrengt dat zodanige beslissing alsnog moet worden genomen, het Hof de zaak daartoe naar dezelfde rechter kan verwijzen, dan wel indien de zaak ter kennisneming staat van een andere rechter in eerste aanleg, naar deze laatste, tenzij partijen verlangen dat het Hof de hoofdzaak zelf zal afdoen, of het Hof daartoe termen aanwezig acht op grond dat het geding in die staat is dat daarover bij een hetzelfde eindvonnis kan worden beslist.

2.6. Ingevolge het hiervoor aangehaalde 282 Rv moet er voor een terugverwijzing dus sprake zijn van een beslissing in het bodemgeschil waaraan de rechter in eerste aanleg niet is toegekomen. Dat is hier echter niet het geval, immers heeft het GEA een beslissing gegeven naar aanleiding van de op de dwangsommen betrekking hebbende vordering, namelijk de beslissing dat deze vordering is verjaard.

2.7. Hoewel gelet op het bovenstaande, de beslissing van het Hof tot terugverwijzing niet juist is, zal het GEA aan de door het Hof gegeven opdracht gevolg geven en thans omtrent de gevorderde dwangsommen opnieuw rechtdoen. Daarbij is in aanmerking genomen dat ook na de terugverwijzing geen van partijen zich heeft verzet tot een verdere (materiële) beoordeling van de vordering door het GEA.

2.8. Het gaat in deze dus nog om de vordering van de Stichting om voor recht te verklaren dat [gedaagde] ingevolge een vonnis van het Hof van 4 april 2000 dwangsommen heeft verbeurd en [gedaagde] in dat kader NAF 200.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf oktober 2007, moet betalen.

2.9. In het vonnis van het Hof van 4 april 2000 is, voor zover hier relevant, het volgende beslist:

&lt;i&gt;- Verbiedt [gedaagde] om met ingang van twee weken na betekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van NAF 500,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat hij dit verbod niet nakomt met een maximum van NAF 100.000,00, containers en bouwmaterialen te plaatsen of op te slaan of bouwwerkzaamheden te verrichten op het terrein dat de Stichting in eigendom of in bezit heeft, met machtiging aan de Stichting om deze materialen voor rekening van [gedaagde] te doen verwijderen, desnoods met behulp van de sterke arm.

- Beveelt [gedaagde] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis af te breken en te verwijderen het prieel en al hetgeen hij heeft gebouwd, geplaatst of aangebracht op het terrein dat de Stichting in eigendom of in bezit heeft, op straffe van een dwangsom van NAF 500,00 voor elke dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] dit bevel niet nakomt met een maximum van NAF 100.000,00, met machtiging aan de Stichting om deze zaken voor rekening van [gedaagde] af te breken en te doen verwijderen, desnoods met behulp van de sterke arm. &lt;/i&gt;

2.10. Het terrein zoals in de aangehaalde beslissing genoemd, betreft een dam waarmee een zoutpan die is gelegen bij het aan de Stichting toebehorende schiereiland Brakkeput Ariba wordt afgesloten van het omliggende Spaanse Water. Voor de dam, aan de zijde van het Spaanse Water, ligt een aantal waterkavels. Daarvan worden er twee door het Land Curaçao aan [gedaagde] verhuurd. Het gaat om de kavels [ ] en [ ]. [gedaagde] woont op kavel [ ]in een op palen en in het water staande woning. Op kavel [ ] heeft [gedaagde] een woonhuis in aanbouw, eveneens op palen en in het water staand. De kavels zijn over het land uitsluitend via de dam bereikbaar.

2.11. Het belang van de Stichting bij de dam is dat zij met betrekking tot het schiereiland Brakkeput Ariba een verkavelingsplan heeft opgesteld dat door het Bestuurscollege op 2 april 1992 is goedgekeurd en waaraan zij, naar zij stelt, uitvoering wil geven. In het plan is voorzien in een aantal kavels die direct aan de zoutpan zijn gelegen. De bedoeling van de Stichting is om deze &lt;i&gt;waterfront&lt;/i&gt; (aan het Spaanse Water) te maken door afgraving van de dam.

2.12. Uit het voorgaande blijkt dat de belangen van partijen conflicteren. [gedaagde] wil de dam behouden voor de toegang tot zijn kavels, de Stichting wil deze afgraven om de kavels aan de zoutpan &lt;i&gt;waterfront&lt;/i&gt; te maken. Vooralsnog is het pleit in het voordeel van de Stichting beslecht, namelijk is in hoger beroep beslist dat de Stichting als eigenaar of bezitter exclusieve rechten ten aanzien van de dam kan uitoefenen.

2.13. Dan terug naar de vordering van de Stichting. De Stichting stelt dat [gedaagde] na de betekening op 14 april 2000 van het vonnis van 4 april 2000 aan de daarin gegeven bevelen – zie hetgeen hiervoor onder 2.9 is overwogen – geen opvolging heeft gegeven. In dat kader wijst zij op een proces-verbaal van bevindingen van een door haar geïnstrueerde deurwaarder van 8 mei 2006 waarin het volgende is opgenomen:

&lt;i&gt;Geconstateerd:

dat al hetgeen de heer [gedaagde] op het terrein heeft gebouwd en geplaatst of aangebracht op het terrein toebehorende aan rekwirante te Brakkeput Ariba #[ ] nog niet afgebroken danwel verwijderd zijn;

Er ligt hier en daar planten zowel in potten als wortelvast in de grond, deze dienen van het terrein te worden verwijderd;

Bij de ingang van het terrein is een plantenprieel geplaatst, deze dient van het terrein te worden verwijderd;

De garage dient afgebroken te worden aangezien deze gebouwd is aan het perceel Brakkeput Ariba # [ ].

Het afdakje aan de waterkant, dient te worden verwijderd;

De glijbaan dient van het terrein te worden verwijderd;

De bouwmaterialen waaronder olievaten en pallets dienen van het terrein te worden weggehaald;

De opgevulde dijk dient d.m.v. graafwerkzaamheden te worden verwijderd. &lt;/i&gt;

2.14. In het proces-verbaal wordt verwezen naar foto’s die de deurwaarder van de situatie ter plaatse zou hebben gemaakt. Deze foto’s zijn niet in de procedure overgelegd.

2.15. Het verweer van [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord in reconventie is als volgt:

&lt;i&gt;1. de potten en planten niet van [gedaagde] zijn;

2. garage staat op ingevuld gedeelte van waterkavel [ ];

3. het plantenklimrek niet door [gedaagde] is niet geconstrueerd;

4. het afdakje (prieel) staat al 8 jaar boven domeinwater, dus regardeert de Stichting niet;

5. glijbaan idem;

6. olievaten en pallets niet op de dijk liggen maar op een ingevuld deel van kavel [ ] en/of opgevuld deel Spaanse Water.&lt;/i&gt;

2.16. Het verweer van [gedaagde] in zijn akte na terugverwijzing van 8 augustus 2011 is:

&lt;i&gt;- dat de potten op het strand of op de waterkavel zijn geplaatst;

- dat er uiteraard wel eens planten kunnen gaan groeien op een terrein, dat in het geheel niet gebruikt wordt;

- dat het plantenprieel, staande gedeeltelijk op zijn waterkavel en gedeeltelijk op het terrein van de stichting op geen enkele wijze de Stichting heeft gehinderd bij enige activiteit en bovendien door hem is verwijderd, uiteraard omdat de waarde ervan volstrekt niets was vergeleken bij de mogelijke dwangsommen;

- dat hetzelfde geldt voor de garage;

- dat het afdakje aan de waterkant verplaatst is en zich thans boven het water bevindt;

- dat de glijbaan in het water staat;

- dat de olievaten en pallets zijn verdwenen;

- dat de opvulling is verwijderd.&lt;/i&gt;

2.17. Wat betreft het eerste onderdeel van het vonnis van het Hof van 4 april 2000 staat ter beslissing c.q. vaststelling of op de dam containers en/of bouwmaterialen zijn geplaatst en/of daarop bouwwerkzaamheden zijn verricht. Uit het overgelegde proces-verbaal – dus zonder foto’s, vgl. hiervoor onder 2.14 – blijkt niet van de uitvoering van bouwwerkzaamheden en/of door [gedaagde] geplaatste containers en/of bouwmaterialen door [gedaagde]. Weliswaar is in het proces-verbaal vermeld dat er olievaten en pallets op de dam aanwezig zijn, echter kunnen deze, anders dan de deurwaarder concludeert, niet zonder meer als bouwmaterialen worden aangemerkt.

2.18. Wat het tweede onderdeel van het vonnis betreft staat ter beslissing of een prieel is afgebroken en of andere op de dam gebouwde, geplaatst of aangebrachte zaken zijn verwijderd. In het meergenoemde proces-verbaal is vermeld dat op de dam een aantal zaken zijn geplaatst, waaronder een prieel en een garage en een aantal potten en planten. Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat in zoverre deze zaken er zijn, deze niet op de dam staan maar op zijn voor de dam gelegen waterkavels.

2.19. De niet in de procedure overgelegde foto’s bij het proces-verbaal zouden ten aanzien van het bovenstaande mogelijk meer duidelijkheid geven, echter zal het om de hierna te geven overwegingen niet nodig zijn om deze foto’s alsnog te overleggen.

2.20. Daarnaast is nog de vraag in hoeverre de door de deurwaarder geconstateerde afwijkingen van het tweede onderdeel van het bevel in de beslissing van het Hof van 4 april 2000, reeds toen, op 4 april 2000 ook aan de orde waren. Het belang van de vraag is gelegen in de beperkte strekking van dit tweede onderdeel, namelijk dat het ziet op de verwijdering van zaken die op dat moment op de dam waren gebouwd, geplaatst of aangebracht. Om de hierna te geven overwegingen zal echter ook een beoordeling van deze vraag niet nodig zijn.

2.21. Indien namelijk na overlegging van de foto’s en/of verdere bewijslevering en verdere overwegingen al zou komen vast te staan dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan de bevelen in het meergenoemde vonnis en in dat kader dwangsommen zou verbeuren, zou dat in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zijn. De Stichting heeft nimmer uitvoering gegeven aan het verkavelingsplan dat nota bene al in 1992 is goedgekeurd door het Bestuurscollege. Ook sinds het vonnis van 4 april 2000 heeft de Stichting nog niets verkaveld, ontwikkeld of gebouwd. De dam ligt er nog steeds en de Stichting maakt daarvan geen gebruik. Nu meer dan elf jaar na het meergenoemde vonnis, kan niet worden volgehouden dat in zoverre [gedaagde] niet aan de bevelen in het vonnis gevolg zou hebben gegeven, de Stichting bij de uitvoering van het vonnis een onmiddellijk belang heeft, anders dan de mogelijk in dat verband te verbeuren dwangsommen. Dat belang staat evenwel niet op zichzelf en is voor het verbeuren, althans het verschuldigd zijn, van dwangsommen onvoldoende.

2.22. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat indien niet of niet volledig aan de bevelen zou zijn voldaan en de Stichting op enig moment bij de juiste uitvoering daarvan alsnog belang zou krijgen, zij daaraan eenvoudig zelf tegemoet kan komen door het uitoefenen van het haar eveneens in het vonnis van het Hof van 4 april 2000 vergunde recht om aan de bevelen zelf uitvoering te doen geven, en wel op koste van [gedaagde].

2.23. Het voorgaande leidt tot de beslissing dat in zoverre dwangsommen zijn verbeurd, deze worden gematigd tot nihil gelet op het ontbreken van enig belang van de Stichting daarbij. De rechterlijke bevoegdheid tot een dergelijke matiging vloeit voort uit het per 1 augustus 2005 van toepassing zijnde artikel 611d lid 2 Rv, waarvan een vergelijkbare bepaling in Nederland overigens ontbreekt. Buiten het geval van onmogelijkheid in het Nederlandse artikel 611d Rv bestaat in Nederland geen enkele mogelijkheid om de dwangsom op te schorten, op te heffen of te verminderen hetgeen het Benelux Gerechtshof in het arrest Trenning/Krabben ook heeft bevestigd (Benelux Gerechtshof, 9 maart 1987, NJ 1987/910). Omtrent de wel voor de Antillen ingevoegde matigingsbevoegdheid in artikel 611d lid 2 Rv heeft

J. de Boer geschreven “dat onder de tropenzon gemakkelijk een zekere lichtzinnigheid kan ontstaan die ertoe leidt dat een rechterlijke uitspraak eerder dan in Nederland – waar zulks al spoedig wordt beschouwd als de ‘bijl aan de wortel van de rechtsstaat’ – niet stipt wordt nageleefd” (J. de Boer, Burgerlijke Rechtsvordering in de West, NJB 2005, p. 1980-1984). Hoewel een vergelijkbare regeling onder het op deze zaak van toepassing zijnde oude recht ontbreekt – zie over de toepasselijkheid van het oude recht op deze zaak hetgeen daarover onder 2.2. is overwogen – moet onder dezelfde tropenzon, ook voor het oude recht eenzelfde bevoegdheid tot matiging of nihilstelling van eenmaal verbeurde dwangsommen worden aangenomen. De grondslag daarvan kan worden gevonden in de redelijkheid en billijkheid waartoe schuldeiser en schuldenaar jegens elkaar zijn gehouden ingevolge het bepaalde in artikel 6:2 BW.

2.24. Toegepast op de onderhavige zaak zal, in zoverre [gedaagde] niet aan de bevelen in het meergenoemde vonnis zou hebben voldaan, de Stichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen onverkorte aanspraak op de in dat kader te verbeuren dwangsommen kunnen maken, immers is thans na het verstrijken van een periode van meer dan elf jaar na het vonnis van het Hof van 4 april 2000 niet gebleken dat de Stichting daarvan enig nadeel zou hebben ondervonden, noch dat de Stichting alsnog een belang zou hebben bij de juiste uitvoering van de daarin gegeven bevelen.

2.25. De slotsom van het voorgaande is dat in zoverre dwangsommen zijn verbeurd – hetgeen (nog) niet is komen vast te staan – deze worden gematigd tot nihil, althans de op de betaling van die dwangsommen gerichte vordering wordt afgewezen. Daarmee heeft de Stichting ook geen belang meer bij haar vordering tot een verklaring van recht dat dwangsommen zijn verbeurd, reden waarom ook deze vordering wordt afgewezen.

2.26. De Stichting zal als de in in het ongelijk gestelde partij in het geding in reconventie worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde] na terugverwijzing door het Hof worden begroot op NAF 850,00 (0,5 punt x tarief) met dien verstande dat deze zijn verschuldigd naast de proceskosten waarin de Stichting in reconventie in het vonnis van 10 augustus 2009 is veroordeeld.

3. De beslissing

3.1. wijst andermaal de vorderingen in reconventie af,

3.2. veroordeelt de Stichting in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op NAF 850,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.R. Veerman en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 november 2011.