Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2011:BQ4466

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
28-03-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
AR 2010/34522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[Eiser] vordert verklaring voor recht dat [gedaagde] en PS onrechtmatig tegenover haar hebben gehandeld door haar te beschuldigen van corruptie en machtsmisbruik en vordert schadevergoeding. Het Gerecht oordeelt dat het gevorderde in beginsel een beperking inhoudt van het in art. 10 eerste lid EVRM neergelegde grondrecht op vrijheid van meningsuiting. [eiser] heeft, door als adviseur deel te nemen aan de voorbereiding van de Ronde Tafel Conferentie over staatkundige veranderingen en vervolgens als nog immer prominent lid van haar partij in het openbaar een keuze te bepleiten, de politieke arena weer betreden. In beginsel dient zij daarom een grotere tolerantie op te brengen ten opzichte van uitlatingen die over haar worden gedaan en dient zij zich meer kritiek te laten welgevallen. Het Gerecht wijst de vorderingen af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknummer: AR 2010/34522

vonnisdatum: 28 maart 2011

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te Curaçao,

eiseres,

gemachtigde mr. K. Frielink,

tegen:

1. [gedaagde],

wonende te Curaçao,

2. de vereniging PUEBLO SOBERANO,

gevestigd te Curaçao,

gemachtigde mr. C.A. Peterson.

Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde] en PS worden genoemd.

Verloop van de procedure

[eiser] heeft gesteld en gevorderd als vermeld in het inleidend verzoekschrift met producties, dat op 24 februari 2010 ter griffie is ingekomen. De zaak is aangebracht als spoedeisende bodemzaak, maar heeft dat karakter verloren nadat herhaaldelijk was ingestemd met uitstel voor de conclusie van antwoord.

[gedaagde] en PS hebben uiteindelijk op 21 juni 2010 een conclusie van antwoord ingediend, onder overlegging van producties. Partijen hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd onder overlegging van producties, waarna [eiser] op 14 februari 2011 nog een akte uitlating producties heeft genomen. Vonnis is bepaald op heden.

De feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staat het volgende vast:

a. [eiser] is partijleider geweest van de PNP en namens die partij Minister van Justitie en Minister-President van de Nederlandse Antillen. In 2002 heeft zij de actieve politiek verlaten. Zij is nog steeds lid van de PNP.

b. In 2004 heeft [eiser] met twee partners Blue Liaison Corporate Finance N.V. opgericht, een adviesbureau op het gebied van financiële, bedrijfsorganisatorische, strategische en juridische zaken. Zij is directeur van die vennootschap. Blue Liaison Corporate Finance N.V. is managing director van de in 2007 opgerichte vennootschap Blue factor B.V.. [eiser] is president commissaris bij Blue Factor B.V., die zich bezig houdt met factoring, dat wil zeggen het opkopen van facturen bij crediteuren en het vervolgens innen van die facturen bij de debiteur. Het gaat daarbij om crediteuren van de overheid, van overheidsbedrijven en stichtingen van de overheid, alsmede van bepaalde particuliere bedrijven.

c. Bij Landsbesluit van 20 mei 2006 is [eiser] in verband met op handen zijnde constitutionele veranderingen benoemd als adviseur van de Nederlandse Antillen, teneinde te adviseren over vraagstukken op constitutioneel gebied betreffende onder meer de zorg voor openbare financiën, het beheer van activa en passiva en het monetair beleid en (de voortgang van de voorbereidingen van) de Ronde Tafel conferenties. [eiser] heeft geadviseerd de slotverklaring te aanvaarden en heeft zich in de aanloop naar het referendum via de media opgeworpen als pleitbezorgster van “SI”.

d. Bij brief van 18 mei 2009 heeft het eilandraadslid [A.] het Bestuurscollege gevraagd of Blue Factor wellicht via “inside information” de beschikking heeft gekregen over namen van bedrijven waaraan de overheid geld is verschuldigd.

e. Blue Factor B.V. heeft daarop in een persbericht verklaard dat zij bij de overheid geen enkele informatie heeft verkregen omtrent de cliënten van de overheid of het bedrag dat de overheid hun verschuldigd is. Blue Factor werft cliënten door middel van advertenties in de krant en het op pad sturen van onafhankelijke brokers, aldus dit persbericht.

f. In de Ultimo Noticia van 20 mei 2009 is over de vragen van [A.] en de reactie van Blue Factor bericht. In de Ultimo Noticia van 25 mei 2009 is uiterst kritisch geschreven over de rol van [eiser] als adviseur van de regering en pleitbezorgster van “SI” en de gigantische winsten die haar bedrijf Blue Factor volgens deze krant zou maken bij winst van “SI”.

g. Bij in het papiamentu gestelde brief van 8 januari 2010, met als onderwerp “denunsia”, heeft PS bij monde van haar voorzitter [gedaagde] het Openbaar Ministerie dringend verzocht een diepgaand onderzoek in te stellen naar de vraag of al dan niet met voorkennis is gehandeld door het factoring bedrijf van [eiser] en of daarbij mogelijk sprake is geweest van “Tráfiko di Influensha”.

h. De verdere inhoud van deze brief komt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, op het volgende neer:

De Landsregering heeft een aantal experts benoemd om haar bij te staan tijdens de onderhandelingen met de Koninkrijksregering over de staatkundige verandering. Naar alle waarschijnlijkheid is het de Minister van Financiën, destijds politiek leider van de PNP, geweest die [eiser], oud Minister van Justitie en voormalig leider van de PNP, heeft voorgesteld als één van die adviseurs.

Als Minister van Justitie heeft [eiser] destijds een soortgelijk document als de slotverklaring verscheurd, maar nu adviseert zij plotseling de regering om het aanbod van de Koninkrijksregering, waarmee een deel van onze autonomie wordt ingeleverd, te aanvaarden; dat aanbod gaat deze keer echter vergezeld van een zak geld van 5.5 miljard gulden.

In haar hoedanigheid van adviseur heeft [eiser] alle informatie en cijfers gekregen over degenen aan wie de regering geld is verschuldigd, en die betaald zullen moeten worden uit genoemde, over een periode van enkele jaren uit te betalen, geldbuit. Zowel de Minister van Financiën als haar partijgenote de adviseur zijn goed op de hoogte van alle gegevens van crediteuren. Beiden hebben ze actief deelgenomen aan de besprekingen met de Koninkrijksregering.

Ofschoon goed betaald als adviseur, heeft [eiser] ten tijde van het referendum op radio en televisie getracht ons volk ervan te overtuigen dat het geboden pakket zeer goed was voor Curaçao en een verlichting van de noden van ons volk zou kunnen meebrengen.

In dit verband heeft het eilandraadslid [A.] bij brief van 18 mei 2009 een aantal vragen gesteld aan het Bestuurscollege van Curaçao, die ondanks de ernst van de zaak tot op heden nog niet zijn beantwoord. Hij heeft vraagtekens gezet bij het feit dat [eiser] vennootschappen heeft opgericht die diensten gaan verlenen aan de crediteuren die betaald gaan worden door de regering, haar NV’s en stichtingen, uitgerekend op het moment dat Nederland het geld van de eerder genoemde buit stuurt.

Na een opsomming van oprichtingsdata tussen 2004 en 2007 van de diverse vennootschappen waarbij [eiser] betrokken is, gaat de brief verder:

In een persbericht heeft [eiser] laten weten dat het erop neerkomt dat deze vennootschappen incasseren voor de crediteuren of facturen van de crediteuren kopen en hun zo liquiditeit verschaffen. Het persbericht vermeldt dat dit internationaal gebruikelijk is, maar zegt tegelijkertijd dat deze diensten op Curaçao sinds 2007 worden verleend door de twee aan [eiser] gelieerde maatschappijen. Als hier geen sprake zou zijn van voorkennis dan zou deze miljoenenhandel volledig legaal zijn. Als de desbetreffende documenten zouden worden gebruikt om de diensten aan te bieden, zou het om een winst van minstens een miljard kunnen gaan. Als voorkennis en het persoonlijk belang en dat van vrienden een rol hebben gespeeld bij deze handel dan zou dat ongehoord en smerig zijn en zelfs een van de motieven kunnen zijn geweest om het volk koste wat kost het door Nederland aangeboden slappe pakket te verkopen.

Dat zou de draai van 180 graden die deze adviseur heeft gemaakt kunnen verklaren.

De miljoenenhandel via de twee NV’s en drie Holdings die zij heeft opgericht, althans waarin zij deelneemt, kan mogelijk invloed hebben gehad op haar werk als adviseur en kan mogelijk hebben geleid tot een voorzichtige opstelling bij de onderhandelingen, om het geven van de zak geld door Nederland niet te belemmeren. Als dat waar is dan zou dat een handelwijze zijn die de positie van Curaçao ernstig heeft kunnen verzwakken, ten nadele van het volk van Curaçao. Volgens de NOBO van 31 december 2009 heeft zij zelf op de Wereldomroep verklaard dat zij directeur en aandeelhouder van de vennootschap is.

Een persoon, hetzij ambtenaar, hetzij adviseur of gevolmachtigde, die besluit om kennis die hij heeft verkregen bij het uitoefenen van een betaalde portefeuille om te zetten in een voordelige miljoenenhandel te eigen bate, begaat naar het ons voorkomt mogelijk een zwaar delict jegens het land. Dat wordt nog erger op het moment dat dit samen gaat of gecombineerd wordt met macht of “Trafiko di Influensha”. Dit kan niet worden uitgesloten, als rekening wordt gehouden met de posities die [eiser] in het recente verleden heeft bekleed en met de politieke verhouding tot haar partijgenoten, aldus deze brief aan het Openbaar Ministerie.

i. Bij brief van 18 maart 2010 heeft de Hoofdofficier van Justitie voor zover thans van belang als volgt aan [gedaagde] bericht:

“U stelt dat mevrouw [eiser] in haar kwaliteit van regeringsadviseur over alle informatie en cijfers beschikt omtrent overheidscrediteuren. Deze stelling is echter niet onderbouwd. Overigens levert dit, indien waar, geen grond op voor strafrechtelijk onderzoek, omdat het geen strafbaar feit betreft.

Verder werpt u een aantal openlijke vragen op. Zo vraagt u zich af of mevrouw [eiser] in haar zakelijke activiteiten met voorkennis kan handelen en of mevrouw [eiser] haar “macht” en invloed gebruikt of misbruikt. Zelfs als die vragen met ja zouden worden beantwoord is er geen sprake van vermoedelijk gepleegd strafbare feiten. Dat in dat geval de ethiek wel een rol speelt is een andere kwestie. Uw brief biedt geen enkele feitelijke aanknoping voor verdenking van enig, door mevrouw [eiser] gepleegd, strafbaar feit.

Het openbaar ministerie kan derhalve op uw verzoek niet ingaan. (..)”.

Het geschil

2. [eiser] vordert dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] en PS onrechtmatig tegenover haar hebben gehandeld en dat zij worden veroordeeld tot betaling van een (door haar aan de kinderbescherming te schenken) schadevergoeding van elk

Naf. 15.000,00, met verwijzing van [gedaagde] en PS in de proceskosten.

3. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] en PS haar hebben beschuldigd van corruptie en machtsmisbruik, omdat zij haar functie van adviseur van de Nederlandse Antillen zou hebben gebruikt voor het verkrijgen van financiële informatie, die zij vervolgens via haar factoring maatschappij zou hebben verzilverd. Het gaat [eiser] uitdrukkelijk niet om de hiervoor onder 1h weergegeven brief aan het Openbaar Ministerie zelf, maar om de ruchtbaarheid die PS en [gedaagde] daaraan hebben gegeven en de wijze waarop zij dat hebben gedaan. Zij hebben die brief bewust in de openbaarheid gebracht door een kopie daarvan te sturen naar leden van de Staten en van de Eilandsraad.

Verder hebben zij de brief naar de Amigoe en de Vigilante verstuurd. Daarmee beschuldigen zij [eiser] ook in het openbaar van zeer ernstige strafbare feiten. Vervolgens heeft [gedaagde] zijn beschuldigingen op diverse radio- en televisiestations herhaald. [gedaagde] en PS doen hun beweringen zonder daarvoor een feitelijke onderbouwing te geven. Die onderbouwing kunnen zij ook niet geven omdat hun beweringen niet op waarheid berusten. [gedaagde] en PS hebben deze beschuldigingen geuit met geen ander doel dan het beschadigen van haar goede naam, eer en integriteit, dit terwijl zij als voormalig politica in de functies die zij thans bekleedt in hoge mate afhankelijk is van haar reputatie, aldus [eiser].

4. PS en [gedaagde] hebben verweer gevoerd, waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling

5. Toewijzing van het gevorderde zal in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 eerste lid EVRM neergelegde grondrecht van [gedaagde] en PS op vrijheid van meningsuiting. Dat recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 tweede lid EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] en PS onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek. Voor het antwoord op de vraag welk recht – het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van de goede naam – in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [eiser] is dat zij niet mag worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Het belang van [gedaagde] en PS is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend of waarschuwend moeten kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag moet geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de ernst van de beschuldigingen, van de inbreuk op de goede naam en – bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die publicatie aan de kaak wil stellen, alsmede de mate waarin de beschuldigingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal.

6. Door hun brief aan het Openbaar Ministerie in afschrift toe te sturen aan de leden van de Staten en van de Eilandsraad hebben [gedaagde] en PS het gestelde in die brief openbaar gemaakt. Of zij hem vervolgens zelf aan de pers hebben gestuurd of dat anderen dit hebben gedaan, is van minder belang.

Volgens [eiser] heeft [gedaagde] de beschuldigingen die in de brief worden geuit later herhaald op radio en televisie. Tegenover de betwisting door [gedaagde] dat hij daarbij verdergaande uitlatingen heeft gedaan dan opgenomen in de brief, heeft [eiser] pas bij akte uitlating producties verwezen naar concrete uitspraken die [gedaagde] volgens www.persbureaucuracao.com zou hebben gedaan. Die akte was echter niet bedoeld om nog nieuwe feiten naar voren te brengen en [gedaagde] en PS hebben daarop niet meer kunnen reageren. Bovendien wordt ook uit de aangehaalde uitspraken niet duidelijk of [gedaagde] dit zelf letterlijk heeft gezegd of dat het door anderen zo is samengevat. Uitgangspunt in deze procedure zijn dan ook de uitlatingen in de openbaar gemaakte brief aan het Openbaar Ministerie, die elders in het openbaar zijn herhaald.

7. [eiser] stelt dat zij in deze brief wordt beschuldigd van zeer ernstige strafbare feiten. Volgens de Hoofdofficier van Justitie, bij uitstek geschikt om dit te kunnen beoordelen, is echter, zelfs als de beschuldigingen juist zouden zijn, van strafbare feiten geen sprake. De brief, waarin het Openbaar Ministerie wordt verzocht om te onderzoeken of al dan niet sprake is van handel met voorkennis of mogelijk gebruik van “Tráfiko di Influensha”, is op deze punten in voorzichtige bewoordingen gesteld, met veel “posiblemente” en “lo por”.

8. Tegelijkertijd wordt in die brief wel met stelligheid beweerd dat [eiser] in haar hoedanigheid van adviseur en partijgenote van de toenmalige Minister van Financiën

alle informatie en cijfers zou hebben gekregen over degenen aan wie de overheid geld was verschuldigd. [eiser] heeft dit niet alleen met klem tegengesproken, maar heeft ook schriftelijke verklaringen overgelegd van de toenmalige Minister van Financiën en de toenmalige Gedeputeerde van Financiën van het eilandgebied Curaçao, volgens welke zij haar nooit namen of bedragen van crediteuren of debiteuren van het Land of het Eilandgebied hebben verstrekt en waarin zij verder verklaren dat zij in die functies ook niet over dat soort gedetailleerde informatie beschikken, dan wel zich daarmee bezig houden.

PS en [gedaagde] hebben weliswaar aangeboden hun stelling dat [eiser] deze wetenschap zou hebben gehad door getuigen te bewijzen, maar zij leggen aan die stelling niet meer ten grondslag dan dat het te gek voor woorden zou zijn als [eiser] en de Minister van Financiën met het rijksdeel Nederland over sanering van de overheidsfinanciën en overname van de staatsschulden zouden hebben onderhandeld zonder de samenstelling en omvang van die schulden te kennen. Zoals [eiser] terecht heeft betoogd kan dat echter heel goed zonder kennis van specifieke crediteuren of van specifieke vorderingen, anders dan de heel grote zoals bijvoorbeeld de SVB of APNA. Deze stelling van PS en [gedaagde] blijkt dan ook niet meer dan een veronderstelling, zodat voor bewijslevering geen plaats is.

9. [eiser] heeft benadrukt dat zij zich al in 2002 uit de actieve politiek heeft teruggetrokken. Door jaren later als adviseur deel te nemen aan (de voorbereidingen van) de Ronde Tafel conferenties over staatkundige verandering en vervolgens als nog immer prominent lid van haar partij in het openbaar een keuze bij het referendum te bepleiten, heeft zij echter de politieke arena in ieder geval tijdelijk weer betreden.

Voor de beoordeling van deze zaak betekent dit dat zij in beginsel een grotere tolerantie behoort op te brengen ten opzichte van uitlatingen die over haar worden gedaan en dat zij zich harde en weinig complimenteuze kritiek zal moeten laten welgevallen. Daar komt bij dat in de context van een verhit publiek debat over zaken van algemeen belang, zoals aan de orde waren rond het referendum – in de woorden van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens - “a degree of exaggeration should be tolerated”.

Ten slotte speelt mee dat viel te verwachten dat de combinatie van enerzijds adviseur over - onder meer - sanering van de overheidsschulden en voorstander van “SI” en anderzijds oprichtster van en belanghebbende in een factoring bedrijf dat zich met name richt op schulden van de overheid en overheidsvennootschappen en -stichtingen vragen zou oproepen.

10. Al deze omstandigheden in aanmerking genomen, moet het recht op vrijheid van meningsuiting de doorslag geven en worden de gewraakte uitlatingen niet onrechtmatig geacht.

De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen, met verwijzing van [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] en PS begroot op Naf. 1.800,00 (twee punten tarief 5).

Beslissing

Het gerecht:

- wijst af het gevorderde;

- verwijst [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] en PS begroot op Naf. 1.800,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Beukenhorst, lid van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2011, in aanwezigheid van de griffier.