Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2011:BQ4464

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
05-04-2011
Datum publicatie
13-05-2011
Zaaknummer
47152/2011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser verzoekt verklaring voor recht dat er sprake is van een voortgezette dienstbetrekking tussen partijen. Het Land heeft civielrechtelijke overeenkomst met korpschef opgezegd. Deze overeenkomst hield in dat hij na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd nog twee jaar in als korpschef in dienst zou blijven. Volgens de Minister van Justitie is de voornaamste reden voor deze opzegging dat het in dienst nemen van de korpschef bij civielrechtelijk overeenkomst juridisch niet mogelijk is. Dit standpunt is terecht. Het Land heeft geen misbruik van bevoegdheid gemaakt door de overeenkomst om deze valide reden op te zeggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0458
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Datum uitspraak : 5 april 2011

EJ nummer : 47152/2011

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Beschikking in de zaak van:

[eiser],

wonende te Curaçao,

eiser,

gemachtigde: mr. G.A. Pieter,

tegen

de openbare rechtspersoon CURAÇAO

waarvan de zetel is gevestigd te Curaçao,

gedaagde,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson.

Partijen worden hierna [eiser] en het Land genoemd.

Het verloop van de procedure

Bij inleidend verzoekschrift met bewijsstukken, dat op 18 februari 2011 ter griffie is ingekomen, heeft [eiser] primair verzocht voor recht te verklaren dat sprake is van een voortgezette dienstbetrekking tussen partijen en dat de aan hem gedane opzegging dan wel het aan hem gegeven ontslag nietig is en het Land te veroordelen om hem zijn loon, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente en de wettelijke rente te betalen met ingang van 1 januari 2011 totdat het dienstverband op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd. Subsidiair heeft hij verzocht het gegeven ontslag dan wel de door het Land aangekondigde beëindiging van de dienstbetrekking als kennelijk onredelijk aan te merken en het Land te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding. Meer subsidiair heeft hij verzocht het Land te veroordelen om hem over de opzegtermijn het hem toekomende te betalen met de wettelijke rente daarover, een en ander met verwijzing van het Land in de proceskosten.

Het Land heeft een verweerschrift met bewijsstukken ingediend en geconcludeerd tot afwijzing van het verzochte, met verwijzing van [eiser] in de proceskosten.

De zaak is behandeld ter zitting van 29 maart 2011. [eiser] is daar verschenen met zijn gemachtigde, die de zaak heeft toegelicht overeenkomstig de overgelegde pleitnota.

Namens het land is verschenen de heer [A.], implementatiemanager bij het Ministerie van Justitie, bijgestaan door de gemachtigde, die het verweer heeft toegelicht. Na verder debat is de uitspraak bepaald op heden.

De feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staat het volgende vast:

a. [eiser] is van 1971 tot en met 9 oktober 2010 in dienst geweest van de Nederlandse Antillen. Hij was steeds tewerkgesteld bij het Korps Politie Curaçao, de laatste jaren als korpschef. Vanaf 10 oktober 2010 was hij aansluitend als korpschef in dienst van het Land. Vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is hij per 31 december 2010 met pensioen gegaan.

b. Op 8 oktober 2010 is [eiser] met de Nederlandse Antillen, vertegenwoordigd door de toenmalige Minister van Justitie, een overeenkomst naar burgerlijk recht aangegaan waarbij hij met ingang van 1 januari 2011 voor de duur van twee jaar in dienst werd genomen als Chef Korps Politie Curaçao. Volgens die overeenkomst behouden partijen zich het recht voor om deze te allen tijde op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

Tot het aangaan van deze overeenkomst met [eiser] was door de Raad van Ministers op 23 juni 2010 besloten. Bij landsbesluit van 5 oktober 2010 is de Minister van Justitie daartoe gemachtigd.

c. Bij brief van 9 december 2010 heeft de Minister van Justitie als volgt aan [eiser] bericht:

“Uit ontvangen ambtsberichten maak ik op dat mijn ambtsvoorganger bij landsbesluit d.d. 5 oktober 2010 (…) gemachtigd werd om namens het toenmalige Land de Nederlandse Antillen een arbeidsovereenkomst, volgens het model dat gebruikelijk is bij dit soort machtigingsbesluiten, met u aan te gaan.

Naar mijn stellige overtuiging kunnen de gevolgde procedure bij de totstandkoming van deze overeenkomst (amper een paar dagen voor de intreding van nieuwe bestuurlijke entiteiten) alsmede het gekozen instrument ( een civielrechtelijk instrument) om invulling te geven aan dit voor de justitiële keten belangrijke ambt (een publieke vertrouwensfunctie) de bestuurlijk-juridische toets niet doorstaan. In deze discussie zal ik in dit stadium niet treden.

Het is anderzijds wel mijn bedoeling gebruik te maken van het bepaalde in artikel 1 van meergenoemde arbeidsovereenkomst ( er van uitgaande dat deze ondertekend is) en de daarin opgenomen opzegtermijn van 3 maanden, aanvangende 1 januari 2011, in te roepen. Het vorenstaande houdt in dat de per 1 januari 2011 (naar de intentie van partijen) voortgezette dienstbetrekking -, quod non, - per ultimo 31 maart 2011 definitief als beëindigd moet worden beschouwd. De aan u toekomende renumeraties corresponderend met uw voormalige functie als Korpschef blijven gedurende deze 3 maanden onverminderd van kracht. Mocht u over niet genoten vakantiedagen beschikken dan dient u deze in de periode lopende tot 31 maart alsnog op te nemen.

Voor de door u gedurende uw ambtsperiode aan het Land bewezen diensten ben ik u dankbaar.”

d. Bij brief van 4 januari 2011 heeft de Minister van Justitie voor zover thans van belang als volgt aan [eiser] bericht:

(…) “Nu ik vanaf 1 januari ervan heb afgezien gebruik te maken van uw diensten als Korpschef stel ik u mitsdeze formeel op non-actief en wordt uw aanwezigheid op het buro van het Korps Politie ontraden. Ik dring daarom bij u er op aan om u zich vanaf heden niet meer te vervoegen bij de burelen van het Korps politie.”

e. Bij landsbesluit van 24 maart 2011 is het hiervoor onder 1b. genoemde landsbesluit van 5 oktober 2010 ingetrokken, is de onder 1c. weergegeven opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiser] formeel bekrachtigd en is bepaald dat het in werking treedt met ingang van de dag der ondertekening en terugwerkt tot 31 december 2010.

Het geschil

2. [eiser] stelt dat de civielrechtelijke arbeidsovereenkomst de voortzetting vormt van zijn dienstverband tot en met 31 december 2010. Deze arbeidsovereenkomst is aangegaan vóór 10 oktober 2010, zodat de Politieregeling daarop nog van toepassing was. Aan artikel 13 daarvan is voldaan, nu de voortzetting van het dienstverband is geregeld bij landsbesluit van 5 oktober 2010. De in de overeenkomst opgenomen opzeggingsclausule had niet zonder een deugdelijke en toereikende motivering mogen worden ingeroepen. Opzegging zonder dringende reden leidt tot schadeplichtigheid. Er is opgezegd zonder gegronde reden, zodat sprake is van een onredelijke beëindiging van het voortgezet dienstverband. Deze opzegging is bovendien kennelijk onredelijk en verdraagt zich niet met goed werkgeverschap. Ten slotte geldt dat het Land misbruik heeft gemaakt van zijn opzeggingsbevoegdheid. [eiser] lijdt schade door deze opzegging want hij heeft vanwege de voortzetting van zijn dienstverband een lucratieve baan in de private sector laten varen. Aan [eiser] is de toegang tot de politiegebouwen ontzegd, wat hij zeker in zijn functie als korpschef als zeer diffamerend en beledigend heeft ervaren. Ook als titel 7A van boek 7A BW niet van toepassing is, zal het Land als partij bij de overeenkomst te goeder trouw moeten handelen en zich moeten gedragen zoals in het maatschappelijk verkeer betaamt, aldus [eiser].

3. Het Land heeft verweer gevoerd, waarop voor zover van belang hierna zal worden ingegaan.

De beoordeling

4. De lange en succesvolle carrière van [eiser] bij het Korps Politie Curaçao, waarvan hij de laatste jaren korpschef was, is per 31 december 2010 geëindigd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Daaraan kan niemand iets afdoen. De Minister van Justitie heeft in de brief van 9 december 2010 ook zijn dankbaarheid jegens [eiser] geuit voor de gedurende zijn ambtsperiode aan het Land bewezen diensten.

5. Op verzoek van de Nederlandse Antillen is [eiser] op 8 oktober 2010 een civielrechtelijke overeenkomst aangegaan volgens welke hij vanaf 1 januari 2011voor twee jaar in dienst werd genomen als Chef Korps Politie Curaçao.

Het Land heeft terecht erop gewezen dat volgens artikel 1613x BW de bepalingen over de arbeidsovereenkomst in beginsel niet van toepassing zijn ten aanzien van personen in dienst van de overheid en dat een mogelijke uitzondering daarop zich in dit geval niet voordoet. De Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomst is op een dergelijke dienstbetrekking evenmin van toepassing (artikel 2 van die landsverordening).

Dat betekent dat de argumenten die zijn ontleend aan het arbeidsrecht, zoals voortdurende dienstbetrekking, nietig ontslag, kennelijk onredelijk ontslag en slecht werkgeverschap alleen om die reden al niet opgaan.

6. Wat resteert is een “gewone” overeenkomst, waarin aan beide partijen de mogelijkheid is geboden deze te allen tijde op te zeggen, met inachtneming van een termijn van drie maanden. Het Land heeft van die bevoegdheid gebruik gemaakt.

Uit de hiervoor onder 1c. geciteerde brief van de Minister van Justitie van 9 december 2010 valt op te maken dat de voornaamste reden voor deze opzegging is dat het in dienst nemen van de Chef Korps Politie Curaçao bij civielrechtelijke overeenkomst juridisch helemaal niet mogelijk is.

Dat standpunt is terecht. Volgens artikel 13 van de toen geldende Politieregeling wordt de korpschef bij landsbesluit benoemd, geschorst en ontslagen. De sinds 10 oktober 2010 geldende Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba is op dit punt niet anders. Het landsbesluit van 5 oktober 2010 kan niet als benoemingsbesluit worden aangemerkt, omdat [eiser] daarin niet wordt benoemd, maar de Minister van Justitie wordt gemachtigd de meergenoemde overeenkomst naar burgerlijk recht met hem aan te gaan.

7. Het Land heeft geen misbruik van bevoegdheid gemaakt door de overeenkomst om deze valide reden op een termijn van drie maanden op te zeggen. Ook anderszins is die opzegging niet onrechtmatig jegens [eiser].

Buiten beschouwing kan dan ook blijven of de “nieuwe bestuurlijke entiteiten” wellicht ook andere redenen hadden om de op de valreep door de oude entiteiten met [eiser] gesloten overeenkomst meteen op te zeggen.

8. Zoals het Land ook heeft erkend heeft [eiser] recht op betaling van de hem toekomende beloning gedurende de opzegtermijn van drie maanden. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Ter zitting is namens het Land toegezegd dat [eiser] op korte termijn zijn persoonlijke eigendommen kan komen ophalen. Het Gerecht gaat ervan uit dat die toezegging wordt nagekomen.

9. Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden verrekend zoals hierna is vermeld.

Beslissing

Het Gerecht:

- veroordeelt het Land tot betaling aan [eiser] van de hem toekomende beloning gedurende de opzegtermijn van drie maanden, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de data van verschuldigdheid tot aan de algehele voldoening;

- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- verrekent de proceskosten aldus tussen patijen dat elke partij de eigen kosten draagt;

- wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Beukenhorst, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 5 april 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.