Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2011:BQ0597

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
28-02-2011
Datum publicatie
08-04-2011
Zaaknummer
AR 2011/46605KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

[Eiser] vordert rectificatie van uitlatingen die [gedaagde] in media heeft gedaan. Rosalia zou zich schuldig hebben gemaakt aan seksuele intimidatie bij werkneemsters. De rechter oordeelt dat onderscheid gemaakt moet worden tussen feitelijke verklaringen en waardeoordelen. In een uitspraak van 11 juli 2006 heeft het EHRM overwogen dat feitelijke verklaringen die de persoonlijke levenssfeer van een ander in negatieve zin raken van een voldoende feitelijke grondslag moeten worden voorzien, om het onrechtmatige karakter daaraan te ontnemen, terwijl dat bij waardeoordelen niet geldt, zij het dat een waardeoordeel excessief kan worden bevonden indien daarvoor een onvoldoende feitelijke basis is (EHRM, 2 november 2006). Verklaringen van de betrokken werkneemsters wier ervaringen zijn verwoord, zijn niet in het geding gebracht. Evenmin is op die publicatie of ter zitting vermeld om welke werkneemsters het gaat, er ontbreekt een feitelijke grondslag. Derhalve stelt de rechter [eiser] in het gelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: AR 2011/46605KG

Vonnisdatum: 28 februari 2011

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis, gewezen in kort geding, in de zaak van

[eiser],

wonende in Curaçao,

eiser, verder: [eiser],

gemachtigde: mr. M.H. Römer,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Curaçao,

gedaagde, verder: [gedaagde],

gemachtigde: mr. M.F. Bonapart.

1. Het procesverloop

Dat blijkt uit:

- het inleidende verzoekschrift met producties;

- de brief met producties van de gemachtigde van [gedaagde] van 10 februari 2011;

- de brief met producties van de gemachtigde van [eiser] van 14 februari 2011 met producties;

- de brief met producties van de gemachtigde van [gedaagde] van 14 februari 2011;

- twee per fax verzonden brieven met producties van de gemachtigde van [eiser] van 15 februari 2011;

- de pleitnota aan de zijde van [eiser];

- de pleitnota aan de zijde van [gedaagde];

- een stuk getiteld: “naar aanleiding van de zijdens [eiser] overgelegde producties” zijdens [gedaagde];

- “De tijdschronologie en inhoud van de publicaties” aan de zijde van [gedaagde];

- “Bloemlezing relevante jurisprudentie” zijdens [gedaagde];

- de aantekeningen van de griffier.

Voormelde stukken dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 februari 2011. Daarbij zijn partijen in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden, voornoemd. Tevens is een tolk verschenen.

Voorts zijn, overeenkomstig hetgeen ter zitting is afgesproken, de gemachtigde van [eiser] en de rechter na de zitting in het bezit gesteld van een geluidsdrager met een opname van een interview met [eiser].

Vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

[eiser] vordert, op straffe van verbeurte van een dwangsom, [gedaagde] te veroordelen tot rectificatie in vier dagbladen en op de radio, zoals hierna omschreven.

Voorts vordert [eiser] [gedaagde] te verbieden “enige publieke uiting (…) dat eiser zich (…) schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie”.

[gedaagde] heeft de vordering betwist.

3. De beoordeling

3.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

3.2

a.

[eiser] is mede oprichter en ex directeur van de stichting Fundashon Kas di Kultura Korsou (verder: KdK). Thans is hij minister van onderwijs van het land Curaçao. [gedaagde] is de voorgangster van [eiser] als minister van onderwijs (van toen nog de Nederlandse Antillen).

b.

[opvolgster van eiser] is als opvolgster van [eiser] met ingang van 1 september 2010 feitelijk werkzaam als directeur van KdK. Bij haar aantreden bleek dat [eiser] sterk tegen deze kandidaat was gekant.

c.

[persoon van DEA consult], verbonden aan DEA consult, heeft een ongedateerd rapport vervaardigd waarin de organisatie van KdK als ”ernstig ongezond” wordt aangeduid.

Bij het onderwerp: “Het personeel” heeft zij opgemerkt:

“De medewerksters voelden zich veelal verbonden met de vorige directeur. Daar waar de relatie positief was, bood deze ruimte voor professionele groei, (…). Er zijn echter ook aanwijzigen van enkele zeer verstoorde relaties. Hierover is geen of nauwelijks documentatie te vinden.”.

[persoon van DEA consult] beschouwt de keuze van [opvolgster van eiser] als een “mismatch”.

[opvolgster van eiser] is door het bestuur van de stichting KdK op 2 december 2010 geschorst.

d.

[opvolgster van eiser] heeft commentaar geleverd op dit rapport.

Op pagina 25 van het commentaar schrijft [opvolgster van eiser] dat ze gesprekken heeft gevoerd met (oud) personeelsleden (zonder namen te noemen). Voorts merkt zij op:

“Mijn vermoedens waren gebaseerd op de in vertrouwen gegeven informatie van diverse oude en huidige personeelsleden over de gang van zaken in de KdK, namelijk

1. Favoritisme onder het personeel (…)

2. Vriendjespolitiek (…)

3. Sexual Harassement verhalen die al jaren circuleren onder het personeel.

(…)

Uit deze gesprekken zijn vele klachten naar voren gekomen en hebben verschillende personeelsleden, waarvan 85% van het vrouwelijke geslacht (…) hun bezorgdheid uitgesproken over de vele zaken. O.a. effecten van ondergane seksuele intimidatie; (…).

Zeer gealarmeerd door deze niet verwachte onthullingen die vaak gepaard gingen met huilbuien of gevoelens van onderdrukte boosheid, verslagenheid en machteloosheid, nam ik direct contact op met het bestuur. Uit de gesprekken bleek dat diverse leden van het oud bestuur al vaker gehoord hadden over het bovenstaande en er zelfs vergaderingen gehouden zijn met personeelsleden die harde bewijzen gepresenteerd hebben van hetgeen plaatsvond in KdK. Op 8 juli 2010 werd er een urgente bestuursvergadering bijeen geroepen waarin ik de stand van zaken nogmaals besprak met het bestuur. Namens het bestuur bood de voorzitter haar verontschuldigingen aan omdat ik vooraf niet geïnformeerd was over de mistoestanden binnen de KdK.”.

e.

[gedaagde] heeft een op 26 november 2010 gedateerde e-mail overgelegd, gesteld in het Papiaments. Dit betreft een geanonimiseerd stuk, maar partijen zijn het er over eens dat de e-mail is vervaardigd door een medewerkster van KdK.

De inhoud daarvan luidt, kort weergegeven, en vertaald in het Nederlands als volgt:

“Wij zijn er allen van op de hoogte dat er bij de KdK altijd sprake was van manipulatie en druk.

Verschillende van onze vrouwen van de KdK hebben een of andere vorm van intimidatie en seksuele intimidatie ondervonden. Hetgeen niet iedereen weet is dat de meerderheid van de vrouwen hier het slachtoffer van is, bewust of onbewust. En dat wordt niet op een correcte manier behandeld. We dekken af, houden de hand voor de mond van de ander, maar we lossen niets op.

Heel triest.

Intimidatie en seksuele intimidatie is niet alleen een seksuele relatie onderhouden met een vrouw, maar is ook bijvoorbeeld:

• aankomen met het punt van het hebben van een seksuele relatie.

• bepaalde delen aanraken (…)

Ik zou nog meer kunnen noemen.

Consequentie

Gevolgen van de voornoemde opsomming (…) zijn onder andere:

• problemen met je eigen waarde

• gevoelens die je niet kunt verklaren (…)

• Impotentie

• Angst

• Hoofdpijn

• Buikpijn

• Schuldgevoel

• Depressie (…)

Op dit moment hebben de meeste collega’s emotionele problemen. De problemen veroorzaken woede, haat, wraakgevoelens bij ons. (…) Natuurlijk zijn er collega’s die niet precies kunnen uitleggen wat er gebeurd is of waarom ze verward zijn.

De huidige situatie is heel triest.

We moeten proberen de collega’s te helpen op de een of andere manier. We kunnen er ook voor kiezen alles op z’n beloop te laten (<i>letterlijk: de natuur zijn werk te laten doen;[xxx]</i>). Maar wat volgens mij niet juist is, is de nieuwe directeur te beschuldigen dat zij de oorzaak is van alle problemen. Dan bedriegen we onszelf. Want dat is hetzelfde als hoofd in het zand, kont achteruit.

Wat onze beslissing ook zal zijn: niets slechts blijft in deze wereld verborgen.”.

f.

In het dagblad Ultimo Noticia van 29 december 2010 is (onder meer) in het Papiaments een tekst gepubliceerd die vertaald in het Nederlands luidt:

“Er zijn op straat geruchten over onaangename gevallen van seksuele relaties die in de Kas di Kultura plaatsvonden waar verschillende werknemers een inzinking van gekregen zouden hebben als gevolg van alle abnormale zaken in het culturele instituut.”

g.

In het dagblad Amigoe van 30 december 2010 is een journalistieke samenvatting gepubliceerd van het verweer van [opvolgster van eiser]. In dat artikel is onder meer opgemerkt:

“Uit vertrouwelijke gesprekken met personeelsleden concludeerde [opvolgster van eiser] dat vrouwelijke personeelsleden seksueel waren geïntimideerd.”.

h.

In haar radioprogramma Ata Palabra” van 3, 4 en 5 januari 2011 heeft [gedaagde] in het Papiaments verschillende opmerkingen gemaakt over KdK. Aan de zijde van [eiser] is een transcriptie daarvan in het inleidende verzoekschrift weergegeven. Vertaald in de Nederlandse taal luiden die opmerkingen:

“er ligt een hele serieuze beschuldiging (..) van seksuele intimidatie die plaats heeft gevonden in Kas di Kultura door de directeur de huidige Minister van Onderwijs”

“maar het is wel belangrijk dat onder degenen die slachtoffer zijn geweest van seksuele intimidatie gedurende jaren, zoals het rapport stelt, er is een directeur die men heeft ontslagen, er liggen verklaringen afgelegd door werknemers van destijds, hun gezondsheidsproblemen ten gevolge van seksueel misbruik en seksuele intimidatie die zij hebben meegemaakt”.

“de meerderheid van de vrouwen in Kas di Kultura zijn hiervan het slachtoffer, dat wil zeggen het gaat niet om een of twee vrouwen maar de meerderheid is hiervan het slachtoffer”

“omdat het in het rapport van die mevrouw vermeld staat dat dit een vorm van discriminatie is omdat er vrouwen worden gekozen om misbruik te maken van jouw macht, om seksuele intimidatie te plegen”

“we zullen direct zien conform de verklaringen die afgelegd zullen worden wat voor soort seksuele intimidatie er min of meer heeft plaatsgevonden, maar in ieder geval kan er gesteld worden dat er in Kas di Kultura gemanipuleerd werd en dat de werkneemsters onder druk werden gezet.

“diverse vrouwen van Kas di Kultura hebben een of andere vorm van seksuele intimidatie ondervonden van de directeur, onze huidige minister van onderwijs”

“de directeur heeft zelfs in haar rapport vermeld dat zij effecten hebben in hun gezondheid vanwege de seksuele intimidatie die daarbinnen heeft plaatsgevonden”

“en wat doen wij vandaag met iemand die seksuele intimidatie heeft gepleegd toen hij directeur was?” (..)

Vandaag wat doen wij, wat doen wij vandaag met een persoon die directeur was en seksuele intimidatie heeft gepleegd?” (..) Wat doen wij met hem, weet jij wat wij met hem doen? wij maken hem minister”.

i.

In het dagblad Amigoe van 4 januari 2011 is deels in de vorm van een samenvatting en deels middels citaten weergegeven hetgeen [gedaagde] in haar radioprogramma op 3 januari 2011 heeft medegedeeld. In dat artikel is ondermeer opgemerkt:

“[gedaagde] zet vraagtekens bij de benoeming van [eiser] als minister van Onderwijs en Cultuur omdat hij zich, volgens haar, in het recente verleden schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie.”.

j.

Op 4 januari 2011 is een interview uitgezonden van een medewerker van Radio Direct met [eiser]. Een deel van dat interview is ter zitting door [gedaagde] ten gehore gebracht. [gedaagde] heeft het gehele interview op een gegevensdrager aan de gemachtigde van [eiser] en het gerecht ter beschikking gesteld. Kort weergegeven heeft [eiser] tijdens het interview verklaard ermee bekend te zijn dat er geruchten waren over seksuele intimidatie in KdK en dat zijn naam daarbij circuleerde.

k.

Op de website […] is op 5 januari 2011 (Nederlandse tijd?) de volgende tekst gepubliceerd:

“De afgelopen weken sprak de redactie van Aworaki van de Wereldomroep met (oud-) medewerkers en anderen die de KdK goed kennen om te achterhalen wat er nou precies gaande is in deze overheidsstichting. Het vormen van een evenwichtig - met feiten gestaafd beeld - is niet eenvoudig.

<b>Anoniem</b>

De informanten willen hun verhaal graag kwijt omdat ze een einde willen zien aan de - volgens hen - verschillende vormen van onrecht die al jaren hoogtij vieren in de KdK: nepotisme, ongewenste intimiteiten, financiële willekeur en langdurig pesten en benadelen van andersdenkenden. Maar eerst moesten de betrokkenen hun angst voor represailles overwinnen. Die is reëel, zo zeggen ze, en dus wil men alleen op basis van anonimiteit praten. Hun verhalen wijzen steeds met een beschuldigende vinger in één richting: [eiser] (…).”.

In de marge van dit artikel is het volgende vermeld:

“Het is na middernacht. In de slaapkamer van een jonge vrouw gaat haar mobiele telefoon. Slaperig neemt zij op voordat ook haar moeder - met wie zij het huis deelt - wakker wordt gemaakt. Ze schrikt van de mannenstem die haar toespreekt: “”Hé dushi, sliep je al? Zal ik even bij je langskomen? Heeft de slaapkamer een deur die direct naar buiten opengaat?” (…)

Het is dezelfde man die haar eerder op de dag vanuit zijn kantoor op haar werkplek opbelde met de vraag: “Zeg - wat heb je nu onder je uniform aan? Draag je een sexy thong?”

Toch durft de jongedame deze lastige beller niet kordaat op z’n nummer te zetten. Dat zou haar namelijk haar baan kunnen kosten want… het is haar directeur – [eiser] van Kas di Kultura.”.

Voorts is op de website vermeld dat een aantal jonge vrouwen enkele jaren geleden een rechtszaak wilden beginnen tegen [eiser], wegens ongewenste intimiteiten, maar daarvan hebben afgezien.

l.

Op 5 januari 2011 heeft het dagblad Extra verwezen naar voormeld artikel op de website van de Wereldomroep.

m.

In een – in het Papiaments gestelde - “Open Brief” van (“de meerderheid” van de) werknemers van KdK wordt verwezen naar het radio programma Ata Palabra van 4 januari 2011 van [gedaagde]. Verder wordt melding gemaakt van een “brief van onze collega aan mw [gedaagde]”. Daarin wordt voorts opgemerkt (vertaald):

“Die brief bevat een verklaring van een slachtoffer van seksuele intimidatie werkzaam bij de KdK, ondervonden bij het werk van de ex directeur van de KdK. Bovendien heeft het slachtoffer verklaard dat de meerderheid van de vrouwen van de KdK in dezelfde situatie zitten.

We hebben er ook nota van genomen dat in voormeld programma is gemeld dat als de beschuldiging niet waar is, er twee opties zijn: de ex directeur moet aangifte doen bij het OM of toegeven dat hij een fout heeft gemaakt er daar de consequenties uit trekken.

(…)

Wij de vrouwelijke meerderheid van de werknemers van de KdK verklaren dat wij geen intimidatie of seksuele bejegening hebben ervaren van de ex directeur van de KdK.

Deze collega is een collega waarvan het iedereen is opgevallen (“nota”) dat zij buitengewoon verliefd was op de ex directeur. Aan de andere kant heeft de collega de ex directeur seksueel geïntimideerd.”.

3.3

[eiser] acht in het bijzonder de volgende uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig jegens hem:

“Differente hende muhe di kas di Kultura a experensia un of otro forma di intimidashon seksual dor di e director nos aktual Minister di Enseansa.”.

en

“Hasta e director ta buta den su rapport ku nan tin effectonan di nan salu pa motibo do e intimidashon seksual ku a pasa eiden.”.

en

“Anto kiko nos ta hasi awe, awe ku un hende ku a komete intimidashon seksual tempu e tabata director? (…) Awe kiko nos ta hasi kiko nos ta hasi awe ku un persona ku tabata director i a komete intimidashon seksual kiko nos ta hasi kune, boso kiko nos ta hasi kune? Nos ta hasiele minister.”.

(het gerecht heeft de Papiamentstalige tekst letterlijk overgenomen van het inleidende verzoekschrift van [eiser]).

Vertaald in het Nederlands luidt de tekst:

“Diverse vrouwen van Kas di Kultura hebben een of andere vorm van seksuele intimidatie ondervonden van de directeur, onze huidige minister van onderwijs”

en

“Zelfs de directeur heeft in zijn rapport vermeld dat zij effecten hebben in hun gezondheid vanwege de seksuele intimidatie die daarbinnen heeft plaatsgevonden”

en

“Vandaag wat doen wij, wat doen wij vandaag met een persoon die directeur is geweest en seksuele intimidatie heeft gepleegd? (...) Wat doen wij met hem, weet jij wat wij met hem doen? Wij maken hem minister”.

3.4

[eiser] vordert de volgende rectificatie van deze uitlatingen:

“Rectificatie

In de uitzendingen van mijn radioprogramma van onder andere 3, 4 en 5 januari 2011 heb ik ten aanzien van de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van het land Curaçao, [eiser] gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van het merendeel van het vrouwelijk personeel van Kas di Kultura, alwaar de heer [eiser] voorheen directeur was. Ik moet echter toegeven dat ik niet over bewijs beschik voor deze door mij geuite ernstige beschuldigingen van strafbaar handelen.

De rechter heeft geoordeeld dat ik niet aannemelijk heb kunnen maken dat deze door mij geuite beweringen op waarheid berusten en dat daarom deze door mij tegen de heer [eiser] geuite beweringen onrechtmatig zijn. Ik zet die door mij ten onrechte gedane uitingen recht door deze rectificatie te publiceren. Ik doe dat op last van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, dat mij hiertoe bij vonnis van […] heeft veroordeeld.

[gedaagde]”.

3.5

Omtrent het antwoord op de vraag of de uitlatingen van [gedaagde] voor rectificatie in aanmerking komen, wordt het volgende overwogen.

3.6

Zoals het gerecht meermalen heeft overwogen (onder meer bij vonnis van 13 februari 2008, AR 2008/17 KG; LJN: <a href="http://zoeken.rechtspraak.ro.minjus/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BD9190" target="_blank">BD9190</a>) vormt rectificatie, zoals in casu gevorderd, een beperking op het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting dat eenieder, derhalve ook aan [gedaagde], op grond van artikel 10, lid 1, van het ook in Curaçao van kracht zijnde Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ( EVRM) toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van [gedaagde] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

3.7

Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee, ieder voor zich hoogwaardige en maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers, zoals [eiser], niet door uitlatingen in de media worden aangetast in hun eer, goede naam en persoonlijke integriteit, en aan de andere kant het belang dat burgers, zoals [gedaagde], zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en/of waarschuwend moeten kunnen uitlaten over een persoon die een openbaar ambt bekleedt ter signalering van misstanden die de samenleving raken.

Het recht op vrije meningsuiting mag uitsluitend worden beperkt indien die beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving. De vrijheid van meningsuiting betreft niet alleen de inhoud van meningen, maar ook de vorm waarin zij worden geuit en strekt zich in beginsel ook uit tot uitingen die kwetsend, schokkend of verontrustend (kunnen) zijn.

In de rechtspraak is verder onderscheid gemaakt tussen feitelijke verklaringen en waardeoordelen. In zijn uitspraak van 11 juli 2006 heeft het Europese Hof van de rechten van de mens ((EHRM) overwogen dat feitelijke verklaringen die de persoonlijke levenssfeer van een ander in negatieve zin raken van een voldoende feitelijke grondslag moeten worden voorzien, om het onrechtmatige karakter daaraan te ontnemen, terwijl dat bij waardeoordelen niet geldt, zij het dat een waardeoordeel excessief kan worden bevonden indien daarvoor een onvoldoende feitelijke basis is (EHRM, 2 november 2006).

In zijn uitspraak van 6 april 2006 heeft het EHRM verder geoordeeld dat ten aanzien van politici niet snel kan worden aangenomen dat een beperking van het recht van vrije meningsuiting is toegestaan. In het geval van een politieke discussie of een politiek debat over openbare aangelegenheden moeten de grenzen van de vrijheid van meningsuiting zowel ten aanzien van vorm als ten aanzien van inhoud ruim worden gesteld.

Tenslotte is in de jurisprudentie relevant geacht in hoeverre een persoon tot wie de uitlatingen zich richten, in staat is daarop te reageren.

3.8

Met toepassing van het vorenstaande wordt met betrekking tot de stelling van [eiser] dat [gedaagde] de grenzen van de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid jegens hem heeft overschreden door – kort weergegeven – op de radio te verklaren dat [eiser] als directeur van KdK, zich jegens vrouwelijke werknemers heeft gedragen zodanig dat sprake is van seksuele intimidatie, het volgende overwogen.

Welke van de belangen in het concrete geval de doorslag behoort te geven wordt in dit geval bepaald door de volgende in onderling verband te beschouwen feiten en omstandigheden.

a.

[eiser] is mede oprichter en directeur geweest van KdK. Aansluitend is [eiser] benoemd tot minister van onderwijs van Curaçao.

b.

[gedaagde] was de voorganger van [eiser] als minister van onderwijs van de Nederlandse Antillen. Zij heeft een radioprogramma genaamd Ata Palabra. [gedaagde] heeft zich gedurende een reeks van jaren binnen en buiten de politiek ingespannen voor de rechten van vrouwen.

c.

De opvolger van [eiser] als directeur van KdK is [opvolgster van eiser].

Er is op verzoek van het bestuur van KdK door [persoon van DEA consult] onderzoek ingesteld naar de werkverhoudingen binnen KdK. [persoon van DEA consult] heeft geconcludeerd dat het onwenselijk is dat [opvolgster van eiser] directeur blijft.

d.

Op dat rapport heeft [opvolgster van eiser] het hiervoor gedeeltelijk aangehaalde commentaar geleverd.

[opvolgster van eiser] is met ingang van 2 december 2010 geschorst.

e.

Een medewerkster van KdK heeft aan haar collega’s een e-mail gestuurd met de hiervoor gedeeltelijk aangehaalde inhoud. Een kopie daarvan is in het bezit van [gedaagde] gekomen.

f.

Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat zij haar mededelingen op de radio van 3, 4 en 5 januari 2011 heeft gebaseerd op het commentaar van [opvolgster van eiser] op de rapportage van [persoon van DEA consult] en op basis van de vorenbedoelde e-mail van 26 november 2010.

Voorts heeft [gedaagde] er op gewezen dat zij voor haar uitzending van 3 en 4 januari 2011 om 19.00 uur kennis heeft genomen van

(a) het voornoemde bericht, verschenen in het dagblad Ultimo Noticia van 29 december 2010 en

(b) het voornoemde bericht, verschenen in het dagblad Amigoe van 30 december 2010

(c) het voornoemde bericht op de website van RNW;

(d) de analyse in het AD van 4 januari 2011 van het bericht op de website van RNW;

(e) het interview van [eiser] bij Radio Direct op 4 januari 2011 (waarvan zij een deel heeft laten uitzenden).

3.9

Wat onder seksuele intimidatie moet worden verstaan is hier te lande niet in de wet vastgelegd. In het bijzonder is een als seksuele intimidatie gekwalificeerde gedraging niet strafbaar gesteld. Het gerecht zoekt daarom aansluiting bij de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, zoals deze in Nederland van kracht is (Stb 1980, 86). In artikel 1a, eerste lid, van die wet is vastgelegd dat het verbod van onderscheid tussen mannen en vrouwen tevens inhoudt een verbod op intimidatie en seksuele intimidatie. Artikel 1a, lid 3 van die wet luidt:

“Onder seksuele intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende situatie wordt gecreëerd.

3.10

Desgevraagd ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat de hiervoor sub 3.3 aangehaalde bewoordingen door haar zijn gebruikt in haar radioprogramma, zodat dit vast staat.

3.11

Met deze uitingen heeft [gedaagde] [eiser] gekwalificeerd als een persoon die zich als directeur van KdK tegenover vrouwelijke werknemers daarvan heeft gedragen op een wijze die kan worden aangemerkt als seksuele intimidatie.

3.12

Uitingen van deze aard zijn grievend. Deze uitlatingen kunnen bovendien de betrokken persoon schaden omdat daarmee zijn eer en goede naam wordt aangetast en bij het publiek twijfel kan rijzen omtrent zijn integriteit, hetgeen voor eenieder schadelijk kan zijn. Dat geldt eens te meer voor degene wiens functioneren wordt beïnvloed door de publieke opinie, zoals een politicus.

3.13

Van deze uitlatingen kan alleen dan worden gezegd dat deze niet onrechtmatig zijn jegens [eiser], indien [gedaagde] aantoonbaar beschikt over betrouwbare bronnen op grond waarvan genoegzaam vast staat dat [eiser] zich in voormelde zin heeft gedragen jegens de vrouwelijke werknemers van KdK toen hij daar directeur was.

3.14

Noch door de opvolgend directeur [opvolgster van eiser], noch door de werknemer in haar hiervoor gedeeltelijk aangehaalde e-mail van 26 november 2010 worden concrete gedragingen van [eiser] genoemd, zoals intieme vragen over het privé leven, suggestieve opmerkingen of het betasten van het lichaam.

Evenmin is melding gemaakt van tijd en plaats van zulke gedragingen (wanneer en waar), noch is vermeld welke bewoordingen zijn gebruikt of welke lichaamsdelen zijn betast.

[gedaagde] heeft ook geen namen genoemd van haar informanten, anders dan de naam van [opvolgster van eiser]. [opvolgster van eiser] heeft in haar commentaar in algemene bewoordingen verwezen naar gesprekken die zij heeft gevoerd met vrouwelijke werknemers van KdK, zonder te vermelden wie dat zijn.

3.15

[opvolgster van eiser] en de schrijfster van de e-mail van 26 november 2010 hebben derhalve nagelaten te vermelden wie, wanneer, wat heeft gedaan of gezegd en hoe dat is gedaan of gezegd. Op grond hiervan concludeert het gerecht dat zij zich hebben beperkt tot het kwalificeren van de gedragingen van [eiser], zonder dat de juistheid daarvan kan worden geverifieerd.

3.16

De stelling van [gedaagde] dat de juistheid van haar verklaring omtrent de gedragingen van [eiser] kan worden afgeleid uit de website van RNW leidt niet tot een ander oordeel.

Op deze site is op 5 januari 2011 melding gemaakt van een aan [eiser] toegeschreven nachtelijk telefoongesprek met een vrouwelijke werknemer van KdK.

[eiser] heeft de juistheid daarvan betwist.

Een verklaring van de betrokken werkneemster wier ervaringen zijn verwoord, is niet in het geding gebracht. Evenmin is op die publicatie of ter zitting vermeld om welke werkneemster het gaat.

Daardoor kan het gerecht de betrouwbaarheid van de publicatie niet verifiëren. Ook kan daardoor niet worden uitgesloten dat de schrijfster van de e-mail en degene die tegenover een medewerker van RNW heeft verklaard dezelfde persoon zijn. Dan is geen sprake van verschillende bronnen, maar van een bron.

3.17

Uit het interview van [eiser] met een medewerker van Radio Direct op 4 januari 2011 blijkt weliswaar dat [eiser] op de hoogte was van geruchten die bij KdK de ronde deden over seksuele intimidatie en dat zijn naam daarbij werd genoemd, maar daaraan kan niet de conclusie worden verbonden, zoals [gedaagde] lijkt te doen, dat [eiser] tijdens dat interview heeft erkend dat sprake was van seksuele intimidatie. Dit interview vormt dan ook geen feitelijke grondslag voor het door [gedaagde] aan het adres van [eiser] geuite verwijt van gedragingen van [eiser] jegens vrouwelijke werknemers van KdK die als seksuele intimidatie kunnen worden gekwalificeerd.

3.18

[gedaagde] heeft gesteld dat de Ombudsman een rapport heeft vervaardigd over de gedragingen van [eiser] toen hij nog directeur van KdK was en met een beroep op artikel 843a Rv incidenteel gevorderd dat de ombudsman wordt bevolen inzage, afschrift of uittreksel van dit rapport te verschaffen.

[eiser] heeft daartegen verweer gevoerd en onder meer betwist dat zo’n rapport bestaat.

Het gerecht kan en zal in het midden laten of dat rapport waarop [gedaagde] doelt bestaat omdat het voorschrift van artikel 843a Rv een bewijsbepaling is en in een kort geding voor bewijsincidenten en het nader leveren van bewijs door bijvoorbeeld het horen van getuigen of het leveren van nader schriftelijk bewijs geen plaats is. Daarvoor is de met waarborgen omgeven bodemprocedure aangewezen waarin plaats is voor het leveren van bewijs bijvoorbeeld door het laten horen van getuigen of door het leveren van bewijs nadat uitvoering is gegeven aan een bevel ex artikel 843a Rv.

3.19

Aangezien [eiser] de verweten seksuele intimidatie gemotiveerd heeft betwist en daarbij heeft verwezen naar een door meerdere werknemers van de KdK ondertekende verklaring (ongedateerd) en [gedaagde] geen verifieerbare feitelijke gedragingen heeft genoemd die steun geven aan de stelling dat [eiser] zich tegenover vrouwelijke werknemers van KdK heeft gedragen op een wijze die moet worden aangemerkt als seksuele intimidatie, is de verweten seksuele intimidatie niet genoegzaam komen vast te staan.

3.20

Gelet hierop dient te worden geoordeeld dat de uitlatingen van [gedaagde] zodanig excessief zijn dat zij daarmee – de belangen van [eiser] bij de bescherming van zijn eer, goede naam en integriteit als persoon en als minister in aanmerking genomen – de grenzen van de vrijheid van meningsuiting heeft overschreden. De bedoelde verklaringen van [gedaagde] op de radio zijn dan ook onrechtmatig jegens [eiser].

3.21

De stelling van [gedaagde] dat het van vrouwen die slachtoffer zijn van seksuele intimidatie bekend is dat zij zwijgen over hun ervaringen uit schaamte of om andere redenen, leidt niet tot een ander oordeel omdat de aantasting van eer, goede naam en persoonlijke integriteit slechts gerechtvaardigd is indien daarvoor een voldoende feitelijke grondslag bestaat.

3.22

[gedaagde] heeft gesteld dat zij in wezen niet meer heeft gedaan dan de berichten in de media herhalen. Dit standpunt wordt niet onderschreven.

Uit de hiervoor sub 3.2 en 3.3 aangehaalde bewoordingen blijkt dat [gedaagde] niet alleen heeft verklaard dat er een serieuze beschuldiging is verschenen in de media, maar ook dat zij als feit heeft gepresenteerd dat vrouwen, werkzaam bij KdK een of andere vorm van seksuele intimidatie hebben ondervonden van de huidige minister van onderwijs.

3.23

[gedaagde] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat zij moet worden beschouwd als columniste aan wie in zaken als deze een grotere vrijheid toekomt voor het doen uitlatingen over personen, in het bijzonder politici.

Uitingen die klaarblijkelijk als karikaturaal, satirisch of humoristisch zijn bedoeld en door het publiek ook zo worden begrepen, zullen minder gauw excessief worden gewaardeerd.

Onaannemelijk is evenwel dat het publiek de uitingen van de oud minister van onderwijs aldus zal begrijpen dat die uitingen bedoeld zijn als karikaturaal, satirisch of humoristisch. Eerder suggereert deze status een zekere autoriteit.

Wanneer gegevens worden gepresenteerd als feit, en zeker als daarbij een zekere autoriteit wordt gesuggereerd, is een grotere mate van zorgvuldigheid vereist dan wanneer het gaat om waardeoordelen.

Ook degene die een specifiek domein van het dagelijks leven becommentarieert ontkomt er niet aan dat de grenzen van de vrijheid van meningsuiting worden overschreden indien zonder voldoende steun in het feitenmateriaal, als feit wordt gepresenteerd dat een leidinggevende zich jegens de vrouwelijke werknemers heeft gedragen op een wijze die als seksuele intimidatie kan worden aangemerkt.

3.24

Het gerecht miskent niet dat bij [gedaagde] sprake is van ideëel gemotiveerde gedrevenheid bij het volgen en kritisch becommentariëren van ongewenste bejegening door mannen van vrouwen. Dit motief is op zichzelf evenwel onvoldoende zwaarwegend om de reputatie schadende uiting te legitimeren.

Dat de beperking van vrijheid van meningsuiting niet gerechtvaardigd is in een democratische samenleving is overigens gesteld, noch gebleken.

3.25

Het vorenoverwogene in aanmerking genomen komt de vordering tot rectificatie op na te melden wijze voor toewijzing in aanmerking.

De zinsnede “Ik moet echter toegeven dat ik niet over bewijs beschik voor deze door mij geuite ernstige beschuldigingen van strafbaar handelen” zal niet in de rectificatietekst worden opgenomen.

Zoals hiervoor overwogen is het begrip seksuele intimidatie in wetgeving hier te lande niet omschreven. Seksuele intimidatie is ook niet als strafbaar feit gekwalificeerd.

3.26

Naast de Nederlandstalige kranten Amigoe en Antilliaans Dagblad hebben over het vorenstaande gepubliceerd het Papiamentstalige dagblad Extra en Ultimo Noticia. [gedaagde] dient dan ook te worden veroordeeld in deze dagbladen na te melden rectificatie te publiceren.

3.27

Nu vaststaat dat [gedaagde] dagelijks een radio programma heeft op radio Krioyo is er eveneens aanleiding haar te veroordelen de tekst van de rectificatie voor te lezen in haar programma.

3.28

Het mede gevorderde verbod dat [gedaagde] zich in de toekomst dient te onthouden van uitingen die inhouden dat [eiser] zich heeft schuldig gemaakt aan seksuele intimidatie tegenover vrouwen die werkzaam zijn bij KdK dient te worden afgewezen, reeds omdat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat ook in de toekomst een voldoende feitelijke grondslag zal ontbreken.

4. De kosten

[gedaagde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van [eiser] gevallen, te worden verwezen.

5. De beslissing

Het gerecht:

rechtdoende in kort geding:

I.

- beveelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan haar, op haar kosten, de hierna volgende tekst te publiceren in de dagbladen Amigoe en Antilliaans Dagblad en in Extra en Ultimo Noticia,

een en ander op straffe van een onmiddellijk aan [eiser] te verbeuren dwangsom van NAf 1.000,- per dag (tot een maximum van NAf 50.000,-) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis niet (volledig) aan dit bevel voldoet;

de tekst:

<b>“Rectificatie:

In de uitzendingen van mijn radioprogramma van 3, 4 en 5 januari 2011 heb ik ten aanzien van de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van het land Curaçao, [eiser] gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van het merendeel van het vrouwelijk personeel van Kas di Kultura, alwaar de heer [eiser] voorheen directeur was.

De rechter heeft geoordeeld dat ik niet aannemelijk heb kunnen maken dat deze door mij geuite beweringen op waarheid berusten en dat daarom deze door mij tegen de heer [eiser] geuite beweringen onrechtmatig zijn. Ik zet die door mij ten onrechte gedane uitingen recht door deze rectificatie te publiceren. Ik doe dat op last van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, dat mij hiertoe bij vonnis 28 februari 2011 heeft veroordeeld.”.

[gedaagde]</b>

(einde tekst)

II.

- beveelt [gedaagde] om in het door haar verzorgde radioprogramma “Ata Palabra” op radio Krioyo binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, op haar kosten, de navolgende tekst voor te lezen,

zulks op straffe van een onmiddellijk aan [eiser] te verbeuren dwangsom van NAf 1.000,- per dag (tot een maximum van NAf 50.000,-) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] binnen 48 uur na betekening van dit vonnis niet (volledig) aan dit bevel voldoet;

de tekst:

<b>“Rectificatie:

In de uitzendingen van mijn radioprogramma van 3, 4 en 5 januari 2011 heb ik ten aanzien van de Minister van Onderwijs, Sport en Cultuur van het land Curaçao, [eiser] gesteld dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van het merendeel van het vrouwelijk personeel van Kas di Kultura, alwaar de heer [eiser] voorheen directeur was.

De rechter heeft geoordeeld dat ik niet aannemelijk heb kunnen maken dat deze door mij geuite beweringen op waarheid berusten en dat daarom deze door mij tegen de heer [eiser] geuite beweringen onrechtmatig zijn. Ik zet die door mij ten onrechte gedane uitingen recht door deze rectificatie voor te lezen. Ik doe dat op last van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao, dat mij hiertoe bij vonnis 28 februari 2011 heeft veroordeeld.”</b>

(einde tekst)

- veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van [eiser] gevallen, en tot op heden begroot op NAf 2.781,50, waarvan NAf 2.000,- ter zake van salaris gemachtigde;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2011.