Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAC:2010:BO5057

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Datum uitspraak
15-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
AR 2009/770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is eigendom van opstal tussen man en vrouw die affectieve relatie hebben gehad. Man vordert economisch eigenaar te zijn van woning. Het Gerecht oordeelt dat uit de zogenoemde "liefdesnest-jurisprudentie" blijkt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het op Curaçao geenszins ongebruikelijk is dat in het kader van buitenhuwelijkse relaties door de financieel meest draagkrachtige partij op diens kosten wordt zorg gedragen voor enig onderkomen waarin partijen ongestoord kunnen samen zijn. Het beroep van de vrouw dat er sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis slaagt. Vordering van man wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Zaaknummer: AR 2009/770

Vonnisdatum: 15 november 2010

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Vonnis in de zaak van

[man],

wonende in Curaçao,

eiser in conventie, gedaagde in reconventie, verder de man,

gemachtigde: mr. L.L. James,

tegen:

[vrouw],

wonende in Curaçao,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, verder: de vrouw,

gemachtigde: aanvankelijk: A. MoenirAlam, thans mr. M.C. Vaders.

1. Het procesverloop

Dat blijkt uit:

- het inleidende verzoekschrift met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;

- de brief van de gemachtigde van de man met producties van 26 maart 2010;

- de pleitnota aan de zijde van de man van 30 maart 2010;

- de pleitnota aan de zijde van de vrouw van 30 maart 2010;

- de akte overleggen van stukken met producties aan de zijde van de man, overgelegd ter zitting van 26 mei 2010;

- de pleitnota aan de zijde van de man van 17 september 2010;

- de pleitnota aan de zijde van de vrouw van 17 september 2010;

- de aantekeningen van de griffier.

Bij pleidooi op 30 maart 2010 is de man in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. De vrouw is toen eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door haar toenmalige gemachtigde. Bij de voortzetting van het pleidooi ter zitting van 17 september 2010 zijn partijen in persoon verschenen, waarbij de man werd bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd, en de vrouw door mr. O. Kostrzewski.

Vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

<b>In conventie</b>

De man vordert:

<i>Primair</i>

a. “te verklaren voor recht dat eiser economisch eigenaar is van de (…) woning plaatselijk bekend als [adres] op Curaçao”;

b. de vrouw te bevelen die woning te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

<i>Subsidiair</i>

“te verklaren voor recht dat gedaagde onrechtmatige verrijkt al dan niet met benoeming van een erkend taxateur om de waarde van de woning te taxeren en de huurwaarde van de (…) woning te begroten alsmede om het bedrag der verrijking te berekenen, met een veroordeling van gedaagde om alsdan het bedrag van de verrijking aan eiser te vergoeden (…)”, een en ander met rente en kosten.

De vrouw heeft de vordering bestreden.

<b>In reconventie</b>

De vrouw vordert, na wijziging van de eis,

“verklaring voor recht dat haar verzoek tot legalisatie en haar aanvraag voor het vestigen van het recht van erfpacht ten behoeve van haar, dient te prevaleren boven de aanvraag van [man], nu haar aanvragen ouder zijn in tijd, zodat haar tevens op grond daarvan het gebruiksrecht van de woning toekomt”.

De man heeft deze vordering bestreden.

3. De beoordeling

<b>In conventie en in reconventie</b>

3.0.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de producties kan van het volgende worden uitgegaan.

3.1

De man is geboren op 1 februari 1967. De vrouw is geboren op 4 januari 1977.

De man exploiteert een transportbedrijf.

De vrouw is van oktober 2003 tot en met maart 2005 werkzaam geweest bij Mangusta supermarkt als caissière en van juli 2005 tot en met juli 2007 als secretaresse bij Tauro Security & Services. Daarnaast is zij van augustus tot en met oktober 2007 in dienst geweest bij Uitzendbureau Kadanz als “schoonmaak medewerkster”.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.

Gedurende deze periode was de man getrouwd met een andere vrouw. De man woonde toen aan de [adres].

Voorafgaande aan de affectieve relatie woonde de vrouw met haar twee minderjarige kinderen bij haar moeder aan de [adres].

Bouwkundig adviesbureau Ranis NV heeft een op 21 april 2005 gedateerde bestektekening vervaardigd ten behoeve van een “nieuwbouwhuis” onder vermelding van “werknr. 05-271/01”. Als opdrachtgever is de man vermeld.

Overeenkomstig deze tekening is een woning gebouwd op een terrein dat in eigendom toebehoort aan de toenmalige openbare rechtspersoon het Eilandgebied Curacao, plaatselijk bekend als [adres].

De man heeft een “kostenraming” in het geding gebracht waarop hetzelfde projectnummer is vermeld (05-271), gedateerd 21 april 2006. Volgens die raming bedroegen de bouwkosten NAf 88.360,-, waarvan NAf 41.650,- ter zake van loonkosten en NAf 45.710,- ter zake van materiaalkosten.

Bij brief van 5 mei 2005 heeft de Dienst ruimtelijke ordening en volkshuisvesting van het Eilandgebied Curacao de vrouw gesommeerd tot het ”stopzetten (van) illegale bouwwerkzaamheden te [adres]”.

Desondanks is de woning gereed gekomen.

De vrouw heeft de woning aan de [adres] naast 103 bewoond in elk geval vanaf 2007. Daaraan voorafgaande heeft de man ten behoeve van de vrouw op zijn kosten een huis gehuurd in Koraal Partier waarin de vrouw heeft gewoond.

Op 26 juli 2007 heeft de dienst domeinbeheer van het Eilandgebied Curacao een verklaring van de vrouw ontvangen, inhoudende:

“1. dat zij eigenaar is van de opstal/ het woonhuis op het perceel, gelegen te [adres];

2. dat zij derhalve (met uitsluiting van ieder ander) aanspraak heeft op de rechten van de op het perceel gebouwde opstal, en wenst thans het perceel in <b>erfpacht</b> te verkrijgen (…);

4. dat zij akkoord gaat met de betaling van een gebruiksvergoeding (…) vanaf 15 dec 2006 (…)”.

Deze verklaring was gevoegd bij een verzoek van de vrouw om legalisatie van het gebruik van de grond.

Op verzoek van de vrouw is de man door de politie op 13 oktober 2008 de toegang tot deze woning ontzegd.

De man heeft een op 14 oktober 2008 gedateerde verklaring ondertekend waarin is vastgelegd dat hij de woning aan de [adres] heeft opgetrokken en daarvan economisch eigenaar te zijn. Voorts heeft hij het Eilandgebied Curacao, Bureau Domeinbeheer, verzocht om “legalisatie” hiervan.

Bij brief van 16 oktober 2008 heeft de dienst domeinbeheer van het Eilandgebied Curaçao ”to whom it may concern” verklaard dat het verzoek van de vrouw van 26 juli 2007 om legalisatie in behandeling is genomen en dat het bestuurscollege zal worden benaderd met het voorstel tot uitgifte in erfpacht van het aangevraagde terrein aan de vrouw als er geen planologische en civiel technische bezwaren zijn tegen de uitgifte.

Bij brief van 11 november 2008 is de vrouw zijdens de man gesommeerd deze woning te ontruimen. Daaraan heeft zij geen gevolg gegeven.

3.2

De man heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat op zijn kosten de voormelde woning in 2005 is opgericht, waartoe hij naar financiële stukken zoals kwitanties en bankrekeningafschriften heeft verwezen.

3.3

De vrouw heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de woning op haar kosten in 2007 is opgericht, waartoe zij (in hoofdzaak) heeft verwezen naar bonnen ter zake van de levering van bouwmateriaal.

Overwogen wordt als volgt.

3.4

De grond waarop de woning aan de [adres] is gebouwd is eigendom van het Eilandgebied Curacao.

De woning die daarop is gebouwd is krachtens natrekking juridisch eigendom van het land Curacao als rechtsopvolgster van het Eilandgebied Curacao.

3.5

Partijen worden in wezen verdeeld gehouden over het antwoord op de vraag aan wie het exclusief recht van gebruik van de woning toekomt.

3.6.1

Uit de door partijen in het geding gebrachte bonnen en dergelijke betreffende de aankoop van bouwmaterialen blijkt dat de bouw heeft voortgeduurd van eind 2005 tot medio 2007.

Partijen hebben elkaar in 2005 leren kennen. Dat leidt het gerecht af uit de aangifte van de vrouw van 20 april 2009.

Volgens de vrouw in 2005, volgens de man in 2006, zijn partijen een liefdesrelatie aangegaan. Deze is blijkens het reclasseringsrapport, overgelegd bij akte van 26 mei 2010, in oktober 2008 beëindigd. Uit de relatie is geen kind geboren.

3.6.2

De vrouw heeft onder meer gesteld:

“[man] heeft geen gelden gestoken in de onderhavige woning van [vrouw]. Wel heeft [man], [vrouw] bijgestaan met de bouw van haar woning waaronder het aannemen van werklieden, materiaal vervoeren met zijn truck. Echter deze bijstand was kosteloos, immers gebaseerd op de amoureuze relatie en in feite een natuurlijke verplichting uit moraal en fatsoen.”.

3.6.3

Uit de zogenoemde “liefdesnest-jurisprudentie” (TAR 2008, pag 309 e.v en TAR 2008, pag 329 e.v.) blijkt dat het van algemene bekendheid is dat het op Curaçao geenszins ongebruikelijk is dat in het kader van buitenhuwelijkse relaties door de financieel meest draagkrachtige partij op diens kosten wordt zorg gedragen voor enig onderkomen waarin partijen ongestoord kunnen samen zijn.

3.6.4

Voor zover de man bouwkosten voor zijn rekening heeft genomen overweegt het gerecht dat naar zijn oordeel er in een situatie als de onderhavige een objectieve aanwijzing bestaat, dat sprake is van voldoening aan een natuurlijke verbintenis, zoals de vrouw heeft gesteld, al moet mede acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waar onder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.

3.6.5

Het gerecht gaat ervan uit dat de man als zelfstandige transport ondernemer een betrekkelijk goed inkomen heeft. Daarop wijst ook de door de man onweersproken stelling van de vrouw dat de man ”ook een aantal appartementen op hetzelfde terrein (heeft)” en “een aantal appartementen erbij (bouwt)”.

3.6.6

De hoogte van de door de man gestelde (maar niet gebleken) bouwkosten van NAf 88.360,-, indien door de man gedragen, duiden naar het oordeel het gerecht niet op een disproportionele bevoordeling. In dit verband wordt er op gewezen dat in de zaak die is geëindigd met het vonnis van het Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 28 oktober 2008 (TAR 2008, pag. 329 e.v.) naar het oordeel van het hof geen sprake was van disproportionele bevoordeling van de vrouw bij een door de man gestelde investering van NAf 97.326,82 bij een relatie die vier jaren in stand was gebleven.

Voor dit oordeel is temeer reden nu de aangetoonde bouwkosten volgens de vrouw NAf 14.980,- bedragen (conclusie van antwoord, pagina 2) en volgens de man (NAf 16.921,20 + NAf 2.196,61=) NAf 19.117,81 (productie 11 en 12 bij de brief van 26 maart 2010). Hierbij heeft voorts gewogen dat de man in eigen beheer (“tesamen met een vriend”) het terrein bouwrijp heeft gemaakt. Facturen van personen die beroepsmatig werkzaam zijn in de bouw – zoals aannemers, loodgieters en electriciens – heeft het gerecht onder de stukken niet aangetroffen en geen van partijen heeft gesteld dat zodanige personen zijn ingeschakeld.

3.6.7

Weliswaar heeft de man voorts verwezen naar een groot aantal geldopnames van drie bankrekeningen (productie 13 bij de brief van 26 maart 2010), maar of met het opgenomen geld bouwmateriaal is gekocht ten behoeve van of lonen zijn betaald aan bouwvakkers die hebben gewerkt aan de woning aan de [adres] kan daaruit niet worden afgeleid, temeer niet nu als onweersproken vast staat dat de man meer appartementen heeft gebouwd.

3.6.8

Mitsdien heeft de man naar het oordeel van het gerecht, voor zover hij bouwkosten van door de vrouw bewoonde woning voor zijn rekening heeft genomen, voldaan aan een natuurlijke verbintenis. Deze kan hij niet eenzijdig ongedaan maken.

3.7.1

De man heeft het begrip “economisch eigenaar” niet nader omschreven.

3.7.2

Voor zover de man daarmee beoogt dat voor recht wordt verklaard dat hij bij uitsluiting van de vrouw het gebruiksrecht heeft van de woning (als bedoeld in de verklaring van de vrouw tegenover de dienst Domeinbeheer van het Eilandgebied Curacao (productie 2 bij de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie) en kennelijk ook is bedoeld in de verklaring van de man ten behoeve van het Bureau Domeinbeheer van het Eilandgebied Curacao van 14 oktober 2008 (productie 6 bij het inleidend verzoekschrift), dient de primaire vordering in conventie te worden afgewezen omdat daardoor de rechtsgevolgen van de natuurlijke verbintenis waaraan de man heeft voldaan teniet zouden worden gedaan.

3.8

Hetzelfde geldt voor het (primair) eveneens gevorderde bevel tot ontruiming van de woning door de vrouw.

3.9

Subsidiair heeft de man gevorderd te verklaren voor recht dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt.

Op grond van het vorenoverwogene dient ook dat onderdeel van de vordering in conventie te worden afgewezen. Van ongerechtvaardigde verrijking is op grond van artikel 6:212 BW geen sprake in een geval als dit waarin de verrijking zijn grondslag vindt in de voldoening aan een natuurlijke verbintenis.

3.10

De vordering in reconventie, voor zover deze er toe strekt dat aan de vrouw het exclusief gebruiksrecht toekomt van de woning aan de [adres] te Curacao, dient op grond van het vorenoverwogene te worden toegewezen.

3.11

Op de aanvraag van de vrouw bij (de rechtsopvolger van) het Eilandgebied Curacao om legalisatie van het gebruik van de grond en het verlenen van het recht van erfpacht dient nog te worden beslist door de overheid.

Nu die overheid geen partij is in deze procedure, dient de vrouw in haar vordering tot verklaring voor recht dat haar aanvraag tot legalisatie en verlening van het recht van erfpacht dient te prevaleren boven dat van de man, niet ontvankelijk te worden verklaard.

4. De kosten

<b>In conventie en in reconventie</b>

De man dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van de vrouw gevallen, te worden verwezen.

5. De beslissing

Het gerecht:

<b>In conventie</b>

- wijst de vordering af;

<b>In reconventie</b>

- verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar vordering tot verklaring voor recht dat haar aanvraag tot legalisatie en verlening van het recht van erfpacht dient te prevaleren boven dat van de man;

- verklaart voor recht dat aan de vrouw met uitsluiting van de man het gebruiksrecht toekomt van de woning aan de [adres];

<b>In conventie en in reconventie</b>

- veroordeelt de man in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde van de vrouw gevallen en tot op heden begroot op NAf 2.700,- ter zake van salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.G.P.M. Spreuwenberg en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 november 2010.