Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2021:3

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
01-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
BON202000562
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een overleden man afgewezen. De rechter acht het buiten zijn rechtsvormende taak te voorzien in het rechtstekort in de BES-wetgeving en een rechtskeuze te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: BON202000562

Datum beslissing: 1 april 2021

BESCHIKKING

op verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te Bonaire,

verzoeker,

gemachtigde: mr. N. van Luijk,

De procedure

1. Het procesverloop blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties ingediend op 8 december 2020;

- de e-mail van de gemachtigde van verzoeker van 22 december 2020 met bijlage;

- de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 4 maart 2021, waarbij verzoeker en zijn gemachtigde zijn verschenen. De moeder van verzoeker, [moeder verzoeker], is tijdens de mondelinge behandeling als informant gehoord via videoverbinding.

2. De uitspraak is bepaald op vandaag.

De beoordeling

3. De moeder van verzoeker is op [geboortedatum- en plaats] bevallen van verzoeker. Verzoeker is niet erkend. Destijds had de moeder van verzoeker een relatie met [naam man], geboren op [geboortedatum- en plaats] (hierna: de man).

4. De man woonde op Bonaire en is op [overlijdensdatum- en plaats] overleden.

5. Verzoeker heeft verzocht om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, vast te stellen dat de man de vader is van verzoeker, te bepalen dat verzoeker de geslachtsnaam [naam van de moeder] behoudt en voor recht te verklaren dat verzoeker als zoon van de man zijn erfgenaam is.

6. Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat de man de biologische vader van verzoeker is. Verzoeker verwijst naar een in 1998 uitgevoerd DNA-onderzoek waarvan de conclusie is dat de man met aan zekerheid grenzende zekerheid de biologische vader is van verzoeker en aan de hand waarvan destijds een door de man te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van verzoeker is vastgesteld. Tot zijn zeventiende jaar heeft verzoeker bij zijn moeder op Curaçao gewoond en daarna is hij bij de man op Bonaire gaan wonen. Een erkenning van verzoeker door de man is er nooit van gekomen, omdat verzoeker daar de meerwaarde destijds niet van inzag. Bovendien wilde verzoeker geen andere geslachtsnaam krijgen. Dat de juridische situatie niet in overeenstemming is met de feitelijke situatie heeft inmiddels verstrekkende gevolgen. Hoewel de BES-wetgeving geen wetsartikel kent op basis waarvan het vaderschap kan worden vastgesteld, moet er gelet op vaste rechtspraak1 wel vanuit worden gegaan dat verzoeker als vaderloos kind aan artikel 8 EVRM een aanspraak op gerechtelijke vaststelling van het vaderschap kan ontlenen.

7. Het gerecht overweegt als volgt. In de BES-wetgeving ontbreekt de mogelijkheid van een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Dat levert strijd op met artikel 8 (‘right to respect for private and family life’), alsmede met de artikelen 14 en 1 Protocol nr. 12 (discriminatieverbod) van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) en met de artikelen 17 en 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). In het Marckx-arrest van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 13 juni 1979 (NJ 1980, 462, § 31 en § 40) heeft het Europese Hof voor de rechten van de mens uitgesproken dat de onwettige familie op dezelfde voet de bescherming van artikel 8 EVRM verdient als de wettige. Voorts verbiedt artikel 14 EVRM en artikel 1 Protocol nr. 12 EVRM uitdrukkelijk discriminatie naar geboorte (`birth'). Het gerecht verwijst voorts naar de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 15 juli 2014, in de zaak Tsvetelin Petkov v. Bulgaria, Application no. 2641/06:

‘44. The Court has held on numerous occasions that paternity proceedings do fall within the scope of Article 8 (see, for example, Rasmussen v. Denmark, judgment of 28 November 1984, Series A no. 87, p. 13, § 33; Keegan v. Ireland, judgment of 26 May 1994, Series A no. 290, p. 18, § 45). Respect for “private life” must also comprise to a certain degree the right to establish relationships with other human beings (see, mutatis mutandis, Niemietz v. Germany, judgment of 16 December 1992, Series A no. 251-B, pp. 33-34, § 29). The Court has also held that “private life” incorporates the right to respect for individuals’ decisions to become or not to become a parent (Evans v. the United Kingdom [GC], no. 6339/05, § 71, ECHR 2007 I). There appears, furthermore, to be no reason of principle why the notion of “private life” should be taken to exclude the determination of the legal relationship between a child born out of wedlock and the person claimed to be that child’s father.’

8. De overige wetgevers binnen het Koninkrijk hebben de strijdigheid met het EVRM en het IVBPR tussen kinderen die binnen een huwelijk en buiten een huwelijk zijn geboren beoogd op te heffen. In Europees Nederland heeft de wetgever gekozen voor invoering van artikel 1:207 in het Burgerlijk Wetboek waarin de mogelijkheid van gerechtelijke vaststelling van het vaderschap is opgenomen. In de Caribische delen van het Koninkrijk hebben de wetgevers van Curaçao en Sint-Maarten gekozen voor de invoering van een gelijkluidend artikel én een extra artikel, namelijk 1:207a, waarin (mogelijke) beperkingen van erfrechtelijke gevolgen zijn opgenomen in het geval de man wiens vaderschap wordt vastgesteld is overleden. Indien een verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap wordt ingediend meer dan vijf jaren na het overlijden van de man en deze een weduwe of andere kinderen heeft achtergelaten, heeft de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap geen erfopvolging bij versterf door het kind tot gevolg met betrekking tot de nalatenschap van de man (art. 1:207a lid 2). Verder kan de rechter, indien het verzoek tijdig is gedaan na overlijden van de man, de erfrechtelijke aanspraken van het kind beperken, indien erfopvolging door het kind een bijzondere hardheid zou betekenen voor de weduwe of andere kinderen van de man. Reden voor toepassing kan zijn dat de weduwe in substantiële mate heeft bijgedragen aan de groei van de ontbonden huwelijksgemeenschap. Indien zij deze bijdrage zou moeten delen met een ‘buitenkind’, zou dit een bijzondere hardheid kunnen betekenen.

9. Voor Aruba is bij Landsverordening van 23 september 2016 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (AB 1989 no. GT 100) in verband met een aantal onderwerpen die nog een regeling of aanpassing in het Burgerlijk Wetboek van Aruba behoeven (aanvulling Burgerlijk Wetboek van Aruba), AB 2016 no. 51, de wettelijke regeling van de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap tot stand gekomen. Deze landsverordening is nog niet in werking getreden, maar hierin is wel het rechtstekort van het ontbreken van een regeling om het vaderschap vast te stellen onder ogen gezien door de wetgever en de wetgever heeft daar een keuze gemaakt uit de verschillende stelsels waarin vaststelling van het vaderschap mogelijk is. De Arubaanse wetgever heeft in het wetsonderwerp gekozen voor hetzelfde stelsel als Curaçao en Sint-Maarten hebben ingevoerd, namelijk de mogelijkheid van vaststelling van het vaderschap mét de hierboven genoemde (mogelijke) beperkingen van erfrechtelijke gevolgen in het geval de man wiens vaderschap wordt vastgesteld is overleden (artikel 1:207 én 1:207a).

10. De Arubaanse rechter kon, in de door verzoeker aangehaalde rechtspraak, door bij die keuze van de wetgever in het wetsontwerp aan te sluiten een oplossing bieden voor het rechtstekort van de geldende wetgeving.

11. De vraag is of ook de BES-rechter in het rechtstekort van de hier geldende wetgeving kan voorzien. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Anders dan in Aruba heeft de BES-wetgever (nog) geen enkele keuze gemaakt tussen de verschillende stelsels waarin bedoelde vaststelling van het vaderschap mogelijk is in een wetsontwerp. De BES-rechter kan dus niet bij een reeds gemaakte keuze aansluiten. Evenmin is in het voorliggende geval één gemeenschappelijke lijn te ontdekken in de stelsels die de verschillende wetgevers binnen het Koninkrijk hebben gekozen waarbij door de BES-rechter zou kunnen worden aangesloten.

Het verschil tussen de keuzes van de wetgevers van de verschillende landen binnen het Koninkrijk, dus tussen het vaststellen van het vaderschap met of zonder (mogelijke) beperking van erfrechtelijke gevolgen, is aanzienlijk en de gevolgen daarvan zijn groot. Bovendien zijn bij de vraag welk stelsel hier de voorkeur verdient uiteenlopende belangen van praktische en meer principiële aard betrokken die de onderlinge verhouding tussen burgers raken. Het toekennen van een voorziening als die verzoeker in het voorliggende geval, mede in aanmerking genomen dus de aard van de daarbij betrokken belangen en de grote gevolgen, acht de BES-rechter het buiten zijn rechtsvormende taak te voorzien in het rechtstekort en een rechtskeuze te maken die aansluit bij wat hier op de BES-eilanden leeft. Dat is aan de wetgever.

12. Het bovenstaande betekent dat de verzoeken zullen worden afgewezen.

De beslissing

Het gerecht:

wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Voorthuizen, rechter, en uitgesproken op 1 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba d.d. 30 juli 2019, ECLI:NL:OGHACMB:2019:147.