Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2021:12

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-08-2021
Datum publicatie
19-08-2021
Zaaknummer
BON202000286
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

in de zaak tussen:

[eiseres],

wonend in Bonaire,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas, advocaat,

en

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.J. de Graaf, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst Caribisch Nederland (de IND-CN).

Procesverloop

Bij beschikking van 28 mei 2019 is aan eiseres met ingang van 14 maart 2019 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van één jaar (de primaire beschikking).

Bij beschikking van 27 mei 2020 is het daartegen gemaakte bezwaar door eiseres ongegrond verklaard (de bestreden beschikking).

Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld en dit vervolgens aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en vergezeld door haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet toelating en uitzetting BES wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd door Onze Minister (verweerder) verleend. Op grond van het vierde lid wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Op grond van het zesde lid geldt dat indien de vreemdeling de aanvraag tot verlenging dan wel de gegevens waaruit blijkt dat aan de voorwaarden wordt voldaan niet tijdig heeft ingediend en hem dit niet is toe te rekenen, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verlengd met ingang van de dag na die waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning waarvoor verlenging is gevraagd afloopt.

1.1

Op grond van artikel 5.36, eerste lid, van het Besluit toelating en uitzetting BES is de aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd tijdig ingediend, indien deze is ontvangen uiterlijk op de dag voor de dag waarop de geldigheidsduur verstrijkt, dan wel, indien deze later is ontvangen, indien de termijnoverschrijding de vreemdeling niet kan worden toegerekend. Op grond van het tweede lid wordt de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gelijkgesteld met een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

1.2

Ingevolge hoofdstuk 3, paragraaf 1.12.1, van de Circulaire toelating en uitzetting BES (de Circulaire) kan de aanvraag maximaal vier maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur en uiterlijk op de dag van verloop van de geldigheidsduur worden ingediend.

De vraag of de te late ontvangst van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te rekenen wordt van geval tot geval beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de vreemdeling zelf de volledige verantwoordelijkheid draagt voor tijdige indiening van de verlengingsaanvraag. Onderstaande omstandigheden kunnen niet worden aangemerkt als verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding: de vreemdeling is door de overheid er niet op gewezen dat zijn vergunning afloopt, vakantie, detentie en nonchalance. Als de te late indiening van de aanvraag of de te late verstrekking van de noodzakelijke gegevens of bescheiden niet aan de vreemdeling toe te rekenen is, wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de verblijfsvergunning te verlengen in aansluiting op de verlopen vergunning. Als de aanvraag tot verlenging niet op de uiterste datum is ingediend, maar wel binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, moet de aanvraag wel als een verlengingsaanvraag worden behandeld. Als de aanvraag wordt ingewilligd dan is de ingangsdatum de datum waarop de verlengingsaanvraag is ingediend (behoudens verschoonbaarheid van de te late indiening). Er ontstaat een onderbreking in het verblijfsrecht van de vreemdeling wat gevolgen heeft voor de opbouw van de verdere verblijfsrechten, zo staat in de Circulaire.

2. Eiseres bezit de Braziliaanse nationaliteit en verblijft sinds 21 augustus 2014 rechtmatig op Bonaire.

Eiseres is laatst in het bezit geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd die geldig was van 8 september 2018 tot en met 24 februari 2019 (de verblijfsvergunning). Omdat haar oude paspoort op 24 maart 2019 zou verlopen, is aan deze verblijfsvergunning een kortere geldigheidsduur dan een jaar gegeven.

Op 12 januari 2019 is eiseres naar Brazilië afgereisd voor een medische behandeling.

Op 6 februari 2019 heeft eiseres een nieuw paspoort ontvangen.

Op 14 maart 2019 heeft eiseres een aanvraag voor verlenging van de verblijfsvergunning bij de IND-CN ingediend (de aanvraag).

De aanvraag is bij de primaire beschikking ingewilligd met ingang van
14 maart 2019.

Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat de ingangsdatum volgens haar 25 februari 2019 had moeten zijn.

Bij de bestreden beschikking is dat bezwaar ongegrond verklaard, omdat eiseres heeft nagelaten om aan te tonen dat de te late indiening van de aanvraag haar niet kan worden toegerekend.

3. Aan het daartegen gerichte beroep heeft eiseres ten grondslag gelegd dat verweerder in de bezwaarprocedure ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting. Hierdoor is sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van de bestreden beschikking. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat zij de aanvraag niet eerder dan op
14 maart 2019 heeft kunnen indienen, omdat zij ziek is geworden en op 12 januari 2019 naar Brazilië is afgereisd voor een medische ingreep. Ook haar echtgenoot kon de aanvraag niet in een eerder stadium indienen. Hij is op 3 februari 2019 naar eiseres toe afgereisd vanwege haar verslechterde medische situatie. Daarvoor kon hij de aanvraag niet indienen, omdat eiseres toen nog niet in het bezit was van een nieuw paspoort. Op 11 maart 2019 zijn eiseres en haar echtgenoot teruggereisd naar Bonaire en hebben vrijwel meteen de aanvraag ingediend. De te late indiening kan haar gelet hierop niet worden toegerekend, zodat aan haar een verblijfsverguning had moeten worden toegekend met 25 februari 2019 als ingangsdatum. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven, aldus nog steeds eiseres.

4. Het Gerecht oordeelt als volgt.

afzien van hoorzitting

4.1

Op grond van artikel 67, aanhef en onder b, van de War BES kan van het houden van een hoorzitting worden afgezien indien het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is. Van kennelijk ongegrondheid is sprake als uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de aangevoerde bezwaren niet tot heroverweging van de beschikking kunnen leiden.

Op grond van vaste jurisprudentie mag van horen in bezwaar worden afgezien wanneer op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden (vgl. ECLI:NL:RVS:2008:BG6402).

4.2

In de bestreden beschikking heeft verweerder overwogen dat de door eiseres in bezwaar aangevoerde omstandigheden (dringende medische behandeling in Brazilië, moment van paspoortvernieuwing en het vertrek van haar echtgenoot naar Brazilië) geen blijk geven dat zij al het mogelijke heeft gedaan om de aanvraag tijdig in te dienen en dat de niet-tijdige indiening haar daarom kan worden toegerekend. Aan eiseres wordt verweten dat zij niet voor haar vertrek naar Brazilië een nieuw paspoort heeft geregeld en verweerder niet op de hoogte heeft gesteld dat het haar niet zal lukken om de aanvraag op tijd in te dienen. Verweerder heeft, met toepassing van het hierboven genoemde artikel, afgezien van het houden van een hoorzitting en het bezwaar ongegrond verklaard.

4.3

Naar het oordeel van het Gerecht is van kennelijk ongegrondheid van het bezwaarschrift in dit geval geen sprake. Door van het horen af te zien, is aan eiseres in bezwaar de mogelijkheid ontnomen om een nadere uitleg te geven waarom de door haar genoemde omstandigheden het haar onmogelijk hebben gemaakt om de aanvraag op tijd in te dienen. Die mogelijkheid heeft eiseres pas in deze procedure gehad. Daarbij heeft zij onder meer erop gewezen dat zij al in mei 2018 ziek is geworden en haar medische situatie sindsdien flink achteruit is gegaan. Zij was voornemens om de behandeld arts mee te nemen naar de hoorzitting om een nadere uitleg te geven over haar medische situatie en heeft (mede) daarom om een hoorzitting gevraagd. Gelet hierop had verweerder naar het oordeel van het Gerecht niet louter op basis van het bezwaarschrift de conclusie mogen trekken dat zij niet al het mogelijke heeft gedaan om de aanvraag tijdig in te dienen. Dat blijkt immers niet meteen daaruit. Verweerder heeft dus ten onrechte afgezien van het horen. Het betoog slaagt daarom.

4.4

In zoverre is het beroep dus gegrond en kan de bestreden beschikking niet in stand blijven wegens strijdigheid met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Gerecht zal nu bezien of de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand kunnen blijven.

verschoonbaarheid van de te late indiening van de aanvraag

4.5

Vaststaat dat eiseres de aanvraag niet uiterlijk op 24 februari 2019, zijnde de dag waarop de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning verliep, heeft ingediend. Verder is niet in geschil dat eiseres sinds mei 2018 ziek is geweest en dat zij wegens verslechtering van haar medische toestand in januari 2019 naar Brazilië is gegaan voor medische behandeling.

Het geschil ziet toe op de vraag of de door eiseres aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding geven om de te late indiening van de aanvraag niet aan haar toe te rekenen.

4.6

Hoewel het voorstelbaar is dat de medische situatie van eiseres een tijdige indiening van de aanvraag heeft bemoeilijkt, ziet het Gerecht in wat zij heeft aangevoerd geen grond om de te late indiening verschoonbaar te achten. Als toelichting dient het volgende. De aanvraag kon vanaf 24 oktober 2018 bij de IND-CN worden ingediend. Indien eiseres wegens haar ziekte niet in staat was zelf de aanvraag in te dienen, had zij iemand kunnen machtigen om dat voor haar te doen. Verweerder heeft op dit punt (onweersproken) uitgelegd dat de IND-CN uitzondering maakt op de regel dat de aanvrager in persoon de aanvraag moet indienen, indien een goede reden daarvoor bestaat. Van deze mogelijkheid heeft eiseres geen gebruik gemaakt. Dat zij haar nieuwe paspoort pas op 6 februari 2019 heeft ontvangen en daarom niet eerder de aanvraag kon indienen, maakt het voorgaande niet anders, nu zij zelf de verantwoordelijkheid draagt voor een tijdige aanvraag van een nieuw paspoort. Eiseres was een gewaarschuwd mens: de verblijfsvergunning is voor een beperktere duur afgegeven juist vanwege het feit dat haar oude paspoort op 24 maart 2019 zou verlopen. De stelling dat zij vanwege haar ziekte niet aan de vervaldatum van de verblijfsvergunning heeft gedacht, kan haar ook om die reden niet baten. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat het indienen van de aanvraag pas na 6 februari 2019 mogelijk was, geldt dat eiseres ook vanaf die datum iemand had kunnen machtigen om dat te doen. Dat heeft zij echter ook niet gedaan.

4.7

Nu niet is gebleken van andere feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de late indiening van de aanvraag niet aan eiseres is toe te rekenen, is de bepaling van de ingangsdatum van de primaire beschikking op
14 maart 2019 op goede gronden geschied. Het Gerecht ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking in stand te laten.

5. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten bestaande uit gemachtigdensalaris zijdens eiseres. Deze worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht BES begroot op USD 782,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met wegingsfactor 1). Voorts zal worden bepaald dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoed.

Beslissing

Het Gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden beschikking;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden beschikking in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten bestaande uit gemachtigdensalaris zijdens eiseres tot een bedrag van USD 782,- (zegge: zevenhonderd tweeëntachtig Amerikaanse dollars);

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage USD 84,- (zegge: vierentachtig Amerikaanse dollars) vergoed.

Aldus vastgesteld door mr. A.J. Martijn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2021, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Aswani, griffier.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open binnen zes weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak. Zie hoofdstuk 5 WarBES.