Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2020:7

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
17-03-2020
Datum publicatie
24-03-2020
Zaaknummer
BON201900477
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbod optreden rapartiest en in zoverre afwijzing aanvraag evenementenvergunning. Ernstige vrees voor verstoring openbare orde is

onvoldoende feitelijk onderbouwd. Vernietiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. E.J. Winkel, advocaat,

en

de Gezaghebber van het Openbaar Lichaam Bonaire

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Valdink, Hoofd Afdeling JAZ.

Procesverloop

Bij beschikking van 3 juni 2019 heeft verweerder op grond van artikel 174, derde lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Wol BES) het optreden van [artiest] (het optreden) op het door eiseres georganiseerde evenement “[evenement]” op 8 juni 2019 (het evenement) verboden (het bevel).

Bij beschikking van diezelfde datum heeft verweerder op aanvraag van eiseres van 17 april 2019 vergunning verleend voor het evenement onder nadere voorschriften en onder verwijzing naar het bevel (de vergunning).

Eiser heeft tegen daartegen beroep ingesteld en de gronden daarvan aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2020. Voor eiseres is daar verschenen haar gemachtigde, vergezeld door [directeur van eiseres], directeur van eiseres. Verweerder werd daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 174, eerste lid, van de Wol BES is de Gezaghebber belast met de handhaving van de openbare orde. Op grond van het derde lid is de Gezaghebber bevoegd bij verstoring van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan de bevelen te geven die noodzakelijk te achten zijn voor de handhaving van de openbare orde.

Op grond van artikel 30 van de Algemene politiekeur van Bonaire (APB) is het verboden zonder vergunning van de Gezaghebber openbare vermakelijkheden te geven, of voor het publiek toegankelijke bijeenkomsten tot ontspanning of vermaak te houden.

2. Aan het bevel heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hem uit informatie van de politie is gebleken dat het optreden ernstige veiligheidsrisico’s oplevert. Die vrees is gebaseerd op vetes tussen diverse gewelddadige gangs in Curaçao, de betrokkenheid van de genoemde artiest daarbij als doelwit van een schietincident en de mogelijkheid dat gangleden het optreden zullen bezoeken.

3. Met eiseres is het Gerecht van oordeel dat verweerder niet met specifieke en concrete gegevens heeft beargumenteerd dat met het optreden een zodanige concrete en actuele bedreiging van de openbare orde was gemoeid dat dit redelijkerwijs grond kon vormen voor de bevoegdheid tot het geven van het bevel. De informatie van de politie, voor zover overgelegd, strekt niet verder dan tot niet feitelijk onderbouwde aannames, waarvan het realiteitsgehalte dan ook niet bepaalbaar is. Het schietincident in Curaçao op 18 januari 2019, waarbij geschoten is op de auto van de genoemde artiest, biedt op zichzelf beschouwd onvoldoende grond om te oordelen dat de Gezaghebber redelijkerwijs het optreden op Bonaire kon aanmerken als een ernstig gevaar zettende gebeurtenis. Ook de door de politie geuite vrees dat de gewoonlijk gebezigde rapteksten bij het optreden zouden leiden tot geweld ontbeert steun in de feiten. Onweersproken is dat bij eerdere optredens op Bonaire van de genoemde artiest die rapteksten niet tot wanordelijkheden hebben geleid.

4. Nu ter zitting naar voren is gekomen dat een nadere onderbouwing van de ernstige vrees voor veiligheidsrisico’s van het optreden niet in rechte zal worden overgelegd, moet het Gerecht het ervoor houden dat het bevel gegeven is in strijd met de bepaling waarop het werd gebaseerd en dat het derhalve als genomen in strijd met die bepaling moet worden vernietigd.

5. Voor zover bij de vergunning wordt gerefereerd aan het bevel strekt dat tot afwijzing van de vergunning wat betreft het optreden als onderdeel van het evenement. Nu het bevel onrechtmatig wordt geoordeeld, geldt dat ook voor de afwijzing bij de vergunning van het optreden als onderdeel van het evenement. Dat bij de aanvraag het optreden niet apart werd vermeld, wat daar verder ook van zij, maakt dat niet anders.

6. De slotsom is dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bevel en de vergunning voor zover die strekt tot afwijzing van het optreden als onderdeel van het evenement beide voor vernietiging in aanmerking komen.

7. Het Gerecht ziet aanleiding verweerder te veroordelen tot de betaling van de proceskosten van eiseres als na te melden. Voorts zal het Gerecht verweerder gelasten aan eiseres het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

Het Gerecht

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bevel en de afwijzing van de vergunning voor het optreden;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van haar proceskosten, tot een bedrag van USD 782 (zegge: zevenhonderden tweeëntachtig Amerikaanse dollars), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten x USD 391);

  • -

    gelast verweerder aan eiseres het door haar voor de behandeling van dit beroep betaalde griffierecht van USD 84 (zegge: vierentachtig Amerikaanse dollars) te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de War BES.