Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2020:10

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-03-2020
Datum publicatie
27-03-2020
Zaaknummer
BON201900266
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing declaratie raadsman voor kosteloze rechtskundige bijstand. De door het Gerecht in een civiel vonnis vastgestelde salaris kan niet bij de

Raad voor Rechtsbijstand worden geclaimd. Ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

wonend in Curaçao,

eiser,

en

de Raad voor Rechtsbijstand,

gevestigd te Utrecht, Nederland,

verweerder,

gemachtigde: mr. O.S.J. de Koning, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2019 heeft verweerder de declaratie van eiser van 17 april 2018 voor zijn optreden als raadsman in een civiele zaak afgewezen voor zover daarbij is opgevoerd het door het Gerecht in de desbetreffende procedure bij vonnis, reg.nr. AR 2013/46 (het vonnis), vastgestelde salaris van de gemachtigde van USD 15,665 (de afwijzing).

Eiser heeft tegen de afwijzing beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het Gerecht heeft de zaak ter openbare zitting behandeld op 22 januari 2020. Eiser is daar verschenen.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 4 van de Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES (Wkrb BES) worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld over de verlening van kosteloze rechtskundige bijstand.

Op grond van artikel 6a, eerste lid, komt, indien personen, die als eisende partij met kosteloze rechtskundige bijstand ingevolge deze wet procederen, veroordeeld worden in de kosten, uitsluitend het salaris van de gemachtigde der wederpartij, tot het door de rechter vastgestelde bedrag voor rekening van het Rijk. Op grond van het tweede lid, stort de advocaat, indien de rechter een bedrag vaststelt voor salaris van de advocaat van een onvermogende, aan wie op grond van deze wet kosteloze rechtskundige bijstand wordt verleend, het bedrag na ontvangst in ’s Rijks kas, voor zover dit het bedrag, dat aan de advocaat voor de behandeling van de zaak in de betreffende instantie is toegekend, niet overschrijdt.

1.1.

Op grond van artikel 4 van de Regeling kosteloze rechtskundige bijstand BES

(de Regeling) ontvangt de advocaat voor de verlening van rechtskundige bijstand in andere zaken dan strafzaken voor de duur van de gehele procedure USD 505,-.

Op grond van artikel 5 kan, indien dit noodzakelijk is, het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand beslissen tot vergoeding van een geheel of een gedeelte van de reiskosten die de advocaat heeft gemaakt ten behoeve van de verlening van rechtskundige bijstand in een zaak.

Op grond van artikel 6 verstrekt het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand door tussenkomst van de Rijksdienst Caribisch Nederland een vergoeding aan de advocaat voor de door hem op basis van een kaart verleende kosteloze rechtskundige bijstand.

2. Verweerder heeft zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de toepasselijke regelgeving geen grond biedt voor de vergoeding aan eiser van het door het Gerecht bij het vonnis vastgestelde salaris tot USD 15,665 van eiser als gemachtigde in de betrokken civiele zaak. Het tweede lid van artikel 6a Wkrb BES strekt tot niets anders dan tot voorkoming van dubbele beloning: zo de raadsman zijn declaratie van de onvermogende cliënt incasseert, is hij gehouden de van verweerder ontvangen vergoeding terug te storten. Het beroep van eiser op deze bepaling is dan ook tevergeefs. Nu de afwijzing in overeenstemming is met de wet moet die rechtmatig worden geoordeeld.

Dat bij het vonnis (ook) ten aanzien van het vastgestelde salaris van de gemachtigde tot USD 15,665 is bepaald dat de wederpartij dit dient te betalen aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (GHvJ) is ongebruikelijk, maar doet aan het voorgaande niet af. Het Gerecht heeft overigens vastgesteld dat de betaling niet bij het GHvJ is ontvangen, zodat verondersteld kan worden dat de betrokken cliënt van eiser ook vermeld bedrag nog zal kunnen invorderen van zijn toenmalige wederpartij.

3. De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan blijven.

4. Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2020 in aanwezigheid van mr. H.L. Loef, griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de War BES.