Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:66

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
30-01-2019
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
Bon20180047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure tegen het Hof; vordering tot inzage (843a Rv); in het Engels gestelde processtukken; vertaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

VONNIS

in de zaak van:

[EISER],

eiser in hoofdzaak en in het incident,

wonende in Bonaire,

procederend in persoon,

tegen

1. de openbare rechtspersoon het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

zetelend in Curaçao,

2. het Openbaar Ministerie, zetelend in Bonaire,

3. het ministerie van Justitie, zetelend in Nederland,

gedaagden in hoofdzaak en in het incident,

gemachtigden: mrs. L.M. Virginia en M.D. van den Brink.

Partijen zullen hierna (ook) [eiser] en resp. het Hof, het OM en het ministerie genoemd worden.

1 Het procesverloop

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

- het inleidend verzoekschrift met producties ingekomen op 29 januari 2018;

- de reactie van 23 april 2018 van de hoofdofficier van justitie Openbaar Ministerie BES;

- de conclusie van antwoord zijdens gedaagden, ingediend op de rolzitting van 27 juni 2018;

- een verwijzing naar de rol van 29 augustus 2018 voor het nemen van een conclusie van repliek, die op die datum niet is genomen;

- de vordering in het incident ex artt. 843a en 843b van [eiser], ingediend op 27 augustus 2018;

- het antwoord in het incident van 26 september 2018 zijdens gedaagden;

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

In hoofdzaak en in het incident

2.1 [

eiser] heeft in de periode 2012 tot 2017 een aantal rechtsgedingen gevoerd bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire. [eiser] heeft voor het eerst in 2012 een zaak bij het Gerecht aanhangig gemaakt (tegen [betrokkene]).

2.2

Hij heeft hiervoor een advocaat ingeschakeld.

2.3

Door een griffiemedewerker van het Gerecht is per e-mail van 29 mei 2017 op een vraag van [eiser] geantwoord met “The claim must be in Dutch.”

3 Het geschil

In het incident

3.1 [

eiser] heeft verzocht gedaagden te bevelen om hem op grond van de artt. 843a en 843b Rv. diverse in het verzoekschrift genoemde stukken te verstrekken die hij nodig heeft om een historisch overzicht te verkrijgen van de gebeurtenissen tussen 2014 en 2018 verband houdende met de corruptie/collusie/collaboratie die in de aanhangige rechtszaken waarbij hij partij of verdachte was is gepleegd.

3.2

Gedaagden hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring resp. afwijzing van de vordering tegen gedaagden sub 2 en 3 resp. gedaagde sub 1. Kort gezegd is aangevoerd dat geen sprake is van een rechtsbetrekking tussen [eiser] en gedaagden, dat de gevraagde bescheiden onvoldoende bepaald zijn en een groot deel van de stukken niet aan gedaagden toebehoren en zij deze ook niet onder zich hebben (politie, belastingdienst, marechaussee, video-opnamen), dat volstrekt onduidelijk is welke feiten [eiser] wil bewijzen en hoe het bewijzen daarvan tot toewijzing van zijn vordering (in hoofdzaak) kan leiden (geen rechtmatig belang).

De (overige) stellingen van partijen worden voor zover nodig (impliciet) benoemd bij de beoordeling.

4 De beoordeling

In het incident voorts

4.1

In het kader van art. 843a Rv. kan door hem die daarbij een rechtmatig belang heeft bescheiden of andere gegevensdragers worden gevorderd aangaande een rechtsbetrekking waarin degene die vordert of zijn rechtsvoorgangers partij zijn. De vordering wordt ingesteld tegen degene die deze bescheiden of andere gegevensdragers te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. In het kader van art. 843b Rv. kan hij die een bewijsmiddel heeft verloren van degene die de beschikking heeft over dan wel onder zijn berusting heeft, bescheiden of andere gegevensdragers die tot bewijs kunnen dienen van enig feit waarop het verloren bewijsmiddel betrekking had, vorderen.

4.2 [

eiser] heeft zijn vordering tot afgifte van documenten genoemd onder 4.3 tot en met 4.40 van zijn verzoekschrift ingesteld jegens gedaagden.

Ten aanzien van de gedaagden sub 2 en sub 3 geldt dat deze geen natuurlijk persoon zijn, geen rechtspersoonlijkheid bezitten en niet kunnen worden aangemerkt als een personenvennootschap en daarom niet in een burgerlijk geding als partij kunnen optreden. Gelet daarop dient [eiser] in zijn vorderingen jegens het OM en het ministerie van Justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.3

De vordering jegens het Hof gebaseerd op art. 843b Rv. dient te worden afgewezen. Alleen al vanwege het feit dat door [eiser] niet is vermeld dat hij stukken die als bewijsmiddel kunnen dienen is verloren en op welke van de gevorderde stukken dat dan betrekking heeft.

4.4

De vorderingen gebaseerd op art. 843a Rv. moeten worden ingesteld tegen degene die over de bescheiden beschikt en aan de hand van de wettelijke criteria moet worden beoordeeld of recht op inzage/afgifte bestaat. Daarbij moet het gaan om 1. bepaalde door de verzoeker met name genoemde bescheiden; 2. waarbij verzoeker een direct en concreet belang heeft blijkend uit door hem te noemen concrete feiten en omstandigheden; 3. in het kader van een rechtsbetrekking waarbij verzoeker partij is.

4.5

Een vordering die behelst inzage van “any and all data” (4.3 verzoekschrift) is te onbepaald om aan de hand daarvan te kunnen beoordelen dat [eiser] daarbij ook een rechtmatig belang heeft ter zake van zijn rechtsbetrekking tot het Hof. Het Gerecht begrijpt het verzoek van [eiser] in hoofdzaak aldus dat onder meer schadevergoeding uit onrechtmatige daad wordt gevorderd wegens de mededeling van griffiepersoneel van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire over de taal waarin “the claim” moet worden opgesteld. Dit kan in beginsel worden aangemerkt als een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv. Overigens ziet dit onderdeel (4.3) van het verzoek grotendeels op bescheiden onder beheer bij andere instanties dan het Hof en beschikt het Hof daarover niet. Een verzoek tot inzage gebaseerd op de Wet bescherming Persoonsgegevens BES valt daarenboven buiten het bereik van art.843a Rv.

4.6

Ten aanzien van de vordering in hoofdzaak om gedaagden te bevelen zich te onthouden van alle tunnelvisie, vooringenomenheid, vooroordelen en kwaadaardigheid is onduidelijk op welke rechtsgrond [eiser] deze heeft gebaseerd; de blote stelling dat sprake is van schending van de door het Hof jegens hem te betrachten zorgplicht is onvoldoende om het bestaan van een rechtsbetrekking tussen het Hof en [eiser] aan te nemen die kan leiden tot een vordering op grond van de artt. 843a en 843b Rv. Ten aanzien van de vordering in hoofdzaak (rechtspositionele) maatregelen jegens mr. [rechter] te treffen is evenmin sprake van een rechtsbetrekking waarbij [eiser] en gedaagden partij zijn. Dergelijke beslissingen worden ingevolge het bepaalde in art. 117, lid 3 Grondwet jo. art. 33 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie door de Hoge Raad der Nederlanden genomen. Ook in verband met die vordering kan daarom geen incidentele vordering als gedaan worden ingesteld.

4.7

Alle gevorderde documenten betrekking hebbende op de strafzaak van [eiser] houden geen verband met de veronderstelde rechtsbetrekking van onrechtmatige daad (verzoekschrift 4.4 tot en met 4.16). [eiser] heeft ook niet duidelijk gemaakt wat zijn belang bij het verkrijgen van die stukken is met het oog op genoemde rechtsbetrekking. Dat geldt ook voor algemene informatie betrekking hebbend op misdaadstatistieken, alle witwaszaken, alle klachten over de politie en het klachtenregister van Bonaire en stukken van de belastingdienst/douane (4.19, 4.20, 4.21, 4.22, 4.23, 4.38, 4.39, 4.40). Overigens geldt voor gegevens in een strafprocedure dat deze waar het betreft processtukken voor [eiser] beschikbaar zijn (geweest) in het kader van die procedure (Boek 2, afdeling 4, titel 1 Wetboek van Strafvordering).

4.8

Voor het verzoek betreffende “all” brieven etc. en alle klachten zoals genoemd onder 4.17 en 4.18 geldt ook dat dit onvoldoende bepaald is om het belang van [eiser] daarbij ten aanzien van de in geding zijnde rechtsbetrekking te kunnen beoordelen. [eiser] heeft dit belang ook niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Hetzelfde geldt ten aanzien van de stukken (4.24 t/m 4.27, 4.29, 4.30, 4.35, 4.36, 4.37) die betrekking hebben op de wrakingsprocedure en klachtprocedure tegen mr. [rechter]. Onduidelijk is in hoeverre deze verband houden met voornoemde rechtsbetrekking en wat het belang van [eiser] is daarover te beschikken.

4.9

Ook ten aanzien van de verzochte bescheiden (4.31, 4.32, 4.33, 4.34) verband houdend met AR71/2013, AR26/2017, AR76/2017 kan zonder nadere onderbouwing niet worden vastgesteld dat [eiser] daarbij een rechtmatig belang heeft in het kader van voren omschreven rechtsbetrekking. Een aantal van die stukken zoals vonnissen zijn in die procedures al aan [eiser] of zijn gemachtigde verstrekt terwijl zoals al overwogen is, gesteld noch gebleken is dat deze zijn verloren.

4.10

Ten slotte geldt ook ten aanzien van het personeelsdossier van mr. [rechter] (4.28) dat door [eiser] op geen enkele wijze is vermeld in hoeverre hij bij de beschikking daarover (nog afgezien dat niet om een bepaald stuk daaruit is verzocht) baat zou hebben voor zijn (rechts)positie in de meergenoemde rechtsbetrekking met het Hof.

4.11

Het is binnen het bestek van een vordering ingevolge de artt. 843a en 843b Rv. niet aan degene die over bescheiden beschikt te verklaren of bepaalde bescheiden verloren zijn gegaan, zoals [eiser] heeft gevorderd.

4.12

De vordering in het incident jegens het Hof zal op grond van vorenstaande overwegingen worden afgewezen. [eiser] dient als de in het incident in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten daarvan.

In hoofdzaak voorts

4.13

De zaak is bevroren in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van de incidentele vordering. Dat betekent dat de zaak moet worden verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van repliek door [eiser].

4.14

Zoals eerder door de griffie van het Gerecht aan [eiser] bericht (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift) betekent het feit dat in art. 9 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie als voertaal ook het Engels is vermeld niet dat er geen Nederlandse vertaling van processtukken kan worden gevraagd. De vraag of dat wenselijk of noodzakelijk is, dient ook gelet op een uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof te worden beantwoord aan de hand van de eisen van een behoorlijke rechtspleging, waarbij een aantal uitgangspunten behoren (zie Gemeenschappelijk Hof 19 januari 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:4). In dit geval waar het geschil te maken heeft met zorgvuldige voorlichting en onpartijdige rechtspraak acht het Gerecht het voor een goed begrip van de standpunten nodig dat een vertaling van de processtukken in het Nederlands (de taal waarin het vonnis dient te zijn gesteld) wordt verstrekt (vgl. ook HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65). [eiser] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld een vertaling van het verzoekschrift en de overige te nemen conclusies in het geding te brengen.

4.15

Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

De beslissing

Het Gerecht

In het incident

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen jegens het OM en de minister van Justitie;

- wijst de vorderingen van [eiser] tegen het Hof af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit incident aan de zijde van het Hof, OM en het ministerie van Justitie tot op heden begroot op $ 1.117,00 wegens salaris gemachtigde;

In hoofdzaak

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 27 februari 2019 voor het nemen van een conclusie van repliek door [eiser];

- draagt [eiser] op om ten behoeve van een juiste weergave/juist begrip van zijn vorderingen en stellingen te zorgen voor de vertaling van zijn verzoekschrift/conclusies in het Nederlands;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. van Gastel, rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2019.